GeheugenvandeVU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van GeheugenvandeVU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van GeheugenvandeVU.

Bekijk het origineel

Van de gemeene Gratie.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Van de gemeene Gratie.

20 minuten leestijd

TWEEDE STUK.

XXI.

En hunne werken volgen met hen. Openb. 14:13.

De menschelijke ontwikkeling, in H gemeen als vrucht van de jgemeene gratie" in het leven der volkeren genomen, heeft dan voor de »voleinding der eeuwen" deze veelzeggende beteekenis, dat ^de eere en de heerlijkheid der volkeren eens wordt ingedragen in het nieuwe Jeruzalem". Deze slotsom leidt nu echter als vanzelf tot de nadere vraag, of ook de persoonlijke ontwikkeling, die Gods kinderen op aarde hoofd voor hoofd aan de gemeene gratie dank weten, in het eeuwige leven met hen gaat, of wel in het graf voor altoos verdwijnt. In somma nu antwoorden we op deze tweede vraag met een getuigenis uit hetzelfde boek der Openbaringen: Hunne werken volgen met hen. De vrucht der gemeene gratie splitst zich dus ia haar twee natuurlijke deelen. Eenerzijds een algemeene vrucht, die in het leven van de geheele menschheid, en dus in de volken uitkomt en daarvan heet het: Deze eere en heerlijkheid der volkeren wordt ingedragen in het Jeruzalem dat komt. En anderzijds een bijzondere, particuliere, persoonlijke vrucht, die in het leven van de enkele kinderen Gods uitkomt, en daarvan wordt ons gezegd: Hunne werken volgen met hen. Iets dat niet anders kan worden verstaan, dan dat de persoonlijke winste die voor de vorming en ontwikkeling van personen en karakters hier op aarde ook in het burgerlijk leven gewonnen is, niet eenvoudig te loor gaat en wegsterft, maar overgaat in het eeuwige leven.

De geheele zinsnede, waarin dit getuigenis voorkomt, bewijst, dat aan deze woorden metterdaad deze, en geen andere beduidenis, moet worden toegekend. Er is een stemme uit den hemel gehoord. Er staat toch: En ik hoorde een stem uit den hemel die zeide : Zalig zijn de dooden, die in den Heer e sterven van nu aan. Of deze stem ""uitging van een engel, van Christus, of van een zijner gezaligden, staat er niet bij, en is niet uit te maken. Genoeg is het, dat in deze stem een openbaring van Godswege aan zijn volk is vervat. Die openbaring nu houdt tweeërlei in: i". dat zij, die in den Heere sterven, d. w. z., zij, die afsterven in de levens-en geloofsgemeenschap met Christus, van nu aan, in gelukzaligen toestand zullen verkeeren. De vraag, of dit •s> van nu aan" 'va. het algemeen slaa op den tijd na Jezus' hemelvaart, of in engeren zin te verstaan is van hen die sterven zullen, als het einde nabij is, behoeft hier niet breeder besproken te worden, en zou te ver afleiden. Volsta het te zeggen, dat o. i., deze woorden zóó zijn te verstaan, dat na het sterven de tijd ophoudt ons te benauwen, en dat alzoo de voleinding der eeuwen voor Stephanus, die een der eersten stierf, even snel ea onmiddellijk zal intreden, als voor hen, die in de laatste dagen zullen sterven. Ia het eeuwig aanzijn zijn duizend jaren als één dag.

