VU Magazine 1998 - pagina 357
verf en linnen, van vormen, kleuren en structuren, zo poogden seriële componisten met hun werk het beschikbare klankmateriaal aan een diepgaand onderzoek te onderwerpen. Tenslotte kreeg de neiging tot het doen van materiaalonderzoek ook de poëzie in haar greep. Er ontwikkelde zich een 'talige' poëzie, met als program de vraag wat er gebeurt als een woord van zijn betekenis wordt ontdaan en niet langer dient als symbool voor iets dat zich buiten de taal bevindt. Wat is zo'n woord dan voor een ding, wat is zijn intrinsieke waarde en wat kun je ermee? In de woorden van de talige dichter Genit Kouwenaar: "Ik wil een woord terugbrengen tot zijn stoffelijkheid [...] De, zeg maar; mooie, tragiek van de dichter is, dat bijvoorbeeld het woord tafel niet van hout is [...] Ja, je zou met een gedicht geen ruit kunnen ingooien [...] De werkelijkheid gebeurt, het leven gebeurt, en om zo af en toe even de taal te laten gebeuren, dat is eigenlijk waar het steeds om gaat." De dichtkunst sloeg met dit adagium een moeilijk begaanbaar pad in. Hoe breng je, om maar eens een van de problemen aan te stippen, ideeën over als je de woorden die je daarbij nodig hebt eerst van hun symbolische functie en hun communicatieve bruikbaarheid hebt ontdaan? Slechts een enkeling wist dan ook zonder te verdwalen dit pad te bewandelen. Naast Kouwenaar bijvoorbeeld ook Hans Paveiey. Voor Faverey was de taal geen middel om de werkelijkheid te benaderen, te begrijpen en aan anderen te verklaren, maar zelf de ultieme werkelijkheid die benaderd, bestudeerd, geduid en begrepen diende te worden. Een weerbarstige werkelijkheid, zoals bleek uit de voor velen nauwelijks toegankelijke poëzie die zijn materiaalonderzoek opleverde.
En plotseling bleek de taal een werkelijkheid an sich, en hoe dan ook meer dan alleen maar het communicatiemiddel dat ons in staat stelt comfortabel vanuit onze leunstoel met onszelf en met elkaar van gedachten te wisselen over dingen waarmee de Aldebaranen, bij gebrek aan symbolen, zo moeizaam liepen rond te sjouwen. Taal, zo weten wij nu, kan ook als object dienen in het materiaalonderzoek van een abstracte, 'talige' dichter. En bovendien, vinden sommigen, is taal een geduchte sta-in-de-weg die ons het zicht op de 'werkelijke' werkelijkheid ontneemt. Dat de taal zelf weer onmisbaar is om dit laatste tot ons te laten doordringen en er ook nog eens over na te denken en te praten, vormt in feite de tragiek van het menselijk bestaan, vindt bijvoorbeeld Rutger Kopland. Wij willen de wereld graag doorgronden, maar die wereld zal nooit haar eigen taal spreken. Al wat je hoort is ónze taal, aldus de dichter/psychiater tijdens een publiek gesprek m e t } . Bernlef, dat ter introductie diende tot het 'gastschrijverschap' aan de Rijksuniversiteit Groningen dat Kopland eind vorig jaar vervulde. De werkelijkheid, meent Kopland, heeft geen binnenkant. Wat wij daarvoor aanzien is onze eigen binnenkant. Wij hebben weliswaar de taal tot onze beschikking om er iets over te zeggen. Maar wat wij zeggen komt uit onze mond en is per definitie altijd voorlopig.
Bernlef veronderstelde dat dit besef van fundamentele voorlopigheid verklaart waarom Koplands poëzie zo aarzelend is, met aanzetten tot een visie en het in één moeite door meteen ook weer ontkrachten daarvan. "Die schuivende panelen", zei Bernlef, "vormen de kern van jouw poëzie. Uiteindelijk tracht je zo het onmogelijke te bereiken. Dat is: een wereld zonder woorden." Kopland kon het slechts zwijgend beamen. Een wereld zonder woorden, een ongefilterde werkelijkheid; om het kennen daarvan was het hem als dichter, maar ook als wetenschapsbeoefenaar inderdaad te doen, hoezeer hij ook wist dat dit doel per definitie altijd onbereikbaar zou blijven. "Wij zijn", zei hij daarom maar, "als mens tegelijk onderdeel en buitenstaander van de wereld. Maar van de wereld die niet weet dat-ie de wereld is, maken we pas werkelijk deel uit als we dood zijn." Tot het zover is, begrepen de toehoorders uit zijn woorden, is er de poëzie om ons te ontroeren door van die spanning gebruik te maken.
Maar als het dan zover is, is er ook geen taal meer, geen bewustzijn en geen mogelijkheid ervaringen uit te wisselen. We zullen het ermee moeten doen: de werkelijkheid kennen en haar verbeelden lijkt onze voornaamste taak in dit leven. En tegelijkertijd dit onontkoombare besef: een piccolo wordt nooit een vogel, verf blijft verf, linnen linnen, en woorden blijven woorden. Is er dan geen andere mogelijkheid om greep op de werkelijkheid te krijgen? Er is toch ook nog de wetenschap, die ons aan de hand van pure feiten kennis kan verschaffen over de objectieve werkelijkheid? Maar ook hier komen wij bedrogen uit. Er is helemaal geen werkelijkheid die objectief waarneembaar is. Sinds de ontdekking van het onzekerheidsprincipe van Weinei Heisenbeig in 1927, is ons bij herhaling ingepeperd dat, alle pretenties van de objectieve wetenschap ten spijt, de werkelijkheid zich niet op ondubbelzinnige wijze laat vastpinnen of in eenduidige wiskundige formules laat vatten. De quantummechanica die mede op Heisenbergs onzekerheidsprincipe is gebaseerd, heeft overtuigend laten zien dat de werkelijkheid kameleonachtige trekken vertoont en dat iedere poging tot het waarnemen ervan de resultaten van die observatie onherroepelijk beïnvloedt. Het klinkt ons vertrouwd in de oren, gehoord ook de zoeven geciteerde woorden van Rutger Kopland, dat als wij denken de wereld tot ons te horen spreken het steevast ónze woorden zijn die wij beluisteren. Want ook wetenschappelijke inzichten kunnen niet anders dan in taal - "dat verdomde geduldige gereedschap", aldus Kopland, "waarmee wij naar de werkelijkheid gedwongen zijn te kijken" - tot ons komen. Het is nooit de werkelijkheid zelf, maar een interpretatie daarvan, die in theorie bovendien altijd inwisselbaar blijft voor een betere. 4Kopland kan het weten; hij is tenslotte dichter én wetenschapper. En hij houdt niet van al die valse pretenties die er in de wetenschap soms op na worden gehouden. Bescheidenheid
wcs
SEPTEMBER/OKTOBER 1998
53
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1998
VU-Magazine | 492 Pagina's