GeheugenvandeVU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van GeheugenvandeVU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van GeheugenvandeVU.

Bekijk het origineel

OPVOEDING EN ONDERWIJS

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

OPVOEDING EN ONDERWIJS

7 minuten leestijd

Principils obsta!¹)

Weersta het euvel in zijn aanvang. We bedoelen: het euvel van staatsbemoeizucht ten aanzien der Christelijke school. Met opzet schrijven we niet: lagere school. Immers beginselen plegen geen halt te houden bij de grens tusschen deze en het middelbaar (voorbereidend hooger) onderwy's. Ook werden in, de zaak, die we gaan bespreken, al perspectieven gezien voor de middelbare scliool.

Men weet van het initiatief dat de inspectie van het L. O. in de derde hoofdinspectie heefli genomen. Een initiatief, waaraan de naam van den hoofdinspecteur, den heer L. Welling, is verbonden. Door loffelijken ijver bezield heeft deze inspectie een leidraad gepubliceerd en daarna propaganda gevoerd voor de daarin vervatte ideeën in samenkomsten met hoofden en personeel van de scholen op haar arbeidsterrein.

„De Standaard" was met dit novum weinig ingenomen. En terecht, naar we meenen, al nemen we niet elke van haar uitdrukkingen voor onze rekening. Want al wapent de inspectie deze aanbeveling van haar didactische beginselen en methoden niet met ambtelijk gezag, ambtelijk is en blijft ze. En dat zoo een ambtelijke aandrang tocJi menig onderwijzer in zijn bewegingsvrijheid kan hinderen, ligt voor de hand. We werken dit niet uit.

Evenzeer duidelijk is het volgende: wordt die weg eenmaal betreden, dan kon vermijding van de principieele zone wel eens uitermate moeilijk blijken. Gods gebod is „zeer wijd", zoo wijd, dat de meest geschoolde onderwijsman levenslang leerling blijft. Waar dan nog bijkomt, dat ook voor deze dingen het woord van 1 Cor.; 2 tijn beteekenis houdt, dat de natuurlijke mensch niet begrijpt de dingen die des Geestes Gods zijn. D.w.z. een „neutrale" inspectie achten wij' niet bevoegd uit te maken welke didactische richtlijnen ze nog juist kan trekken zonder op voor haar verboden terrein te komen. Het zooeven gekozen beeld van een principieele zone is eigenlijk wel heel gebrekkig- De kracht der beginselen doorstroomt het onderwijs zooals het bloed ons lichaam.

Men kan tegenwerpen: maar met dat al kunnen event, niet „neutraal" blijvende inspectoriale wen-5 ken eën voortreffelijke aanleiding vormen voor den onderwijzer om zich van eigen beginsel reken^ schap te geven. Dit argument zou sterker zijn als bij allen, ook de recruten, de benoodigde geschiktheid tot onderscheiden mocht worden ondersteld. Evenwel, het beproeven der geesten is een vaak uiterst moeilijke arbeid.

Vermoedelijk zouden we hierover niet schrijven, als we van meening waren, dat de genoemde Leidraad neutraal-technisch was gebleven. Ze is dit onzes inziens, ondanks haar stellige bedoeling, niet, We denken nu aan sommige gedachten die ze voorstaat inzake het vak TSfederlandsche Taal, een met voetangels bezaaid terrein!

Bestrijden willen we deze ideeën thans niet.

we wijzen slechts aan. Geen matei-ieele kritiek diis, alleen een bewijs (indien we ons doel bereiken), dat lelfs het eerlijkst streven naar „neutraliteit" g^n waarborg biedt tegen grensoverscbrijiding. Aan de bladzijden 24 en 25 van den Leidraad pntleenen we de volgende citaten:

Voor alles dient er voor gewaakt te worden dat liet kind zijn moed, zijn onbevangenheid en oabesohroomdheid behoudt, dat het dus durft te spreken en diirft te schrijven. Dit betekent dat de eisen naar de hogere leerjaren toe langzamerhand scherper worden. In de laagste klassen is de correctie aanwijzing van fouten hoogstens".

„In het eerste leerjaar dient aanvaard te worden, dat het kind zich biji het mondeling uitdrukken bedient van zijn streektaal, vooral bij leesen taallessen en het zaakonderwijs. Het is niet alleen toelaatbaar, doch in vele gevallen gewenst, dat de onderwijzeres hij haar verklaringen eveneens van de streektaal gebruik maakt, indien zij deze belieerst. Het tijdstip, waarop het kind in dit leerjaar het Algemeen Beschaafd min of meer benadert, is van weinig belang. Van groter belang is het, dat het iind zijn vrijmoedigheid behoudt".