Intussch^p ligt de hoofdzaak voor ons onderwerp in het tweede gedeelte van het aangehaalde getuigenis. We lezen namelijk, 2°: Ja, zegt de Geest, opdat zij rusten mogen van hu7inen arbeidenhunne werken volgen met hen. Tweeërlei ligt hierin uitgesproken. Er is arbeid voor hen geweest op aarde, en als vrucht van dien arbeid hebben ze een werk verkregen; juist zooals een leerling eerst zijn moeite en inspanning heeft, om met zijn taak gereed te komen, maar zijn die voleind, dan is zijn werk af, dan is zijn werk gereed, dan neemt hij zijn werk meê naar school, zijn werk volgt met hem, en als hij binnentreedt, zegt de onderwijzer: Laat mij uw werk zien. Arbeid en werk staan j dan tegenover elkander als de moeite, die men zich te getroosten had, en als de vrucht die deze moeite en inspanning opleverde. In aansluiting aan deze uitdrukking nu zegt de Geest, dat i". de moeite bij den dood een einde neemt, want ze zullen rusten van hun arbeid. De eeuwige Sabbat breekt voor hen aan. Maar ook 2< '. dat hun werk, d. i. de vrucht van hun arbeid, de verkregen winste, niet achterblijft, maar met hen gaat en hen volgt. Elke andere verklaring is af te wijzen. Met name kan het niet beteekenen: Het loon voor hun werk volgt hen. Niet alleen toch zou deze verklaring een leer der verdiensten huldigen, die heel de Schrift weerspreekt. Maar ook, wanneer men met de Schrift erkent, dat er een loon bij God is, niet uit verdienste, maar uit genade, spreekt het toch vanzelf, dat het loon in den hemel hen opwacht en uit den hemel hen toekomt. Hiervan kan dus nooit gezegd, dat het met hen den hemel ingaat, of bij hun ingaan in den hemel hen volgt. Wat hen volgt is het op aarde verkregene restdtaat, de op aarde door hun moeite behaalde winste, de op aarde dank zij hun inspanning verkregen vrucht. Dat resultaat, die winst, die vrucht gaat met hen den hemel binnen, en daarvoor ontvangen zij in den hemel het^ genadeloon van God.

Blijft nu nog alleen de vraag, of deze winste, deze vrucht, dit resultaat alleen ziet op hna geestelijken wasdom in engeren zin, of wel op hun algemeene persoonlijke vorming. Hierover zegt ons zeer zeker Openb. 14:13 niets. Het antwoord op deze vraag hangt dus uitsluitend af van deze andere, of onze geestelijke en onze algemeen menschelijke ontwikkeling twee los naast elkander, of wel twee dooreengevlochten en dooreengegroeide uitkomsten zijn. Los naast elkander zou dit tweeërlei resultaat staan, indien de klooster-idee juist ware, en de ware Godzaligheid bestond in een zich losmaken van het algemeen menschelijk leven, om in een afzonderlijke en opzettelijke, eenzijdig en uitsluitend geestelijke vorming heil te zoeken. Op dit standpunt toch is de algemeen menschelijke ontwikkeling waardeloos, en schuilt er alleen waarde in hetgeen een specifiek geestelijk karakter draagt. In hoofdzaak hetzelfde standpunt, dat ook door de Dooperschen werd ingenomen, en in navolging van deze ten deele op de Methodisten overging. Wie daarentegen met de Gereformeerden aller eeuwen belijdt, dat ons leven één is, dat de zuurdeesem niet naast het deeg moet blijven liggen, maar er in moet verborgen worden, om het te doordringen en te doorzuren, en dat alzoo de ware Godzaligheid ons leven voor God en ons leven in de wereld in hoogere eenheid oplost, kan hier geen scheiding toestaan. Deeling mag hier niet worden toegelaten. Onze persoonlijke vormirig-en ontwikkeling, is vrucht van geheel ons leven ia ons beroep, in ons gezin, in onze omgeving, in het bedehuis en in de bidcel. Onze moeite en onze arbeid om God te dienen strekt zich uit over heel ons leven. Ons bedrijf is zoowel een Goddelijk beroep als ons innerlijk leven een Goddelijke roeping volgt. De werken als resultaat van deze moeite en van dezen arbeid bij het einde onzes levens verkregen, komt dus voort uit geheel ons aardsche bestaan, zoowel voor zooveel dat vrucht is van de gemeene gratie, als voor zoover dit bezield werd door de particuliere genade. t TAya. derhalve de woorden: n hunne werken volgen met hen, te verstaan van de winste onzes levens die met ons de eeuwigheid ingaat, dan kan het niet anders, of ook de vrucht der gemeene gratie voor ons persoonlijk leven is hieronder begrepen.

