GeheugenvandeVU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van GeheugenvandeVU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van GeheugenvandeVU.

Bekijk het origineel

Pro Hege.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Pro Hege.

17 minuten leestijd

XIV.

En God zeide tot hen: ver vult de aarde, en onderwerpt ze, en hebt heerschappij. Gen. 1: 28,

Om helder inzicht in de heerschappij van Jezus onzen Koning te erlangen, moeten we alzoo teruggaan op het Koningschap door God aan den mensck verleend, en wel toen Hij hem schiep. De schepping van den mensch naar Gods beeld hield in de zalving van den mensch tot heer en koning over deze geheele aarde, met alles wat daarin was. En het is deze volstrekte en alomvattende heerschappij, die niet aan de schep ping naar Gods beeld wordt toegevoegd maar die er rechtstreeks uit voortvloeit, en die in de scheppingsordinantie Gods zelfi het éénig met name genoemde gevolg is van 's menschen gelijkvormigheid aan het beeld Gods.

Maar hiertoe beperkt zich deze ordinantie niet. Er wordt niet maar uitgesproken, dat de mensch onder alle creaturen hierbeneden in geest het machtigste is, en daardoor boven alle andere creaturen uitmunt. Neen, er wordt aan den mensch, aanstonds n.x zijn schepping, ook een ^ebod gegeven, ea dat gebod strekt, om aan den mensch de verplichting op te leggen, dat hij de hem verleende heerschappij ook uitoefenen, handhaven en uitbreiden zal. Zelfs het kleinste begin van de Wet op Sinaï komt in den aanvang van Genesis niet voor. Er was nog geen zonde, en zelfs geen neiging tot zonde, en eerst door het proefgebod kon aan het licht komen, in welke richting 's menschen ontwikkeling zou plaats grijpen. Maar wat onmiddellijk als gebod aan den mensch wordt opgelegd is, dat hij de aarde zal vervullen, de aarde aan zich zal onderwerpen, en heerschappij zal oefenen over al wat op deze aarde is. Het staat er zoo majestueus: „En God schiep den mensch naar zijn beeld, naar den beelde Gods schiep Hij hem, en God zegende hem, en zeide tot hem: „Weest vruchtbaar, en vermenigvuldigt u, en vervult de aarde, en onderwerpt haar, en hebt heerschappy^"

Hieruit blijkt, hoe de mensch bestemd was om uit te groeien in een geslacht van duizend en meer millioenen. Nu reeds wordt de aarde door anderhalf duisendmillioen menschen bewoond, en nog de helft der aarde is leeg of is slechts zeer spaarzamelijk bewoond. En die reusachtige uitgreeiïng van ons geslacht zou niet dan alleen komen, als de zonde uitbrak en de dood intrad, maar lag, geheel afgezien van de zonde, in 's menschen bestemming. Het was met die bestemming, dat God de Heere hem op deze aarde het aanzijn gaf, en op de ladder van deze aardsche schepping bovenaan plaatste. Zonder meer zou dit echter schier eeniglijk als een over den mensch uitgesproken zegen kunnen verstaan worden, in zooverre opzet om het huwelijk te mijden en de geboorte der kinderen tegen te gaan, zich eerst na het intreden der zonde denken laat. Maar ook al vat men dit uitsluitend als zegenspreuk op, toch blijft het gebod, de ordinantie des Heercn duidelijk uitgesproken in de opgelegde verplichting om de aarde aan zïch te onderwerpen. „Vervult de aarde en onderwerpt haar" is een bevel, dat aan den mensch een eisch stelt, dat hem een werkkring aanwijst; en dat hem oproept tot inspanning van de hem verleende krachten. Krachtens dit woord was de heerschappij over deze aarde wel iets dat den mensch van nature, naar Gods bestel, toekwam; maar toch iets dat hem niet vanzelf in den schoot zou vallen, doch integendeel door hem gegrepen, vastgehouden en verwerkelijkt moest worden. Geen eeredienst wordt den mensch voorgeschreven. Zijn leven in gemeenschap met zijn God zou in zijn onzondigen staat een vanzelfsheid zijn. Maar wel wordt hem opgelegd, dat hij de heerschappij over de natuur, die in kiem in zijn schepping naar Gods beeld gegeven was, in volle lengte en breedte, in volle diepte en hoogte zou uitwerken.

