VU Magazine 1998 - pagina 297
lange regendagen in het bos niet meer zag en plotseling bevangen werd door een diep ontzag, een grote eerbied voor deze wilden, wanneer ik in hun arme kleine culturen onvermoede hoogtepunten ontdekte", zo schrijft hij. Juliens aandacht voor en enthousiasme over het religieuze gedachtengoed van de pygmeeën, doet authentiek en tegelijk ouderwets aan: "Dat werden de kostbaarste uren van mijn Afrikaanse leven. En de grootste beleving werd ongetwijfeld gevormd door die momenten dat ik bij deze wilden kennis vond van de Ene God", aldus Julien. Het vermeende monotheïsme van de pygmeeën dat zeker van voorchristelijke oorsprong is - geen van de stammen had tot dan toe ooit contact gehad met zendelingen verleidt Julien tot speculaties over het in de godsdienstfenomenologie destijds geopperde idee van de 'oeropenbaring', die aan de vroegste mensheid van Godswege zou zijn meegegeven. In dit verband noemt hij ook het jachtgebed dat bij bepaalde pygmeeënstammen wordt gebeden 'Nsambe, geef mij het jachtwild voor de dag van heden' dat herinneringen oproept aan het 'Geef ons heden ons dagelijks brood'. Veel pygmeeëngroepen geloofden niet alleen in een opperwezen, maar ook in het bestaan van allerlei al dan niet kwaadaardige geesten. Binnen elke stam waren er leden die speciaal in verband werden gebracht met de geestenwereld. Behalve de goedaardige tovenaars of genezers die de mensen behulpzaam waren en beschermden, was er vaak ook sprake van een kwade tovenaar die zwarte magie bedreef en zijn of haar stamgenoten schade berokkende. Deze Yikoundou, een soort heks, werd verantwoordelijk gehouden voor onverklaarbare rampen en ziektes. Na de dood van een Yikoundou veranderde hij of zij zich in een slangachtig beest dat in het bos huisde en bij tijd en wijlen - vooral 's nachts - dodelijke slachtoffers onder de pygmeeën maakte. Veel pygmeeëngroepen hadden daarom grote angst voor de duisternis. Na zonsondergang heerste er meestal diepe stilte in een pygmeeënkamp. Men schaarde zich rond een smeulend vuur en sprak
alleen nog fluisterend. Ook in de bladerhutten waar men de nacht doorbracht, bleven de vuren tot de ochtend branden. Pasgeborenen legde men zo dicht mogelijk bij de warmtebron, wat niet zelden leidde tot ernstige brandwonden waarvan men op latere leeftijd de littekens nog goed kon zien. Verleden tijd Bij de pygmeeën bestond groot ontzag, maar ook veel angst voor de doden. Begrafenissen werden in veel gevallen zo snel mogelijk uitgevoerd, waarna de hele stam opbrak om zich vele kilometers verderop ver weg van het graf opnieuw te vestigen. Deze praktijk leidde vaak tot veelvuldig opbreken en elders weer opnieuw beginnen, omdat de sterfte door ziekten en ongelukken hoog was. Vooral onder zuigelingen en kleine kinderen waren met regelmaat van de klok doden te betreuren. Zo verhaalt Julien de geschiedenis van een oude pygmeeënvrouw die in de loop van haar leven alle tien haar kinderen verloor. De meesten waren op jeugdige of zeer jeugdige leeftijd overleden. Haar laatste zoon echter was recentelijk tijdens de olifantenjacht door een van de dieren onder de voet gelopen en dodelijk gewond geraakt. Een kindersterfte van boven de 25 procent in de eerste twee levensjaren was bij de meeste pygmeeënstammen normaal, met in uitzonderingsgevallen uitschieters tot 75 procent. Maar ook volwassenen liepen risico's. Ziekten als longontsteking, influenza, framboesia of pokken maakten van tijd tot tijd onder alle pygmeeën slachtoffers. Met een blik op de hoge sterftecijfers stelt Julien de vraag hoe de toekomst van de pymeeen er uit zal zien. Voor een aantal stammen lijkt uitsterven onontkoombaar. Met een gemiddeld kindertal van 1,3 per vrouw, een hoge kindersterfte en een hoog percentage onvruchtbare vrouwen, lijkt er voor bepaalde groepen nauwelijks toekomst. Daarnaast zullen, zo is Juliens verwachting, de contacten van de pygmeeënstammen met de negerbevolking uit omliggende dorpen in de loop der tijd intensiever worden. Geleidelijkaan zullen de pygmeeën zich
vermengen met andere volken en hun nomadische cultuur opgeven. Julien beschrijft hoe de kledinggewoonten in de door hem bezochte stammen al aan het veranderen waren. Droegen de meest geïsoleerde groepen nog niets anders dan hun uit boombast vervaardigde schaamlap, pygmeeën die regelmatiger in contact met de buitenwereld kwamen, stapten al snel over op westerse kleding. Hoe snel en in welke mate de door Julien in 1953 voorspelde veranderingen zich hebben voltrokken, wordt helaas nergens in het boek vermeld. De lezer blijft wat dat betreft met een aantal vragen achter. Bestaan er anno nu nog pygmeeën-
groepen die op traditionele wijze leven? Of moeten we dit boek in zijn geheel beschouwen als een requiem voor een verdwenen dwergvolk? Naar aanleiding van: dr Paul Julien, 'Pygmeeën', Atlas, 1997. De foto's bi] dit artikel zijn uit dit boek afkomstig.
wcs
JULI/AUGUSTUS
1998
65
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1998
VU-Magazine | 492 Pagina's