Intusschen verdient de bedenking gehoor, die hiertegen ontleend wordt aan het vroeg wegsterven van pasgeborenen, die op aarde geen deel konden nemen aan den geestelijken wedstrijd in de loopbaan. Dit feit toch is onbetwistbaar. Bij duizenden en tienduizenden sterven de jonge kinderen weg, die vroeg verwelkten eer ze nog den strijd des levens kennen konden. Op deze onafzienbare schaar van jonge kinderen, die den Doop ontvingen, na in het "Verbond geboren te zijn, en toen voor altoos het oog sloten, is gemeenlijk in Christus' kerk te weinig gelet. Almeer begint men intusschen in te zien, dat deze ontelbare schare een hoofdbestanddeel in het eeuwig Koninkrijk zal vormen; dat op de zaligheid dier kleinen vooral vaste hope mag worden gesteld ; en dat het getal der uitverkorenen, dat naar den indruk dien we onder de volwassenen opvingen, soms zoo gering schijnt, wel eens zeer aanmerkelijk verruimd kon worden juist uit die vroeg verwelkte kinderen des Verbonds. Welnu, die duizenden ea tienduizenden hebben geen arbeid, noch ook moeite op aarde gekend. Voor hen bestaan er dus geen werken, die als resultaat en vrucht van die moeite en inspanning met hen de eeuwigheid zouden kunnen ingaan. Voor hen geldt niet dat ze rusten van hun arbeid, maar dus ook niet dat hun werken met hen volgen in de heerlijkheid Gods. Hoe kunt ge dan, zoo vraagt men ons, van een persoonlijke vrucht der ontwikkeling bij de volwassen-stervenden geviragen, als deze breede schare van vroeg verwelkten en vroeg gezaligden althans van deze vrucht geheel verstoken zal zijn, en dus bij de anderen voor altoos achter zou staan?

Toch ligt ons antwoord op deze bedenking voor de hand. Immers, toegegeven dat deze vroeggestorvenen geen vrucht van hun aardsche ontwikkeling mee ten hemel kunnen indragen, dan volgt er tevens uit, dat ze evenzoo missen de geestelijke ontwikkeling der volwassenen. Een kindeke dat in de wieg sterft, sterft weg zonder ooit van Gods Woord vernomen, den naam van Jezus gestameld te hebben, zijn verzoening te kennen, ooit één gebed gebeden te hebben, of ooit één lofzang ter eere Gods en zijns Gezalfden te hebben aangeheven. Wildet ge dus uit hun gemis van ontwikkeling onder de gemeene gratie besluiten, dat ze uit dien hoofde voor eeuwig zullen achterstaan, dan zoudt ge tevens tot de conclusie moeten komen, dat ze ook eeuwig achter zullen staan in geestelijke genieting. Toch zegt ge dat niet. Integendeel, ge geeft toe, dat er bij den Heere onzen God andere wegen zijri, om deze jonggestorvenen in de kennisse Christi en in zijn verlossingswerk in te leiden, en hua die geestelijke vorming te geven, die ze voor de genieting der eeuwige zaligheid behoeven. Ge erkent derhalve dat er bij God twee wegen zijn, om zijn uitverkorenen tot deze genieting te brengen, de ééne die openstaat voor hen, die op aarde de moeite des daags dragen, en de andere die zich ontsluit voor hen, die deze moeite des daags op aarde nimmer gekend hebben. En is dit zoo, eilieve, wat blijft er dan van uwe bedenking over? Indien toch de Heere onze God zijn eigen weg heeft, om deze vroeggestorvenen voor het gemis der geestelijke ontwikkeling op aarde schadeloos te stellen, waarom zou diezelfde God dan ook niet zijn eigen weg hebben, om dezen vroeggestorvenen gelijke persoonlijke vorming aan te brengen, als gij, volwassenen, hier op aarde in den weg van moeite en strijd kunt verwerven? Het voorafgaand lot van wie vroeg sterft en van wie lang op aarde leeft, wordt dan wel geheel verschilleed, en de weg hunner toebrenging loopt dan wel geheel uiteen, maar niets belet, dat het einde toch één zij, en dat onze God hen langs twee verschillende paden nochtans op hetzelfde eindpunt van den weg doet uitkomen.

