Vu cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Vu te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Vu.

Bekijk het origineel

UIT HET POLITIEKE EN SOCIALE LEVEN

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

UIT HET POLITIEKE EN SOCIALE LEVEN

8 minuten leestijd

Gbristendom en Economie. De bestrUding van de „economische opvatting" van den mensch

In voorgaande nummers van dit blad (AugusUis en September) is een gedeelte weiergegeveai van bet boekje van Lord Stamp: „Christianity and Economics" — Gbristendom en Economie. We zullen nu de bebandeling van dit boekje vervolgen, en daarbij tevens een ander werk van recenten datum betrekken, n.l. dat van Peter F. Drucker: „The End of Economie Man" — Het Einde van den Economischen Mensch.

Twee verschillende figuren: de eerste heeft onlangs een belangrijke functie in de Engelsche oorlogsorganisatie gekregen; de tweede is een Oostenrijksch emigrant, die tot 1933 aan de „Frankfurter Zeitung" was verbonden, waar hij in dat vooral vroeger zoo vooraanstaande blad, de voornaamste rubrieken hielp verzorgen. Dnicker woont thans in New-York, waar hij als publicist gi'oote bekendheid geniet.

Het loont de moeite, beider uiteenzettingen met elkaar te vergelijken.

Lord Stamp behandelt, zooals men zich zal herinneren, in één van de hoofdstukken van zijn boekje, de houding, die het Christendom tegenover verschillende economische vraagstukken in het verleden heeft ingenomen. Hij noemt o.a. het probleem van de rente en dat der slavernij, maar bespreekt ook (zij het dan beknopt, al te beknopt), de opkomst van het Calvinisme en den invloed daarvan op de ontwiklceling van het economische leven. Daarbij heeft hij vooral, liet kan moeilijk anders, Engelsche toestanden op het oog.

Nu is het niet mogelijk ook maar een enkel onderdeel van het vraagstuk, waarom het hier gaat, uitvoerig te behandelen. Het zal den lezers bekend zijn, dat het oordeel van verschillende schrijvers over den invloed van het Calvinisme op de ontwikkeling van het economische leven, sclierpe verwijten met betrekking tot de belijders inhoudt; het'groote werk van Troeltsch: „Die Soziallehren der Christliclien Kirchen und Grappen", heeft mede aan hun gedachten leiding gegeven; zoo ook dat van Max Weber: „Die protestantische Ethik des Kapitalismus". Het zal eveneens bekend zijn, dat tegen de in deze werken verkondigde meeningen, in de latere jaren sterk verzet is gerezen, zoo in Engeland en in Fransche Calvinistische kringen. En vooral ook in ons land. Wie zich tot de studie van dit vraagstuk aangetrokken voelt, mag niet verzuimen de belangwekkende (en helaas veel te weinig bestudeerde) dissertatie van Dr W. F. van Gunsteren, getiteld: „Italvinismus und Kapitalismus" (1934) ter hand te nemen, en daarnaast ook de uitvoerige critieken op Brunner's gedachten te bestudeeren.

We noemen deze literatuur (waaraan nog tal van andere werken zouden zijn toe te voegen) om van te voren duidelijk te maken, dat de enkele uitspraken, die b.v. Lord Stamp aanhaalt, het probleem niet kunnen weergeven. Daarvoor is het veel te omvangrijk.

Datzelfde geldt ook van het hoofdstuk in Peter F. Drucker's boek, dat het opschrift „The Failure of Churches" — De mislukking der kerkelijke verkondiging, draagt. Eén ding wordt immers maar al Ie dikwijls vergeten, n.l. dat het verval der kerken, de ongehoorzaamheid aan Gods geboden en de verwerping van Zijn wet, onnoemelijk veel schade aan het leven heeft berokkend. Veel wordt aan de kerkelijlce verkondiging toegeschreven, dat in werkelijkheid direct gevolg is van processen, die het fundament der Kerk aantastten. Van den moeilijken strijd, die de trouwe belijders tegen het opdringende ongeloof in eigen omgeving hebben gevoerd, heeft men dikwijls geen begrip. En toch beluisteren we in al die critiek soms een aangrijpende klacht. De indruk, die een verscheurde wereld als deze, op verschillende menschen maakt, is zoo smartelijk, dat zij met groot verlangen uitzien naar een macht, die de diep gevallen wereld uit haar ellende kan opheffen. En zij moeten het erkennen: alleen het Christendom is daartoe in staat. Maar dan worden zij zich van talrijke fouten bewust, die de Kerk in het verleden heeft begaan of naar hun meening zou hebben begaan. En zij verwijten aan haar, dat zij de kansen heeft „gemist", om den ellendigen toestand, waarin wij thans leven, te voorkomen. Zij, die het vermogen daartoe bezat.

