GeheugenvandeVU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van GeheugenvandeVU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van GeheugenvandeVU.

Bekijk het origineel

Van de gemeene Gratie

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Van de gemeene Gratie

19 minuten leestijd

XXVI.

Laat ons kiezen voor ons wat recht is; laat ons kennen onder ons wat goed is. Job 34:4-

Thans moet de vraag beantwoord, wat de eigenlijke beteelcenis zij van de zoo veelszins raadselachtige woorden: »Ten dage als gij eet van den Boom der kennisse des goeds en des kwaads zult gij den dood sterven." Naar onze vaste overtuiging is de gangbare verklaring van deze woorden niet de juiste, en we verzoeken deswege onzen lezers met meer dan gewone opmerkzaamheid hetgeen hierover staat gezegd te worden, te willen volgen. Beginnen we daartoe met de woorden: ketinisse des goeds en des kwaads. Deze uitdrukking verklaart men gemeenlijk in dien zin, dat Adam en Eva, door te zondigen, voor het eerst een proefondervindelijke kennis van het booze kregen. Ook onze Kantteekenaren vatten het zoo op. In het Latijn dier dagen, waarin onze godgeleerden destijds alle vraagstukken van dien aard behandelden, heette dit een cognitio experimentalis. Men ontkende dus niet, dat Adam ook vóór den val het onderscheid tusschen goed en kwaad kende; alleen maar, men hield staande, dat het nog heel iets anders is, van dronkenschap gehoord te hebben, ea zelf dronken geweest te zijn. Het eerste geeft een afgetrokken kennis, alleen het laatste een proefondervindelijke kennis. De kinderachtige opvatting, als ware Adam vóór zijn val zedelijk onnoozel geweest, en als ware hij eerst door te zondigen tot zedelijk besef ontwaakt, is van later uitvinding. Zulk een ongerijmdheid bevalen de kerkleeraren nimmer aan. Voor hen bestond het nieuwe, dat Adam verkrijgen zou, in dat proefondervindelijke. Een ongehuwde vrouw weet wel van moedervreugde, maar eerst wie zelve moeder werd, kentóSe. vreugde in den diepen zin van het woord. Op zichzelf nu liet deze verklaring zich zeer wel hooren, en ook schrijver dezes is er lange jaren meê medegegaan, gelijk het billijk is, dat een ieder begint, niet met den arbeid van voorgangers af te keuren, maar door er zich bij aan te sluiten. Van lieverlede echter rezen er te sterke bezwaren tegen, die ten slotte dwongen deze verklaring als ongenoegzaam op te geven.

De bezwaren waren vooral twee in aantal. Na den val zegt God de Heere: > De mensch is geworden als onzer één, kennende het goed en het kwaad." Hier wordt alzoo duidelijk uitgesproken, dat de nieuwe kennisse van goed en kwaad, die aan den mensch door het eten van den boom is toegekomen, een soortgelijke kennis is als God zelf van goed en kwaad bezit. Hoe men deze woorden ook wende of keere, die beteekenis is er niet uit weg te cijferen. Nu staat het intusschen vast, dat God zelf g& caproefondervindelijke kennis van het kwaad kan hebben. Indien iets vaststaat dan dit. Ja, zelfs kan God ook van het goed geen proefondervindelijke kennis in dien bedoelden zin hebben, want God geeft wel de wet, maar volbrengt die niet. Doch laat dit loopen, en bepaal u tot het kwaad. Dan immers is alle twijfel uitgesloten, en stemt ieder toe, dat het geen zin zou hebben te zeggen: > De mensch is geworden als onzer één, want thans bezit hij proefondervindelijke kenms van het goede en van het kwader Dat ware niet minder dan heiligschennis. — En naast dit eerste bezwaar staat een ander, dat evenmin is weg te cijfferen. De oude uitlegging verklaart dan, op haar manier, nog wel, hoe de mensch proefondervindelijke kennis van het kwade kreeg, maar niet hoe hij proefondervindelijke kennis kreeg van het goede. De val maakt integendeel den mensch in zijn onherhQxe.-Q.va.\.VMX tot alle goed onbekwaam, terw hij juist omgekeerd vóór zijn z/«/reeds proefondervindelijke kennis van het goede bezat. Al heeft Adam vóór den val ook maar één halven dag bestaan, dan heeft hij dien halven dag geleefd volkomen conform de wet Gods, dan deed hij dus het goede, en bezat alzoo van het goede proefondervindelijke kennisse. Een kennisse van het goede derhalve, die hij door den val niet verkreeg, maar veeleer verloor. En hoe zou het dan aangaan om te zeggen: Door het eten van den boom zult gij komen tot de proefondervindelijke kennisse van goed en kwaad, — als het feit integendeel was, dat hij deze soort kennis van het goede veeleer verloor, en alleen van het kwade er door verkreeg. Onze Kantteekenaren hebbeu deze laatste moeilijkheid dan ook gevoeld, en daarom gezegd, dat de kennisse van het kwade hier in zedelijken zin moet genomen worden, maar de kennisse van het goede in de beteekenis van heilgoed. Adam zou ondervinden, zoo teekenen ze aan, »wat goed hij daardoor verkrijgen zou". Zulk een splitsing is echter weinig aannemelijk. Niemand denkt er bij het lezen aan. Iets waaraan we nog toevoegen, dat bij heel deze verklaring de boom niet tot zijn recht komt. Deze proefondervindelijke kennisse van het kwade zou Adam toch bij elke zonde verkregen hebben. Ja de eerste gedachte van zondigen aard zou hem die evenzoo hebben verleend. Elke zondige gedachte bezoedelt het hart.