Dit kan nog nader worden aangedron­ d gen door de voor de hand liggende over­ k weging, dat er ook onder hen die een tijd­ v lang op aarde den strijd en de moeite meê n doorworstelen, ongemeen groot verschil be­ k staat. De één komt tot bekeering in zijn n eugd, en doorleeft daarna nog soms meer u dan een halve eeilw, terwijl de andere soms a eerst op veel later leeftijd tot bekeering komt, u en ver van zelden reeds kort na zijne be­ d keering wordt opgeroepen. Hieruit ontstaat het verschil, dat de eerste over een halve eeuw beschikte om zich te vormen, terwijl de ander slechts enkele maanden, schier slechts enkele weken wandelen kon op den weg der heiligmaking. Zou nu daarom die laatste eigenlijk bij den eerste moeten achterstaan ? En zou op die wijs een vroege dood een eeuwige vermindering van heil in zich moeten sluiten ? Ons dunkt, er is wel niemand die deze wreede stelling aanvaarden zal. Let nu evenzoo op het verschil, dat er bestaat tusschen de gelegenheid om zich in strijd en moeite te oefenen tusschen den één en den ander. Vergelijk een martelaar met een eenvoudig lid der gemeente dat op een afgelegen dorp in jaren van pays en vrede stil zijn weg bewandelt. Wat oefenschool niet voor den één, en wat ontstentenis van oefening niet voor den ander. Vergelijk zoo ook een man, met veel kennis begaafd, over veel tijd beschikkende, om diep in de mysteriën des Koninkrijks in te dringen, met een arme weduwe, die om het brood voor haar kinderen te winnen, slaaft en slooft van 's morgens vroeg tot 's avonds laat, en al blij is, zoo ze vóór het te slapen gaan, nog even een stuk uit Gods Woord kan lezen. Eindeloos verschil alzoo. Verschillend aller moeite en arbeid, en hiermee saamhangend ganschelijk uiteenloopend aller »werken." En dus ook geheel uiteenloopend hetgeen eens met den een en hetgeen met den ander in de eeuwigheid medegaat. Moet daaruit nu afgeleid, dat derhalve de minst bedeelden op aarde ook in het eeuwige leven duurzaam achter zullen staan? Men zou zoo zeggen, de gelijkenis van den rijken man en den armen Lazarus doet eer het tegendeel vermoeden, en zoo we ook hierop de gelijkenis van de arbeiders in den wijngaard mogen toepassen, gaat ook hier wel de stelregel door, dat vele eersten de laatsten zullen zijn en vele laatsten de eersten. Allen die ingaan ontvangenden penning van het volle dagloon.

De overtuiging dat God machtig is, om ook wie hier maatschappelijk of geestelijk achterstond, toch in de volle genieting der zaligheid te doen deelen, stond bij onze Gereformeerden dan ook vanouds her zoo vast, dat ze veeleer verlokt werden, om het leven hier op aarde voor onverschillig te verklaren, en daardoor in gebreke bleven recht te laten wedervaren aan de stellige uitspraak des Woords, dat onze Vader die in de hemelen is b. v. de in het verborgen gegeven aalmoezen ia het openbaar zou vergelden, en dat zijn discipelen, die om Christus' wil verlaten hadden, al wat ze op aarde liefs en waards] bezaten, in den dag der heerlijkheid honderdvoudig weder zoudea ontvangen, en zouden zitten op tronen, en oordeelen de twaalf stammen Israels. Dit nu mag natuurlijk niet. Nooit mogen we voor de ééne waarheid der Heilige Schrift een ander deel van haar geopenbaarde waarheid opzij zetten. We moeten ia onze belijdenis heel de waarheid der Heilige Schrift opnemen. En doen we dit, daa dwiagt die Schrift ons om tweeërlei ten deze te erkeaaen: i". dat eenerzijds de vrucht en de winste van wat op aarde aan algemeene menschelijke en aan geestelijke ontwikkeling verworven werd, meê de eeuwigheid binnengaat; en 2°. dat anderzijds God de Heere machtig is, om hen, die op aarde door vroeg te sterven, of door stiller levensloop, de gelegenheid misten, om de schove meê in de schuur te dragen, op geheel andere, ons verborgene wijze, hierin schadeloos te stellen en hen te verrijken als de anderen.