Gaan we nu eerst na, wat Drucker daaromtrent schrijft.

Men zou, schrijft hij', hebben mogen verwachten, dat de kerken en de machten der religie, een analyse van het moderne maatschappelijke leven zouden hebben beheerscht. Want de kerken zijn het eenige onafhankelijke sociale lichaam, tot hetwelk menschen van alle klassen trouw verschuldigd zijn, en waarin niet de economische factor domineert.

Men mag, gaat hij voort, over de belangrijkheid der kerken van meeuing verschillen, en zelfs deze instituten bestrijden. Maar dit is zeker: Toen de massa's de ineenstorting van de economische interpretatie der samenleving, zooals die in het kapitalisme en in het Marxistisch socialisme overheerscht, hadden ondergaan, waren de kerken voorbestemd geweest, het vacuum dat aldus ontstond, te vullen. M.a.w. zij waren de eenigsten, die de massa, welke met leege handen te midden der ruïnes stond, hadden kunnen voeden. Menigeen had een Christelijk „revival", een nieuwe Christelijke beweging, verwacht, en vooral niet alleen de schrijvers in Christelijke bladen..

Zeker, Drucker laat uitkomen, dat hij aan deze Christelijke „herstelbeweging" slechts een tijdelijk karakter toekent. De kerken zouden een „noodhulp" zijn, totdat een nieuwe opvatting van de samenleving en de menschelijke natuur „op de basis van de projectie van vrijheid en gelijkbeid in een nieuwe sfeer", zou zijn gegToeid. Hïj; is tenslotte overtuigd humanist. Maar toch leeft in hem bewust of onbewust, de gedachte, dat de kerk redding kan brengen. Een gedachte, die hem had moeten verhinderen van „noodhulp" te spreken; hij komt daarop trouwens ook terug.

De meeste van die verwachtingen waren, gaat hij voort, gebaseerd op den „metaphysischen nood van het individu in zijn sociaal vacuum", laten we zeggen te midden van zijn momenteele sociale hulpeloosheid. De wanhoop van de massa vindt inderdaad haar oorsprong in den afschuw van een wereld, die haar geestelijke structuur heeft verloren. Het Christendom en de kerken, zegt hij nu, kunnen er echter niet alleen aanspraak op maken, dat zij heel geschikt zijn om tijdelijk twee tijdperken te overbruggen, maar ook, dat zij een nieuwe sociale „substantie" hebben voorbereid, door hardnekkig en zonder ophouden de opvatting van den „economischen mensch" af te wijzen en den „val" van deze beschouwing te voorspellen.

Ja, natuurlijk heeft het Christendom deze opvatting, die de negenllende eeuw ons helaas heeft geschonken, afgewezen. Want de belijders zagen daarin een aantasting van Gods schepsel, een verwerping van den Schepper. Tegen deze berooving van den mensch van zijn menschelijke waarden, tegen deze „Entmenschlichung des Menschen", hebben zij met kracht getuigd. Maar dat konden zij doen, omdat zij in den eeuwigen God geloofdem, die hemel en aarde geschapen heeft, en Die deze wereld zelfs in haar diepen val niet wilde verlaten. Dat konden zij doen, omdat zij vast geloofden in Christus, Die de wereld niet tijdelijk redt of bewaart, en haar dan aan de menschen, wanneer zij zich krachtig genoeg'wanen, overgeeft, en alleen dan „ingrijpt", wanneer de overspannen schepselen hun krachten zien begeven, maar Die het vaste fundament is van het leven.

