VU Magazine 1998 - pagina 74
Faverey's verdwijntruc Hoe hermetisch kan een dichter wezen? En welk doel dient hij daarmee? De ongekroonde koning van de hermetische poëzie, Hans Faverey (1933 - 1990), is dood; hem kunnen we het dus niet meer vragen. Bovendien was hij tijdens zijn leven al zo weinig mededeelzaam over de inhoud van zijn werk, dat de geringe hoeveelheid informatie die uit vraaggesprekken rest, de overlevenden ook niet veel wijzer maakt. Hij hield er niet van om de lezer bij de hand te nemen. Het was zelfs zeer de vraag of die lezer hem überhaupt interesseerde. Gelukkig zijn er onderzoekers die hiermee geen genoegen nemen en blijven speuren naar de achtergronden van het werk, en die zelfs pogingen wagen zijn gedichten te interpreteren. Dat laatste is een paradoxale bezigheid: interpreteren is slechts mogelijk zolang de interpreet nog niet door deze poëzie is aangeraakt. Hij gaat ermee door tot dit wel het geval is, maar meteen daarna zal ook hij zwijgen en zal zijn interpretatie als bij toverslag zijn verdwenen. Over deze schijnbaar zinloze complexiteit van Faverey's poëzie, en de vicieuze cirkel waarin een exegeet ervan zich bevindt, heeft bioloog en essayist Arjen Mulder een helder opstel geschreven, dat is opgenomen in een recent verschenen, boeiende essaybundel over Faverey. Mulder legt de poëtica bloot van de dichter die in zijn eerste bundel zijn gedichten omschreef als "(...) selectieproeven // met semantische dubbelfllters-. / Communicatie is er nog wel, / maar een van die soort die in // zijn staart bijt en zijn staart- / angel recht door zijn kop slaat." Zulke filters hebben tot taak het woord te zuiveren van zijn ongewenste betekenis. De communicatie die het gedicht vervolgens tot stand brengt is geen begripvolle verstandhouding tussen een zender en een ontvanger, maar verwijst alleen nog naar zichzelf, om zichzelf daarna, als een schorpioen in het nauw, om zeep te helpen. Boodschappen verkondigen die zichzelf ongedaan maken, lijkt al een merkwaardig streven voor een dichter. Maar het was Faverey lang niet radicaal genoeg. Nog consequenter dicht hij daarom twee bundels later:
Ook de schorpioen is nu verdwenen. Er is zelfs geen steen meer waaronder hij had kunnen schuilen, laat staan een lezer die zou willen speuren naar een betekenis die zichzelf uitwist. Waartoe dient dan nog het 'woordoppervlak' van dit gedicht, dat wèl aanwezig is gebleven? Daaronder schuilt nog iets, haast tevergeefs. Aan dit woordje haast - het duikt telkens weer op in Faverey's werk - heeft het gedicht zijn bestaan te danken. Want had het iets helemaal tevergeefs dekking gezocht onder de steen, dan zou het vers een absurde exercitie zijn geweest en zeer waarschijnlijk niet geschreven. Dit haast is dus het dunne draadje waaraan de poëzie van Faverey bungelt; dankzij dit ene woordje is zij nog net niet geheel betekenisloos. Faverey is een leven lang op zoek geweest naar een dichterlijke taal, waarin de woorden niet langer verwijzen naar een realiteit buiten zichzelf; het zijn lege omhulsels geworden, die geen andere betekenis hebben dan zichzelf - ANWB-borden zonder plaatsnaam - , vergelijkbaar slechts met nonfiguratieve kunst of, dankzij de nadruk op klank en ritme, met muziek. Het iets dat haast tevergeefs schuilt onder de steen die geen steen meer is, is een les in letterlijk lezen. In weerwil van Nijhoffs adagium staat er bij Faverey precies wat er staat. Niets meer en niets minder. Eerst doodt het bericht de ontvanger, daarna doodt het de zender. Het geeft niet in welke taal. Een dode taal of een dodentaal? Dat maakt nog een heel verschil. Faverey is dood. Zijn gedichten spreken alleen nog voor zichzelf; letterlijk, want zij doen dat ook nog als wij straks dood zijn, en zélfs als er straks helemaal niemand meer is om ze te lezen. D. Prinsen
(...) Wat onder het woordoppervlak schuilt, schuilt daar haast tevergeefs. De schorpioen
De bundel "... Die zo rijk zijn aan zichzelf... - Over Hans Faverey' (1997) is een uitgave van de Historische Uitgeverij in Groningen. Het verzameld werl< van
verroert zich niet als ik de steen oplicht. Er is trouwens geen schorpioen; laat staan iemand die een steen oplicht die geen steen meer is.
74
wcs
JANUARI/FEBRUARI
Faverey verscheen bij De Bezige Bij.
1998
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1998
VU-Magazine | 492 Pagina's