GeheugenvandeVU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van GeheugenvandeVU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van GeheugenvandeVU.

Bekijk het origineel

Enige opmerkingen over de gelijkenissen des Heren

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Enige opmerkingen over de gelijkenissen des Heren

12 minuten leestijd

HOOFDARTIKEt

IV (Slot).

Er zijn door alle eeuwen heen verklaarders geweest, die er van uit gingen, dat Jezus in elke gelijkenis van Zichzelf sprak. En als de voor-de-hand-liggende verklaring niet sprak van het werk van Christus, dan groef men zogenaamd dieper, om toch maar tot de gezochte inhoud te komen.

Nu is de begeerte van orthodoxe exegeten om Christus Zelf in de gelijkenissen te vinden wel verklaarbaar. Liberale, moderne theologen hebben beweerd, dat het Evangelie alleen van de Vader spreekt en niet van de Zoon. Het Evangelie zou alleen maar getuigen van de liefde Gods en niet van het volbrachte werk van Christus. Het zou alleen maar willen weten van vergeving, doch niet van voldoening voor de zonden. De moderne theologen beriepen zich veelvuldig op de gelijkenissen. In de gelijkenis van de onbarmhartige dienstknecht krijgt de schuldenaar zo maar kwijtschelding van z'n schuld. Van voldoening of betaling der schuld is geen sprake. In de gelijkenis van de verloren zoon wordt de terugkerende zwerver zo maar door de^ vader in liefde aangenomen. Zo meenden de tegenstanders van de zogenaamde „bloed-theologie" hun evangelie, die van geen satisfactie wil weten, met de gelijkenissen te kunnen verdedigen.

Daartegenover hebben de orthodoxe verklaarders zich laten verleiden om te zeggen: Het offer van Christus komt wel degelijk voor in de gelijkenissen.

Ze wezen op het gemeste kalf dat geslacht werd na de terugkeer van de verloren zoon. Inderdaad heeft Origines hierin een aanduiding gezien van het offer van Christus. En ook de bekende kerkvader Augustinus. Anderen dachten aan een heenwijzing naar het Heilig Avondmaal. Maar een kind kan zien, dat dit dwaasheid is. In de gelijkenis wordt het gemeste kalf niet geslacht ter afdoening van schuld of tot herstel van de verbroken verhouding. Het gemeste kalf hoort bij de feestvreugde en bij het feestmaal, dat gehouden wordt, omdat de „dode" zoon weer „levend" is geworden.

Zo heeft men in de gelijkenis van de barmhartige Samaritaan het bloed van Christus gezocht en gevonden in de wijn, die de Samaritaan in de wonden goot. Ja, heel het plaatsvervangend lijden en sterven zag men afgebeeld in het feit, dat de Samaritaan z'n lastdier niet zelf bleef berijden, maar de gewonde daarop zette. De meer genoemde Trench schrijft als volgt: „De Samaritaan zet de gewonde man op z'n eigen beest, gaat zelf te voet er naast lopen en herinnert ons zo aan Hem, die, ofschoon Hij rijk was, arm is geworden om onzentwil, opdat wij door zijn armoede rijk zouden worden, — en die kwam, niet om gediend te worden, maar om te dienen."

Er zouden wel meer voorbeelden te geven zijn van een exegese, die per sé het offer van Christus in diverse gelijkenissen zoekt en vindt. De bedoeling van zulk een verklaring moge nog zo goed zijn, we moeten haar op deze weg niet volgen. Het is dwaasheid van de moderne theologep als ze beweren, dat in het Evangelie geen plaats is voor het offer van Christus als voldoening en verzoening van onze zonden. Daartoe kunnen ze alleen komen, door plaatsen die duidelijk hiervan spreken als onecht uit de woorden van Jezus te schrappen.

Maar het is ook dwaasheid als orthodoxe exegeten in bovengenoemde voorbeelden aanduidingen zien van het offer van Christus, waar een normaal, gelovig mens ze met de beste wil van de wereld niet vinden kan. Zulk een exegese doet afbreuk aan de eerbied voor de Schrift. Die is naar onze belijdenis klaar en duidelijk en eenvoudig en ons wijs-makend-tot-zaligheid.

Die klaarheid en eenvoud mis ik bijv. in sommige verklaringen van de gelijkenissen van de „Schat in de akker" en de „Parel van grote waarde" uit Matth. 13. In z'n verklaring van het evangelie van Mattheus (Der König Israels, bl. 188) schrijft Joh. Wilkens: , , Wat is dan voor de Zaaier de schat in de aEEer? Het goede zaad, dat daarin verborgen rust, inzoverre het werkelijk opgenomen is, inzoverre het goede bodem heeft en dus de belofte van rijke groei; en dus de in dit zaad reeds verborgen heerlijke en gezegende oogst. De oogst is de schat in de akker"! Als we even nadenken zien we gemakkelijk in, dat dit onzin is. Vindt een zaaier de oogst? en verbergt hij die dan? om daarna de akker te kopen? Boven zulk een exegese mag wel geschreven worden: „Ik zie, ik zie wat niemand ziet"

Prof. Brouwer bespreekt in „De Gelijkenissen", bl. 152 V. de verklaring van bovengenoemde gelijkenissen door D. J. Baarslag, wiens werk hij „overigens niet onverdienstelijk" noemt. Volgens Baarslag is onder de akker de wereld te verstaan. Nader: Israël. Zowel de wereld als Israël stelden Christus teleur. Maar in die akker wist Christus een schat verborgen: Zijn gemeente. Voor die gemeente verliet Hij de hemelse heerlijkheid en voor haar leed Hij de gruwelijke kruisdood. En zo wilde Hij Zich de ganse wereld verwerven.