Op grond van deze bezwaren, die voor ons overwegend zijn, achten we, dat de opvatting van »kennis" als proej'ondervindelijke kennis hier den bal misslaat, en willen we, om geen afbrekende, maar opbouwende critiek te oefenen, hierom zeggen, welke andere verklaring ons meer toelacht, en ons voorkomt veel beter al de moeilijkheden te ondervangen. Wie het hierin niet aanstonds met Ons eens is, luide nu niet terstond de alarmklok, om in de gemeente rond te roepen, dat we de kerk in brand steken. Hij roepe geen brand, maar weerlegge. Zoo deden steeds Gereformeerde theologen. Welnu de verklaring, die we met eenig vertrouwen aanbevelen gaat uit van de opmerking, dat het woord kennis in de Heilige Schrift ook voorkomt in een beteekenis, die wij in onze taal missen, en die juist het tegenovergestelde van proefondervindelijk is. Onze Kantteekenaren hebben dit bij Gen. i8 : 19 zei ven precies zoo opgemerkt. Daar spreekt God van Abraham: Want Ik heb hem gekend, dat hij zijn kinderen en zijn huis na zich zou bevelen" , en hierbij teekenen zij aan; »Ik heb hem uitverkoren, bedacht en verzorgd als mijn eigendom. Alzoo wordt het woord KENNIS genomen in onderscheidene plaatsen." En dan verwijzen ze naar Psalm 1 : 6, Jeremia 1:5, Jeremia 24 : 5, Hozea 13:5, Amos 3 : 2, Joh. 10 : ^7 en 2 Petr. 2 : 14. Wat we hier opmerkten is dus niets nieuws. Gelijk men ziet komt het woord kennis herhaaldelijk in die beteekenis voor, zelfs in nog veel meer plaatsen dan de Kantteekenaren hier aanstipten.