Van dien tweeërlei weg ontbreekt reeds in dit leven de aanduiding niet. Om aanstonds een concreet voorbeeld te noemen. Onze kerken hebben verordend, dat als leeraars in de gemeente zullen kunnen optreden tweeërlei soort van mannen'; ter eene zijde zij, die zich aan den dienst gewijd hadden door veel moeite en inspanning, en van de vrucht dier moeite op hun examen lieten blijken; maar ook ter andere zijde zij, die zonder die moeite en zonder die inspanning blijk gaven van singuliere gaven te bezitten. Die bepaling onzer kerken is eer wijs geweest, en de uitkomst heeft getoond, dat in dien tweeden weg niet zelden mannen aan de kerk zijn geschonken, die de eersten in profijtelijke vrucht voor de kerken te boven gingen. En toch welk verschil ? Aan de eene zijde jarenlange inspanning, veelheid van tijdbesteding, zeer hooge kosten, en aan de andere zijde noch moeite noch tijdbesteding noch noemenswaarde uitgaaf. Wat ze hebben, ontvingen ze als vanzelf, en de vrucht ervan is soms uitnemend. Een onderscheid waarop we daarom te liever wijzen, omdat het zoo veelszins overeenkomt met het verschil tusschen d? volwassen stervenden, die zich al de moeite en de inspanning des aardschen levens getroost hebbén, en de vroegstervenden die aan dat alles gespeend werden, en van wie we nochtans belijden, dat God hen langs geheel anderen weg en op geheel andere wijs volmaken zal. En dit verschil nu gaat door heel het leven. Het is het onderscheid tusschen hen, die er komen door veel inspanning en studie en oefening, en tusschen die anderen die talent en genie ontvingen, zonder er zich voor in te spannen, en niettemin soms de mannen der moeitevolle inspanning voorbijstreven. De tegenstelling tusschen ïwijsheid en profetie" eenerzijds en «geleerdheid en wetenschap" anderzijds rust op geen andere onderscheiding. Salomo had nooit geblokt noch gestudeerd noch examen afgelegd, en hij was wijzer dan allen die van het oosten, en Jesaia geeft goddelijke inzichten en vergezichten, die de studie van alle toen bestaande scholen verre te boven gingen. Metterdaad kan men dus reeds onder de volwassenen dezen tweeërlei weg Gods opmerken. Hij laat er den een voor zwoegen en werken en aan den ander gaf Hij het reeds in de wieg of geeft Hij het als in den slaap. En stellig gaan we dus niet te ver, zoo we naar den maatstaf van ditzelfde verschil ook de onderscheiden ontwikkeling en vorming verklaren van hen, die pas op volwassen leeftijd, en van hen die reeds in de wieg stierven, met het oog op hun beteekenis van het Koninkrijk der hemelen. Nemen we toch aan, dat deze vroegstervenden behoorden tot die tweede categorie, aan wie God singuliere gaven schonk, en aan wie Hij talent en genie inschiep, dan ligt er niets vreemds voor ons in, dat hun de inspanning en de moeite der oefening gespaard bleef, en dat ze nochtans zullen kunnen glinsteren als starren in het uitspansel.

Zoo houden we dus vast aan den regel van Openb. 14 : 13, dat als we in Christus sterven, bij den dood onze moeite en onze arbeid een einde neemt, maar dat onze werken, d. i. de vrucht, de winste, het resultaat van onzen arbeid, met ons de eeuwigheid ingaat. Alsmede dat, overmits onze moeite en onze arbeid zoo-wel het terrein der gemeene gratie als der particuliere genade bestreek, niet alleen onze geestelijke maar ook onze algemeen mensclielijke winste, met ons dood en graf te boven komt. Bovendien, reeds het leerstuk van de »wederopstanding des vleesches" snijdt elk vermoeden af, alsof in het leven der zaligheid alleen het bijzonder geestelijke beteekenis zou hebben. Stellig behoort het leven van ons lichaam niet tot het terrein der particuliere, maar wel zeer zeker tot dat der gemeene genade, en toch belijden we allen saam, op grond van Gods Woord, dat ook het lichaam ons in de eeuwigheid hergeven wordt. Ook langs dien weg is het alzoo uitgemaakt, dat van een uitsluiting van hetgeen tot de gemeene gratie behoort, hier geen sprake kan noch mag wezen.

