Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

VU Magazine 1998 - pagina 44

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

VU Magazine 1998 - pagina 44

4 minuten leestijd

Dirigentenmuziek Het steriele studeerkamerserialisme staat haaks op Kettings adagium dat het publiek moet worden bereikt. Desondanks meent ook Ketting dat iedere componist in eerste instantie hermetisch werkt: "Als je rekening gaat houden met het publiek, dan word je gek; dan zit je voor je het weet aan geld te denken. En er valt in deze branche nu eenmaal geen geld te verdienen. Er is geen publiek als ik componeer; dat is er pas als het stuk af is."

beeldende kunst en de literatuur plaatsgevonden. "Maar dit soort stromingen zijn natuurlijk prachtige toevluchtsoorden voor mensen die muzisch minder begaafd zijn." In diezelfde periode waarin de seriële muziek zich ontwikkelde, kwam ook de fiee jazz op. Een groter contrast dan tussen deze volstrekt spontane, ter plekke geïmproviseerde muziek en die doorgeëxerceerde stukken van de serialisten is nauwelijks denkbaar. "Heel opmerkelijk", aldus Ketting, "dat de klinkende resultaten van beide soorten vaak zo verrassend veel op elkaar leken,"

Een compositie mag dus met behaagziek zijn, niet naar het publiek zijn toegeschreven vanuit de gedachte: dat zal er wel ingaan. Toch zal de componist die gespeeld en gehoord wil worden, moeten manoeuvreren in het spanningsveld tussen absolute oorspronkelijkheid en een zekere voorspel- en herkenbaarheid. Het publiek moet het gehoorde in een kader kunnen plaatsen. "Maar", corrigeert Ketting streng, "dat is historiseren wat je nu doet." Die herkenbaarheid van een componist, die mogelijkheid hem te plaatsen, ontstaat pas na verloop van jaren. Ketting neemt Sjostakovitsj maar weer als voorbeeld: "Die stukken zijn voor het merendeel van voor de oorlog en werden destijds helemaal niet zo enthousiast ontvangen. Die populariteit kwam pas veel later, natuurlijk ook omdat er zo'n ontzettende hoop Sjostakovitsj is. Toen trad dat mechanisme in werking, waarbij een dirigent het leuk gaat vinden om het te spelen en anderen niet achter willen blijven. Na de publicatie van zijn memoires was het bovendien plotseling politiek correct om hem te programmeren; dat scheelde natuurlijk ook. En zo kreeg het publiek dus steeds vaker Sjostakovitsj te horen krijgt." Met Mahler is het net zo gegaan, verduidelijkt Ketting: "Echte dirigentenmuziek, net als die van Sjostakovitsj; het speelt zo lekker weg. Mahler werd in het begin nog wel eens moeilijk gevonden door het publiek. Maar Mahler is helemaal niet moeilijk; Bruckner, die is moeilijk." Bij Mahler heeft de dirigent nog keus: hij kan proberen het zo goed mogelijk te spelen, maar hij kan er ook mee schmieren. Dat kan bij andere componisten niet. "In een werk van Stravinsky bijvoorbeeld, kan een dirigent niks kwijt. Stravinsky moet je gewoon in het voorgeschreven tempo spelen en zorgen dat de noten stuk voor stuk zo goed mogelijk hoorbaar worden gemaakt. Dat is al moeilijk genoeg."

Ketting, die ten aanzien van heersende stromingen en modetrends in het muziekwereldje altijd zijn onafhankelijkheid heeft weten te bewaren, ziet, de balans van het serialisme opmakend, geen louter negatief saldo: "We hebben er zeker iets aan overgehouden. Niets klinkt meer hetzelfde sinds de jaren vijftig. Ook wanneer een componist nu een neo-romantisch stuk zou willen schrijven, ondergaat hij toch de invloed van die doorgewinterde twaalftoons- en seriële componisten. De luisteraar merkt dat in bijvoorbeeld het gebruik van dissonanten, in het vormbesef of in de kaalheid van zo'n stuk."

Het publiek, weet Ketting, is wispelturig, en de reactie op een nieuw stuk altijd onvoorspelbaar: "Natuurlijk hoop je dat er een paar mensen in de zaal zitten die er iets van meenemen en begrijpen waar je mee bezig bent." Bij een echt succes moet hij echter altijd wat besmuikt lachen: "Uit een soort schaamtegevoel, denk ik. Het is ook zo relatief. Ik heb wel eens meegemaakt dat eenzelfde stuk kort achter elkaar twee keer gespeeld werd, en dat ze de eerste keer de zaal zowat afbraken terwijl er bij de tweede gelegenheid nauwelijks een beleefdheidsapplausje af kon."

44

wcs

JANUARI/FEBRUARI

1998

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1998

VU-Magazine | 492 Pagina's

VU Magazine 1998 - pagina 44

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1998

VU-Magazine | 492 Pagina's