Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

VU Magazine 1998 - pagina 61

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

VU Magazine 1998 - pagina 61

5 minuten leestijd

God hier zie ik Hem aan 't werk en met zijn eigen Handen hangt Hij van boom tot boom de lieflijkste guirlanden. Wat gelukkig dat zo veel mensen zich nog afvragen wie toch die guirlanden tussen de bomen heeft gehangen. Dat heeft Hij gedaan, God, zingt Toon. Genot. Ontroering. Je kunt het niet vaak genoeg lezen. Laat ik doorgaan met zoeken naar een onderwerp voor deze lezing. Ik heb het vage gevoel dat de slotzin nog niet in zicht is. Ik stap van nrijn moeders schoot en trek de wijde wereld in. Je moet wel op den duur. Ik lees nu, op mijn drieënzestigste in de eenenveertigste druk van 'Kun je nog zingen, zing dan mee': 'Klein vogelijn', en ontroering maakt zich van mij meester. Niet om wat er staat, maar om de herinnering aan vroeger. Inmiddels zit ik op mijn eigen knieën en dank ik God dat hij niet meer bestaat. Maar dat hij toen wel bestond vervult mij met weemoed. Ach ja, denk ik, ergens was er iets, maar het is voorbij, en een groot verlangen bevangt mij om een gedicht te schrijven, iets te schrijven dat mij herinnert aan dit genot, dat ik ooit moet hebben gehad, maar dat mij nu ontglipt. Ik probeer weer te lezen als vroeger, maar ik kan het niet, ik moet alsmaar aan Darwin denken. Ik vind zijn antwoord op de vraag wie dat vogeltje heeft leren zingen zo ontroerend mooi, dat het antwoord van Dr J.P. Heije daarbij verbleekt, verdwijnt. Als ik Darwin daarover lees, dan voel ik "verdriet, vreugde, opwinding, spanning", alsmede "geraakt zijn, fascinatie, genoegen, bewondering, ontroering": nergens is er iets dat onze vragen naar het grote verband waarin wij leven beter onder woorden brengt dan de evolutie-theorie. Wij zijn kinderen van een volstrekt onverschillige Moeder Natuur en Vadertje Tijd. Er is geen enkele instantie in het universum die op hun gedrag toeziet. Dat is de veronderstelling, en zij is van een huiveringwekkende schoonheid, zij doet ons kijken in een gat, en het gat blijft open, het is superieure poëzie. Ik probeer weer te lezen als vroeger, maar het lukt niet, ik heb andere hersens gekregen. Ik moet niet als een volwassene lezen wat er staat. Ik zie de letters, precies dezelfde als vroeger, ze zijn versleten door al die herdrukken, ze moeten ooit van lood geweest zijn, ik lees heel langzaam de eigenaardige woorden en hun lettergrepen, klein, wit, vo, streepje, ge, streepje, lijn, komma, op, wit, groe, streepje, nen, wit, tak, komma, enz. Ik zie dezelfde geheimzinnige notenbalk, ik hoor het melodietje, precies hetzelfde, ik ruik de geur van eau de cologne en sigaren - en ineens besef ik dat God er was en er nu niet meer is. Ik dank God op mijn eigen knieën dat hij er niet meer is, ik zou anders geen gedicht kunnen maken over deze herinneringen, ik zou het 'absolute', het 'ene', het 'eeuwige' niet onder woorden kunnen brengen, de 'diepste waarheid' niet kunnen onthullen: er is 'niets', 'nergens' buiten ons, wij staan er alleen voor. Waar gaan wij naartoe? In deze lezing en daarna? Er is geen terug.

Klein vogelijn, waar bestu blevenl Mij langt na di, gezelle mijn; Du koors die dood, du liets mij 't leven. Dat was gezelschap goed ende fijn, Het scheen 't een moeste gestorven zijn. Nu bestu in den troon verheven. Klaarder dan dei zonnen schijn; Alle vreugd is di gegeven. Klein vogelijn, waar bestu blevenl Mij langt na di, gezelle mijn; Du koors die dood, du liets mij 't leven. Nu bidt voor mij, ik moet nog sneven Ende in de wereld lijden pijn; Verware mijn stede di beneven. Ik moet nog zingen een liedekijn, Nochtan moet immer gestorven zijn. Klein vogelijn, waar bestu blevenl Mij langt na di, gezelle mijn; Du koors die dood, du liets mij 't leven. Ach, liedje, waar ben je gebleven, ik moet nog pijn lijden en gedichtjes schrijven, maar later, als ik dood ben, zal ik jou weer horen, het oude liedje. Onvervuld verlangen, de orde en complexiteit van Krol, waarmee dat wordt opgeroepen, die "subtiele ontregelingen van de spreektaal", waar een andere gastschrijver, Bernlef, het over heeft in een van zijn prachtige essaybundels, 'Ontroeringen', de lustvolle stijgingen en dalingen van het spanningsniveau en de bevrediging van het verlangen naar nabijheid en samenhang van Frijda, de onthulling van het eeuwige van Bronzwaer, zij jagen met zijn allen de tranen naar mijn ogen bij het veertiende-eeuwse rondeel van Jan Moritoen. Alsof ik bij de begrafenis ben van een beminde en het eindelijk tot me doordringt: die zie ik nooit meer terug, behalve nu, en ook nu niet. Ja, maar, zal iemand zeggen, het lyrische ik in het Egidius-lied verwacht toch Egidius terug te zien, ooit, voorgoed? Het is het oude liedje. Beste luisteraar, beste lezer, als ik die eenvoudige boodschap geloofde, dan zou ik hier niet zitten te schrijven wat ik schrijf: dat ik ontroerd ben. Dan was het toch rozengeur en maneschijn? De dichter liegt de waarheid. Hij zegt iets dat alleen in de taal waar is, op dat ene moment dat u dat leest en hoort, maar in de echte wereld is het niet waar. God of de hemel zijn metaforen voor een 'ergens' 'iets', dat over ons waakt, ons lijden kent, ooit ons gemis ongedaan zal maken. Haal deze boodschap uit de context van dit lied, parafraseer hem, zeg tegen je dode beminde: tot straks, houdt een plaatsje vrij, schat. Wat blijft er dan over? Rozengeur en maneschijn, die eeuwige producten van verdringing en ontkenning. Maar lees het, hoor het in de deining van dit rondeel en het gaat door je ziel: o god, mijn beminde is weg, weg, ik blijf achter, ik wil mee, ik ga mee, ik kom, ook ik zal sterven, dan zullen we verenigd zijn in de dood, maar ik leef

wcs

JANUARI/FEBRUARI

1998

61

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1998

VU-Magazine | 492 Pagina's

VU Magazine 1998 - pagina 61

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1998

VU-Magazine | 492 Pagina's