„De taal leren beheersen door de taal te gebruiken, is het algemeen beginsel, dat deze werkwijze omvat. Door gebruik en door het gebruik alleen, hier en daar in de hogere leerjaren misschien gesteund door een stukje taaltheorie, zal het kind dienen te komen tot" enz. - )

Allereerst wordt onze aandacht gevangen door de bijzondere waardeering voor de onbevangenheid van het kind in vergelijking met de zuiverheid van zijn spreken en schrijven. Volledige correctie in de laagste klassen taboe, omdat anders het kind eens belemmerd worden mocht in zijn natuurlijken uitingsdrang. Om die reden wacht het dialect in het eerste jaar een eervolle ontvangst. De onderwijzeres mag niet pogen bet kind de Nederlandscbe klanken zuiver te laten nazeggen. Integendeel, verwacht wordt, dat ze, bij voldoende geschiktheid, zelf bet dialect als voertaal gebruikt. Zelfs, veronderstellen we, bij' het vertellen van Bijbelscbe Geschiedenis. Tenzij, de bedoeling wezen mocht, dat af en toe ter verduidelijking naar een dialectiscben term werd verwezen. Maar dan had de formuleering boogstwaarschij'niijk anders geluid.

Welnu, onze beschouwing van dfeze dingen zal principieel verschillen al naar gelang we het feit van den zondeval ernstig in rekening brengen of niet. De onderwijzer die zijn leerlingen — zoover dit bij de huidige situatie mogelijk is — ziet als in Adam gevallen, in Christus geheiligde Verbondskinderen, waardeert de onbelemmerde uitingen van het kinderleven anders dan wie gevormd is in ée leerschool van Rousseau. Het „Leer dten jongen de eerste beginselen naar den eiscb zijtas wegs" maakt hier scheiding.

Vooral hierom moet het Christelijk beginsel voor het taalonderwijs beteekenis hebben, omdat de mensch de taal in zijn val heeft meegesleept. Nu valt op het dialect een ander licht. Al spreekt bet, als gedachten voertuig, duidelijk van gemeene gratie, het vertoont in geringere mate dan wat „jbeschaafde taal" genoemd wordt de bewarendte en regenereerende kracht van Gods genade. Zoo schrijft dan ook de beea- P. van Duyvendijk in Practisch-didactisch")?

„Een der hoofdzaken is van 't begin af aan: systematische bestrijding van de dialectische onzuiverheden. De „ij" b.v., die in Amsterdam als „a" klinkt, in 't Zuidhollands polderland als „ai", in Dordrecht als „è", in Overijsel als „ie", moet zuiver worden".

Eindelijk bet laatste citaat uit den Leidraad. De.snoods kan „een stukje taai-theorie" worden geduld, maar dat is dan ook al. We zijta van meening, dat ook dit advies volstrekt niet van puur technischen aard is. Spraakkunst, in den zin van wetgevende grammatica, en taaltheorie zijb in veler schatting gedaald, beter: naar beneden gedrongen door een richting die op taalkundig gebied! «ven leerschuw is als in zaken van religie of ethiek. Dan wordt een voor bet Christelijk geloof niet te aanvaarden tegenstelling geschapen tusschen laalleven of taaipraktijk en taalleer of grammatica. De Inleiding tot de Taalwetenschap van Dr H., J. Pos tracht deze wijd verbreide opvatting populair-wijsgeerig te verantwoorden. ^) Het grammatisch begrip wordt dan een nusschien niet geheel ontbeerlijk, maar toch in *n grond der zaak ondeugdelijk hulpmiddel, dat men liefst zoo spoedig mogelijk den rug toekeert om zich in de levende taalrealiteit te dompelen. Het is onze bedoeling niet deze gedachte te weerleggen en nog veel minder ons voorstanders te verklai-en van overvloedig spraakkunstig onderricht op de lagere school.

Als dit slechts duidelijk is, dat onze waai-dfeering van de drie genoemde punten: den durf van het •Kind bij spreken en schrijven, het dialectgebruik in ue klas en de spraakkunst in het onderricht ge- Kleurd wordt door onze verhouding tot den Christus, den Vernieuwer van kinderleven en taal beide, heere ook van de meest elementaire taal-weteüschap. Waaruit oiuniddellijk volgt, dat de staat en zijn „neutrale" organen hier geen recht van toegang hebben.

Ons dunkt: een waarschuwend voorbeeld.


1) Dit artikel bleef ter zetterij eenige weken liggen.

2) Spatieeringen van mij, D. il Dordrecht, 1938, 2e dr., pg. 56. ^) V- U. B., Haarlem, 1926, vooral- pg. 224 en vlg.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 17 februari 1939

De Reformatie | 8 Pagina's

OPVOEDING EN ONDERWIJS

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 17 februari 1939

De Reformatie | 8 Pagina's