Met name wijzen we op Job 34 : 4, waar staat: Laat ons kiezen voor ons wat recht is, laat ons kennen onder ons wat goed is." Deze plaats bij Job is daarom zoo merkwaardig, omdat we hier twee deelen in één vers vinden, die beide hetzelfde zeggen, maar met eenigszins andere woorden, gelijk dit bij de Hebreeuwsche dichters telkens voor­ ijl komt. Als er in vers 26 staat, eerst: Zjne oogen zijn op ieders wegen, " en dan: > Hij ziet al zijne trede? i, " dan wordt hier tweemaal precies hetzelfde^, in andere woorden gezegd, iets wat men noemt: et parallelisme, d. i. het evenwijdig loopen van twee reeksen woorden.: uist zoo nu is het ook hier. Er staat eerst: Laat ons kiezen of keuren voor ons wat recht is, " en dan ten tweede: Laat ons kennen onder ons wat goed is; " en ook dit duidt dus beide malen hetzelfde xian. »Recht" is hier hetzelfde als »goed, " en zoo ook wordt kennen hier verklaard door kiezen oi keuren. Geheel in den «zin, waarin de Kantteekenaren van Genesis 18 : 19 zeggen, dat > Ik heb hem gekend, " beteekent: Ik heb hem uitverkoren." Het Hebreeuwsche woord laat geen twijfel over. Bachar is keuren, verkiezen, uitverkiezen, en is hetzelfde woord dat gebezigd wordt van de vrijmachtige uitverkiezing Gods. Op de vele andere plaatsen waar kennen deze beteekenis heelt, zullen we thans, hoe leerzaam het ook zijn zou, niet ingaan. Dit zou ons te lang ophouden en ware beter iii een wetenschappelijk betoog aan zijn plaats. Slechts op één tekst zij het ons veroorloofd nog even de aandacht te vestigen, t. w. op Psalm 1:5. Daar staat: De Heere kent den weg der rechtvaardigen." Onze Psalmberijmers, die deze diépq woorden niet verstonden, maakten er van: De Heer toch slaat der menschen wegen gade, " en vatt'en deze woorden dus op in den zin van proefondervindelijke kennis, van kennis der ervaring, en maakten daardoor Ps. i : 4 in hun berijming brutaal Remonstrantsch. Wie de Schrift verstaat weet daarentegen zeer wel, dat bedoelde woorden niet slaan op wat God in den mensch bevindt en ziet, maar op hetgeen Hij van hem heeft voorzien naar zijn vrijmachtig welbehagen. Nu is bovendien die plaats uit Job daarom voor ons doel zoo opmerkelijk, overmits ook bij Job, evenals in het Paradijsverhaal, van de kennisse van het goede sprake is, reden waarom het wel eenigszins verbaast, dat men deze plaats zoo weinig bij den Boom des kennisse, des goeds en des kwaads te pas heeft gebracht. Dat dit ons te meer moet nopen op het verband tusschen beide plaatsen te letten, zal men ons wel willen toegeven, en doen we dit, dan blijkt er uit, dat in Job 34 : 4 het kennen van goed en kwaad opgevat wordt in den voor ons geheel ongewonen, maar in de Schrift veelszins gangbaren zin van: etirefi wat goed en wat kwaad is. Zelf bepalen, zelf beslissen, zelf uitmaken, zelf vaststellen, wat voor mij goed en wat voor mij kwaad zal zijn.

Zien we thans, of deze heel andere beteekenis bij de verklaring van Gen. 2 : 9 en v.v. al dan niet past. Iets waarbij men wel in het oog houde, dat we hier in het woord kennen geen beteekenis leggen, die in de Schrift slechts een enkel maal voorkomt, maar integendeel een beteekenis er van aangeven, die in de Schrift zeer gewoon is, en door niemand wordt betwist. God zegt in Gen. 3:22, na den val: De mensch is geworden als onzer één, kennende het goed en het kwaad." Schrijf hiervoor nu in de plaats: De mensch is geworden als onzer één, zelf ke7irende d. i. bepalende, wat goed ot kwaad zal zijn", en de zin loopt uitnemend; ja, wordt eerst aldus recht verstaan. Het onderscheid tusschen God als Schepper en den mensch als zedelijk schepsel bestaat juist daarin, dat God keurt en bepaalt wat goed en wat kwaad is, en dat de mensch dit niet mag doen, maar het van God heeft aan te nemen. Afval en zonde is het derhalve, als de mensch worden gaat als God, om evenals God te willen keuren en bepalen wat goed en wat kwaad zijn zal. Dat is God zelven naar de kroon steken. Datgene willen doen als mensch, wat alleen Gode als God toekomt. In Gen. 3:5 zegt Satan tot Eva: God weet, dat, ten dage als gij daarvan eet, zoo zullen uwe oogen geopend worden, en gij zult als God wezen, kennende d. i. keurende, het goed en kwaad". Dit nu was ook zoo. God wist, dat de mensch dien. roof aan zijn eere, als God, kon zoeken te plegen. Alleen maar wijl Satan hieruit afleidde: it naijver wil God dat niet, en houdt u aldus van uw geluk af, •— stond het zoo, dat God den mensch hiervan afhield, juist omdat die autonome zedenleer, d. w. z. dat zelf keuren en bepalen van wat goed en kwaad is, den aan God ontvallen mensch in het verderf zou storten.