Weg met die gedachte, dat de kerk slechts tijdelijk toevluchtsoord zou zijn, een onderdak, dat eigenlijk geen woning is, maar tij'de lijk dienst zou kunnen doen om menschen, wier huizen instorten en die den grond onder hun voeten zien schetiren, te herbergen. Weg met die gedachte, in heit bijzonder in dezen tijd, die tegen een (nieuwe) opvatting van den economischen mensch strijdt. Hoe zou een kerk, die de vluchtende menschen slechts als noodschuilplaats beschouwen, hen ooit kunnen schenken, wat zij noodig hebben? Zij vragen immers niet naar hulp; zij verachten haar immers in den grond huns harten!

Volgen wij echter eerst Drucker in zijn beschouwingen.

De historie van de honderd jaren voor den wereldoorlog wordt, zegt hij, gewoonlijk beschouwd als de historie van den groei en de ontwikkeling van het burgerlijlv kapitalisme en van zijn Siameeschen tweelingbroeder en tegelijk zijn tegenvoeter: het Marxistisch socialisme. Toch kan zij ook worden uitgelegd als de historie van üe ontwikkeling van de Christelijke critiek op de mechanische en economische opvatling der samenleving, en van 't groeiend besef in de kerken, dat, en waarom, deze constructie moest bezwijken.

Verschillende Roomsch-Katholieke historici hebben gepoogd de Duitsche historie der "19de eeuw van dit gezichtspunt te bezien, en opnieuw te beschrijven. Zij toonen aan, dat Marx, Darwin, en Herbert Spencer, die de mechanistische opvatting het sterkst tot uiting brachten, hun wortelen in feite in de achttiende eeuw hadden, terwijl de schoppende krachten der 19de eeuw zelf, uit den Christelijken tegenstand tegen deze opvatting voortkwamen.

Dit is zeker, dat (sinds den aanvang der 19de eeuw) de Christelijke kerken met toenemende kracht en duidelijkheid de onvermijdelijke consequenties van de mechanistische opvatting der samenleving, hebben aangetoond. Dat het kapitalisme zichzelf noodzakelijk zou vernietigen, door den klassenstrijd voort te brengen, werd het eerst zoowel door de Fransche Katholieke denkers van de restoratieperiode, zooals Bortald, de Maistre en Lamenais, als door de Duitsche romantici a"ls Baader, Friedrich Schlegel, en Görres, betoogd. Dat de klassenstrijd doelloos zou blijten en slechts een nog grootere ongelijkheid teweeg zou brengen.

dat zagen de profetische bliliken. der Didtsche Christelijke conservatieven, zooals Frantz, Radowitz en Stahl. En dat deze ontwikkeling zou uitloopen op de zelfvernietiging der beschaving, dat werd door den Spaanschen ICatholiek Donoso Cortes, weinigen tijd daarna verkondigd.

In de geestelijke sfeer waren de voornaamste religieuze stroomingen: die der Oxfordbeweging, die van kardinaal Newman, of lüerkegaard, door dezelfde gedachte gedreven: n.l. de erkenning, dat de fundamenten der Europeesche samenleving in elkaar moesten storten. Zij zagen het gevaar. Zij wisten, dat het Christen-zijn de bestrijding van de grondgedachte van hun tijd, in zich sloot. Daarom bestreden zij ook de zelfvoldane, officiëele kerk. Aldus Drucker.

Laten we hier thans ophouden. De laatste uitdrukldng kan slechts tegenstand verwekken. Zij is al te goedkoop, al te leelijk, al te onwaardig. „Wie" is dat toch, die „zelfvoldane, officiëele kerk", dat „hatelijke wezen", dat zoo dikwijls in iiun verbeelding verschijnt, wanneer buitenstaanders over „de kerk" oordeelen?

Volgen wij echter eerst Drucker verdeir in zijn beschouwingen.

B'. ter B.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 20 oktober 1939

De Reformatie | 8 Pagina's

UIT HET POLITIEKE EN SOCIALE LEVEN

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 20 oktober 1939

De Reformatie | 8 Pagina's

PDF Bekijken