We hoeven aan deze verklaring niet veel tijd te verspillen. Terecht vraagt Prof. Brouwer — en met de vraag is het antwoord gegeven —: „Hoe kan gezegd worden, dat Christus dien schat vond en dat Hij dien dan eerst nog verbergt en uit blijdschap over dat vinden alles verkoopt ? "

Wat betreft de koopman, die schone paarlen zocht, volgens Baarslag is daarmee Christus bedoeld. De paarlen zijn mensenzielen, die Hij uit het slijk der zonde naar boven brengt! En de parel van grote waarde is de gemeente!

Terecht vraagt Prof. Brouwer: „Maar hoe kan gezegd worden, dat Christus die gemeente vond? De koopman haalt toch geen paarlen uit het slijk? Hij is een koopman en geen parelduiker. En van het slijk is nergens sprake. Om de parel van grote waarde in zijn bezit te krijgen, doet hij alles van de hand — zou Christus de geredde mensenzielen terwille van de gemeente van de hand doen? "

De zin van deze gelijkenissen is m.i. veel eenvoudiger.

Daar was een man, die op z'n akker, die hij gepacht had, aan het graven was. Hij stootte met z'n schop op een hard voorwerp. Daar moet hij meer van weten. Bij nader onderzoek merkt hij, dat er een schat van grote waarde in z'n akker verborgen ligt. Daar roept hij de buren natuurlijk niet bij. Gauw stopt hij het

gat weer dicht. Die akker moet en zal hij in z'n bezit hebben. Daar heeft hij ailes voor over. Al moet hij al z'n bezit er voor van de hand doen!

Daar was voorts een koopman, die op mooie parels uit was. Op z'n reizen kwam hij er één tegen, neen maar zó iets had hij nog nooit gezien. Die overtrof alle andere in prijs. Hij heeft er weer alles voor over om die parel in bezit te krijgen. Het derde van vergelijking is: Er alles voor over hebben om één ding in bezit te hebben. Welnu, zo staat het ook met het koninkrijk der hemelen. Wie iets van de rijkdom en heerlijkheid en zaligheid heeft gezien van de genadeheerschappij in het koninkrijk der hemelen, die heeft er alles voor over om die genade te genieten. Die acht alles schade en drek om Christus te gewinnen. Die is bereid alles te verliezen, als hij Gods genade maar mag behouden. Die „zoekt eerst het koninkrijk Gods" (Matth. 6 : 33).

Ten slotte nog een enkele opmerking over trekken in de gelijkenissen, die wij vreemd vinden. Daar zijn er bij, die voor ons. Westerlingen, wel vreemd zijn. Terwijl ze heel gewoon zijn in de wereld van het Oosten.

Wij vinden het maar wat raar, dat een man zo maar in een akker een verborgen schat vindt. En we vinden het ook maar zo zo, dat die man niet naar de eigenaar van de akker gaat om hem te zeggen wat hij gevonden heeft. En we vragen ons af of dat nu wel een mooi voorbeeld is en of het eigenlijk wel door de beugel kan. Hierop is te antwoorden, dat in het Oosten dit alles heel normaal was. Men kende geen banken of kluizen om kostbaarheden veilig te bewaren. In onrustige tijden verborg men z'n schatten in de bodem. Kwam de eigenaar om, dan bleef de schat in de akker verborgen, totdat iemand hem toevallig vond. En kocht de vinder de akker, dan was hij tevens eigenaar van de gevonden schat.

Wij vinden het een vreemd geval, dat pachters van een wijngaard (Matth. 21) niet alleen de pacht weigeren te betalen, maar bovendien de dienaren, die om de pacht komen, mishandelen, stenigen en doden. Maar kenners van de Oosterse wereld verzekeren ons, dat dit alles daar gans zo vreemd niet is als wij denken. En als we lezen van tegenwoordige toestanden in Perzië en Egypte, dan vinden we het zo vreemd niet, dat ontevreden, opstandige pachters de boden van een schatrijke heer, die in den vreemde goede sier maakt, niet erg vriendelijk ontvangen.