Ja, we gaan zelfs verder, en zouden niet eens durven beweren, dat zij, die de hitte des daags op aarde gedragen hadden, daarom toch zeker privilege boven de anderen voor zouden hebben, aan wie die hitte des daags gespaard werd. Zeer zeker, hun werken volgen hen, en ook uit die werken vloeit een genadeloon voort. Maar dit sluit volstrekt niet de mogelijkheid uit, dat God de Heere ia zijn vrijmachtigheid niet ook aan de anderen, die deze hitte des daags niet droegen, op andere wijze en langs anderen weg een zaligheid verkenen kan, die evenzoo verband houdt met een persoonlijk voleinde vorming, die hun op andere wijze wordt aangebracht. Hierbij lette men vooral op de daad der heiligmaking in het sterven. Onze kerken belijden, sdat onze dood niet is een betaling voor onze zonden, maar een afsterviag van onze zonden en «een doorgang tot het eeuwige leven." Hierin nu ligt een daad van heiligmaking opgesloten. Tot op onzen dood toe hebben we den loop te loopen, en door strijd en worsteling ons te oefenen, en ons karakter en onzen persoon te heiligen. Maar evenzoo staat het vast, dat zelfs de allerheiligsten in dit leven nooit anders dan een klein begin van deze volkomene heiligheid bezitten zullen. Daarom verlangt Paulus verlost te worden van dit lichaam des doods. De heiligmaking wordt van Gods zijde alzoo in twee stadiën volbracht. Ten eerste doet Hij ons wandelen in de werken die Hij voor ons bereid heeft, en verhoogt alzoo door strijd en worsteling den heiligen levenstoon van ons karakter reeds hier op aarde. Maar die eerste daad der heiligmaking blijft altoos slechts een gedeeltelijke. Ea daarop volgt dan in het sterven deze tweede daad van Goddelijke heiligmaking, dat Hij in ons sterven zelf de zonde voorgoed uit ons hart wegsnijdt, en alzoo onze heiligmaking voltooit. Ook zij, die op later leeftijd sterven, zouden nog altoos onbekwaam zijn om den hemel in te gaan, bijaldien die ingang in den hemel uitsluitend de vrucht moest zijn van de op aarde verkregen ontwikkeling, en alzoo een uitsluitend privilege voor de beproefden moest zijn.. Integendeel, aan het verkregen resultaat komt dan eerst kracht toe, indien en doordien God in de ure des stervens met een wondere daad van heiligmaking tusschenbeide treedt, en nu op eenmaal in hen voleindt wat dusver nog slechts tot een klein begin gekomen was.

Dat derhalve velen, doer te vroeg weg te sterven, de gelegenheid misten, om vóór hun dood tot dit klein begin te komen, maakt ten principale geen onderscheid tusschen hen en de volwassen stervenden. Beider heiligmaking is uit God. En dat wel zoo, dat de één van deze heiligmaking een klein begin hier reeds, en de voleinding er van pas in zijn sterven ontvangt, terwijl de ander, dat klein begin missende, in zijn sterven op eenmaal alles verkrijgt. Voor ons nu, van de zijde der wereld gezien, maakt dit een zeer groot verschil. Een kindeke dat wegsterft zonder ooit verdriet, moeite en teleurstelling gekend te hebben, en een grijsaard, die na een pijnlijke en moeitevolle worsteling van drie vierden eencr eeuw, eindelijk het afgematte hoofd ter ruste legt, zijn voor óns besef bijna niet in één begrip saam te vatten. Maar bezien van Gods zijde, van het standpunt der eeuwigheid, dan komt dit zoo heel anders te staan. Wat zijn zeventig en tachtig jaren, wanneer ze als een nachtwake zijn voorbijgegaan, vergeleken bij de eeuwigheid onzes Gods? En ook, wat is het klein begin vau heiligmaking dat de beste hier op aarde bereikt, gezien bij de oneindige volmaking die wordt opgewogen in de weegschaal vau het heiligdom? Er is dus van een privi'' lege ganschelijk geen sprake. Aan beiden, zoowel aan hen, die de hitte des daags hier gedragen hebben, als aan hen, die slechts ontloken om te verwelken, kan Go4 in zijn vrij machtig bestel door een wondere daad zijns Geestes de volkomen hei-

ligmaking ia het sterven schenken. Slechts ga om die gelijkheid het verschil van weg voor ons niet teloor. Wie de hitte des daags niet droeg, dien volgen geen werken. Hen, die de hitte des daags gedragen hebben, volgen die werken zeer gewisselijk.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 21 februari 1897

De Heraut | 4 Pagina's

Van de gemeene Gratie.

Bekijk de hele uitgave van zondag 21 februari 1897

De Heraut | 4 Pagina's