In Gen. 2 : 9 lezen we, dat God dien Boom der kennisse in den hof plaatste, en in vs. 17, dat Hij verbood van dien boom te eten. Nu is in ons vorig artikel aangetoond, hoe de nog onzondige mensch, die Gods wet in zijn hart had geschreven, zijn toestemming aan al Gods geboden gaf, en al dit goede dus deed omdat \isXgoed was. En voorts, dat hij, om te komen op het punt, dat hij iets deed, niet omdat hij zelf er meê instemde, maar uitsluitend omdat God het hem gebood, een gebod, buiten de zedenwet om, moest hebben, dat hij in blinde gehoorzaamheid, alleen omdat God het hem oplegde, had op te volgen. Welnu, dat proefgebod van den Boom der kennisse, stelde Adam dus juist voor de vraag, waarop het hier aankomt: gt; Zult gij zelf willen kennen, d. i. keuren, wat goed of kwaad is, of wel zult gij, die ketir aan uw God overlatende, blindelings gehoorzamen"? Adam nu volgde niet blindelings, xa.z.'sx girtg zelf keuren, kwam toen tot een tegenovergestelde slotsom als God, ging, als zelfstandig keurder van goed en kwaad, tegenover God staan, en viel juist hierdoor van God af. Naast God wilde hij als een tweede god gaan staan, juist zooals Satan hem had ingefluisterd. God en de mensch zouden alzoo beiden zelfstandig en vrijmachtig keuren wat goed en wat kwaad was, en dit nu was de ontsluiting van alle diepten der zonde. Zoo gevoelt men dus, hoe juist dit werktuiglijke proefgebod van den Boom der kennisse het doeltreffende middel was, om het bij den mensch tot beslissing te brengen, of hij de kennisse, d. i. de keur van goed en kwaad aan God wilde laten, of wel aan zich zelven wilde nemen.

Is nu deze opvatting de juiste, dan wordt hierdoor volledig bevestigd, wat we over dien boom, als den Boom der Consciëntie, schreven. De consciëntie toch gaat dan eerst werken, als er tweeërlei oordeel over goed en kwaad in conflict komt. Wie zich aan het oordeel Gods niet meer stoort, heeft geen consciëntiewerking meer. Hij houdt alleen zijn eigen oordeel over. Wie gelijk Adam vóór zijn val, gelijk Christus op aarde, ' of gelijk de gezaligden ia den hemel, geen ander oordeel in zijn binnenste kent, dan het oordeel Gods, kent evenmin een werking der consciëntie. Die werking der consciëntie komt daarentegen op, zoodra, en houdt stand zoolang, en werkt zoo dikwijls, als eigen oordeel met Gods oordeel in conflict komt, en er ten slotte voor zwichten moet. Men houde hier voet bij stuk. Ook onder ons zijn er sinds Amesius aldoor lieden geweest, denk slechts aan Coccejus en Lampe, die het primaat z/aw den wil dreven; maar onze dege en zuivere theologen hielden destijds steeds staande, dat de wil slechts het keurende verstand volgt. Hoe snel die werking ook in ons toega, bij elke zonde is er een besluit van ons bewustzijn, dat, alles wel overwogen, het voor ons het best is, die zonde te doen; en we doen ze, doordien de wil het bewustzijn volgt. Elke zonde gaat dus uit van en rust op een oordeel, waarbij door ons gekeurd, bepaald en uitgemaakt wordt wat in dat bepaalde geval voor ons raadzaam en gewenscht was. Tegelijk daarmee, of daarna komt nu echter een ander oordeel in het spel, het oordeel Gods, en dit oordeel keurt óf ons eigen oordeel goed óf keurt het af. En dat nu is in ons de werking der consciëntie. Juist zooals het in het Paradijs geschied is. Zoo zondigt de mensch niet, of het oordeel der consciëntie waakt voor het eerst op, is afkeurend, beschaamt hem, en dwingt hem te schuilen en zich te verbergen.