We zullen moeten bedenken, dat Jezus leefde in een Oosterse wereld en sprak tot Oosterse mensen. Toch blijven er dan nog wel dingen, die naar onze mening zwaar zijn om te verstaan. Ik denk bijv. aan de gelijkenissen van de „Onrechtvaardige Rechter" en de „Onrechtvaardige Rentmeester" (Luk. 18 en Luk. 16). We kennen het verhaal: Een rentmeester werd bij z'n heer aangeklaagd, dat hij van diens goederen goede sier maakte. Gevolg is, dat de rentmeester ontslag wordt aangezegd. Maar eerst'moet hij orde op zaken stellen en verslag doen. Van de gelegenheid, die hij nog heeft, maakt hij misbruik, om de pachtsommen van de pachters te verlagen. Hij heeft het goed bekeken: Hij moet zich nog gauw even vrienden maken, die straks voor hem willen zorgen, als hij op straat staat. Dat alles is nog zo vreemd niet. Maar we vinden het toch wel raar, dat we lezen in Lukas 16 : 8: „En de heer prees den onrechtvaardigen rentmeester, dat hij met overleg gehandeld had, want de kinderen dezer wereld gaan ten aanzien van hun geslacht met veel meer overleg te werk dan de kinderen des lichts."

Toch is het zo vreemd niet als het lijkt. Ik geloof, dat de Here Jezus het doen van deze rentmeester in zeker opzicht ten voorbeeld stelde voor ons. Natuurlijk prijst de Here het niet, dat hij z'n heer benadeelt, door zo maar de pacht te verlagen. Maar de Here Jezus wil zeggen: In één opzicht is van de goddeloze wereld nog wel wat te leren. Daar is men bedacht op de toekomst! Men kijkt uit! Dat is op zichzelf te prijzen. Het is wijs om te denken aan de dag van morgen. Zó moeten de discipelen van Jezus ook wijs zijn. Ze moeten aan de toekomst denken. Met overleg te werk gaan. Als kinderen des lichts. Ze moeten met behulp van de mammon, waarmee veel onrecht gebeurt, zich vrienden maken. Opdat die hen later zullen opnemen in de eeuwige tenten.

Tenslotte heeft men het vreemd gevonden, dat God wordt vergeleken bij een onrechtvaardige rechter! Is dat wel eerbiedig en Gode waardig?

Men heeft zo het gevoel alsof God op één lijn gesteld wordt met een goddeloze rechter. Maar dat is helemaal niet waar. God is niet zo iets als een rechter, die door aanhoudend gezeur moet bewerkt worden. Hij neigt immers zijn oor en zal zijn uitverkorenen haastig recht doen. Maar de Here Jezus wil dit zeggen: Als zelfs zulk een uitgerekend goddeloze kerel op aanhoudend verzoek recht doet aan de weduwe, hoeveel te meer zal dan de hemelse Vader recht doen aan zijn uitverkorenen, die dag en nacht tot Hem roepen ?

Ten besluiten van dit slot-artikel nog een laatste woord.

We moeten m.i. bij de verklaring der gelijkenissen 'op de hoofdzaak letten.

Ik beweer niet, dat er in een gelijkenis altijd maar één hoofdpunt is.

Het kunnen er ook wel twee of drie zijn.

Maar dié moeten dan in de voornaamste plaats onze aandacht hebben.

Het derde van vergelijking of de derden van vergelijking moeten ons goed voor ogen staan. En die hoofdzaak of hoofdzaken, die Jezus ons wil inprenten in de vorm van een gelijkenis moeten we maar ter harte nemen.

En we moeten maar toezien, dat we deze hoofdzaak niet begraven onder veel menselijke scherpzinnigheid, waarvan niemand ons kan waarborgen, dat ze naar de zin en de mening van Jezus Christus zijn.

Wat heb ik tenslotte aan tien mooie vondsten, waarvan ik niet zeker weet, dat de Here Jezus ze bedoeld heeft? Zijn het onze vondsten die ons zalig maken? Of is het woord van Jezus Christus een kracht Gods tot zaligheid?

Men vindt het oneerbiedig als niet aan elk woord van een gelijkenis een diepe zin wordt toegekend. Ik vind het oneerbiedig als men niet blijft bij wat de Here Jezus Zelf klaar en duidelijk als het doel van een gelijkenis heeft bekend gemaakt. Het is beter maar weinig te weten, maar dan met zekerheid, dan veel te weten, maar met grote onzekerheid. Als we ter harte nemen wat Jezus ons in de gelijkenissen klaar en duidelijk geleerd heeft, dan hebben we daaraan genoeg. Het gaat er tenslotte niet om, wat geleerde exegeten er van gemaakt hebben, maar het gaat er om te bewaren in een» eerlijk en oprecht hart wat de Here Jezus ons openbaart aan beloften en eisen van het Koninkrijk der hemelen. En ook hiervan geldt wat de Heiland eens dankend gezegd heeft: , , Ik dank U, Vader, Heer des hemels en der aarde, dat Gij deze dingen voor wijzen en verstandigen verborgen hebt, doch aan kinderkens geopenbaard. Ja, Vader, want zo is het een welbehagen geweest voor U"

(Matth. 11 : 25, 26).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 20 september 1952

De Reformatie | 8 Pagina's

Enige opmerkingen over de gelijkenissen des Heren

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 20 september 1952

De Reformatie | 8 Pagina's