Hiermede is alzoo voor de leer der consciëntie de vaste grondslag gelegd. De consciëntie is een conflict tusschen tweeërlei oordeel, het oordeel van den mensch zelf en het oordeel van God. En dat conflict bestaat niet alleen daar, waar de consciëntie afkeurt wat God goedkeurde, maar in zeker opzicht evenzoo waar het goedkeurt. Immers waar de mensch eerst, buiten Gods keur om, voor zichzelf gaat uitmaken wat goed of wat kwaad is, toont hij reeds hierdoor in afval en zonde te staan. Wie in den staat van rechtheid staat, of ook weer van alle zonden is afgesneden, keurt niet eerst zelf, om daarna te vragen of deze keur met Gods keur overeenkomt; maar hij vraagt eerst naar Gods keur, en die kennende, volgt hij die. Dit conflict, dat zich als consciëntieuiting uitspreekt, roept juist deswege de zelf beschaming te voorschijn, bij elk verschil met Gods keur. In die bevinding of erkentenis ligt toch de belijdenis van eigen dwaasheid. Men had met Gods keur moeten beginnen, daarop alleen moeten rusten, en daarvan alleen moeten uitgaan. De Heere is onze Wetgever, is onze Koning en onze Rechter. Hij alleen.

Uit het vorenstaande blijkt o. i. duidelijk, hoe bij deze opvatting alle moeilijkheid wegvalt, en de diepe zin, zoo van het gebeurde, als van de woorden, waarin ons dit verhaald is, wordt doorzien. »Kennisse van goed en kwaad, " beteekent, dat de mensch zelf, vrijmachtig, keurt, bepaalt en beslist, wat goed en Vifat kwaad voor hem is. De proef waarvoor hij gesteld wordt is, dat hij eens voorgoed beslissen moet, of hij zich blindelings aan de keur Gods onderwerpt, of wel tegenover God een eigen keur wil oefenen, om aldus, als God, zelf wetgever en rechter te zijn. Satan zet hem aan, om, evenals God, een eigen keur te gaan oefenen. Na den val constateert God, dat de mensch tot deze zonde gekomen is, dat hij als god is gaan staan, zelf kennende, d, i, zelf keurende wat goed en wat kwaad voor hem was. Die beslissing kon niet vallen bij eenig stuk van

de zedenwet, maar kon alleen vallen bij een proefgebod, dat blinde gehoorzaamheid cischte. En eindelijk, door zelf te willen keuren, kwam ia hem eigen oordeel tegen het oordeel Gods over te staan, en uit de worsteling tusschen die beide oordeelen ontstond de werking der consciëntie. Zoo schikt zich alles in welgeordend verband, verklaart zich elk feit en elk woord waarin ons die feiten bericht worden, en blijft er letterlijk geen enkele moeilijkheid over. Slechts houde men hierbij wel in het oog, dat "bij het zelfstandig kennen, d. i. zelfstandig keuren van goed en kwaad, niet aan een paragraaf in de Ethica moet worden gedacht, als ware hiermee uitsluitend een zelfstandig keuren vsxi. zedelijk goed en kwaad bedoeld. Die onderscheiding kan zelfs voor de consciëntie, en in het practisch oordeel van ons zedelijk bewustzijn, niet zoo scherp getrokken worden. Goed en kwaad beduiden in algemeen^n zin, wat voor ons goed en wat voor ons kwaad was, zedelijk en in de gevolgen. Juist zooals de Kantteekenaren het van het goede opvatten: > wat goed hij hierdoor verloor''

Blijven nu nog alleen de raadselachtige woorden ter verklaring: » Ten dage dat gij daarvan eet, zult gij Atw dood sterven." Om een reden, die ons later eerst duidelijk kan worden, - is deze profetie van het oordeel niet alzoo aan Adam vervuld. Ten dage van zijn val is Adam in den hem aangeduiden zin, den dood niet gestorven. De dood is wel terstond in hem geslopen. Niet later pas. maar op den dag zelf. Maar de dood is niet in hem voleind, en indien men aan mag nemen, dat Adam na zijn val wedergeboren, bekeerd, verlicht en gezaligd is, behoort evenzoo erkend, dat Adam den eeuwigen dood zelfs nimmer gestorven is, noch dien ooit sterven zal. Hierop kunnen we echter thans niet ingaan. De bespreking daarvan volgt later. Thans merken we alleen op, dat de uitdrukking: •»zult gij den dood sterven" wijst op een voleinding van den dood in vol strekten zin. De zegswijze die hier in het Hebreeuwsch voorkomt, beduidt letterlijk: sterven, sterven zult gij, en pleegt daar gebezigd te worden, waar moet uitgedrukt, dat eenige daad of werking zoo sterk mogelijk, zoo volkomen mogelijk, zoo diep ingrijpend mogelijk, ja, tot in haar voleinding plaats grijpt. Ook onze Kantteekenaren vatten dat zoo op, waar ze zeggen, dat hier drieërlei doodinligt: i*". de lichamelijke dood met alle voorafgaande ellende; 2°, de geestelijke dood der ziele; en 3". de eemvige dood, die tegelijk lichamelijk en geestelijk is. Ook zij leeren ons derhalve, dat »den dood sterven" hier beduidt: den dood ondergaan in al zijn breedte, lengte en diepte, den dood volkomenlij k en geheel en al, met inbegrip van alles wat in het denkbeeld van den dood inligt'. Juist daarom echter is het van aanbelang, hier geen verkeerd denkbeeld van den dood te laten insluipen. Gelijk ons bleek behoorde tot den staat der rechtheid, 7iiet, dat de mensch niet in zonde kon vallen en alzoo aan den dood onderworpen worden, maar wel dat de mensch onvergankelijk, onvernietigbaar, onuitdelgbaar was, iets wat heel iets anders is dan den dood ondergaan. Had de mensch zich in den staat van rechtheid weten te maintineeren, zoo zou hij nimmer dien dood geproefd hebben. Niet den dood te smaken behoorde tot zijn natuur. Dat hij thans wel sterft, is uit het bederf zijner natuur. Maar heel anders staat de zaak, zoo ge niét naar zijn natuur, maar naar zijn wezen vraagt. Naar zijn wezen toch kan in den mensch zijn schepping niet worden te niet gedaan. Nu hij eenmaal bestaat, kan hij niet ophouden te bestaan. Een redelijk zedelijk wezen eenmaal bestaande is onvergankelijk. In Satan is geen spiertje leven. In Satan is niets dan dood. Maar niettemin bestaat hij, en kan zijn bestaan niet vernietigd worden. Ja, de eeuwige dood is alleen daarom eeuwig, omdat wat na den dood komt, zonder ooit te vergaan, eeuwiglijk den dood dragen moet. Met de dusgenoemde ïconditioneele onsterfelijkheid" leert men dat tegenwoordig wel, maar de Schrift duldt die leer niet. Wij zouden wel willen dat Satan en de rampzalige engelen en de rampzalige menschen met één slag vernietigd werden. Dan ware hun lijden uit. Maar de Schrift getuigt dat het niet kan. Plant en dier worden in de stofwisseling vernietigd, maar een redelijk zedelijk wezen, juist om dat het een ik is en heeft, kan niet vergaan. En daarom verstaat ge den dood niet, zoo ge dien zoekt in vernietiging. De dood in u is heel iets anders, de dood is een scheiden, een uitéénscheuren, een vaneentrekken van wat naar Gods schepping in uw persoon harmonisch vereenigd moet zijn. Denk slechts aan uw tijdelijk sterven. Lichaam en ziel hooren bijeen; maar door den dood worden ze uiteengescheurd.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 15 maart 1896

De Heraut | 4 Pagina's

Van de gemeene Gratie

Bekijk de hele uitgave van zondag 15 maart 1896

De Heraut | 4 Pagina's