Let er nu wel op, dat deze taak op 's menschen schouder werd gelegd vóór de vloek over deze aarde toog. Zijns zou de heerschappij zijn over de schepping in haar oorspronkelijke zuiverheid. Er moet hier dus niet gedacht worden aan een worsteling met de verscheurende dieren, noch aan een strijd tegen de elementen; dit alles kwam eerst later op; maar aan een heerschappij door geestelijke overmacht en meerderheid, en door inspanning vande normale, den mensch verleende krachten. Iets hiervan vindt ge nog in den dierentcmmer en in den slangenbezweerder. De temmer heerscht over zijn tijgers en leeuwen doordien hij ze imponeert en biologeert. De temming zelve heeft we! plaats door tucht, opsluiting en voedselonthouding, maar toch, wie niet de eigenaardig biologeerende kracht van den temmer bezit, kan door deze hulpmiddelen geen wild dier aan zich onderwerpen. Het vermogen om een wild dier te temmen, is thans niet langer een algemeen menschelijke eigenschap, maar een bijzondere eigenschap van zeer enkele personen. Een vermogen, dat op één lijn staat met het vermogen dat sommige bezitten om een mensch te biologeeren en te hypnotiseeren. Dit vermogen is een soort mysterie, dat nog allerminst is verklaard, maar toch alle verschijnsel vertoont, van een zwakke nawerking, een sporadisch overblijfsel te zijn van de geestelijke meerderheid over de dierenwereld, die oorspronkelijk aan den mensch in het gemeen geschonken was. Dat de dieren oorspronkelijk niet wild, woest en verscheurend waren, zij hierbij toegegeven. Maar een enkel mensch stond dan toch in zijn kleinen lichaamsbouw tegenover het tallooze dlerenheir met zijn reusachtige gestalten. En nu meldt ons de Schrift, dat in het paradijs heel dat dierenheir tot Adam kwam; dat Adam als heer en koning onder hen stond, zonder dat een dier hem leed deed, en dat hij hun namen gaf, niet willekeurig, maar overeenkomstig hun aard. Dit wijst alzoo op de hooge meerderheid van den mensch over al het geschapene, en tevens op een nu te loor gegaan vermogen, om het wezen van elke soort te doorzien. Een heel andere dierkunde dan thans de zoölogen bezitten, maar van nog hooger waarde.

Gelijk van zelf spreekt, is de veelvormige aard waarin de dieren optreden, niet toevallig. FHc van ha« vele soorten heeft een eigen reden van bestaan. Met die reden van bestaan hangt de bouw van hun lichaam saam en van de sfeer waarin ze leven zullen. De v./ateren, de aardbodem, en de lucht zijn de drie sferen van deze aardsche schepping, en elk dezer sferen heeft haar eigen grondsoort van dieren. Maar ook in elke sfeer wordt die grondsoortvan het zwemmende, loopende, kruipende of vliegende dier weer onderscheiden in tal van ondersoorten, en ook elk dezer ondersoorten heeft weer haar eigen vorm van verschijning en zulks met een eigen bestemming. Er Js in Gods schepping geen grillig spel, geen op de gis af scheppen van wezens op goed ge» luk af. Neen, elke soort van dieren is de eigenaardige uitdrukking van een eigen gedachte Gods. Elke soort heeft een eigen roeping om haar God te verheerlijken. Ook in de dierenwereld heerscht een heilige orde. Hiervan weten wij nu zoo goed als niets meer. In dè grootte, in den vorm, in de weermiddclsn, in de bekleeding kunnen we zekere onderscheiding maken, maar de eigenlijke reden doorgronden, waarom deze onderscheidene soorten alzoo, en niet anders, elk in haar bijzondere eigenaardigheid geschapen zijn, kunnen we niet meer. Toch blijkt nu nog uit het scheppingsverhaal, dat juist in dis soortonderscheiding het doel lag. Waartoe anders die breede beschrijving van de dieren in de wateren, van de dieren die vliegen in de lucht, en van de dieren die zich op den aardbodem zelf voortbewegen.'' Van die hoogere kennis echter weten thans onze geleerden in de dierkunde niets meer. De betrekking die er tusschen de onderscheiden vormen der vele diersoorten, en de gedachte Gods bestaat, ontgaat hun ten eenenmale. Juist die kennis daarentegen was den eersten mensch ingeschapen. Hij bezag de onderscheiden diersoorten naar haar wezen was, en gaf aan elke soort dienovereenkomstig een naam. Het was alzoo bij Adam een heerschappij over de dieren, die haar oorsprong vond, niet in de sterkte van zijn hand, noch in de slimheid waarmee hij hel dier meester wist te worden, maar een macht die geheel lag in de meerderheid van zijn geest.

Dat nu alleen de dieren als afzonderlijk voorwerp van zijn heerschappij genoemd worden, kan niet. bevreemden. Natuurlijk stond Adam, op gelijke wijs, met geestelijke meerderheid ook tegenover de plantenwereld en tegenover de anorganische natuur. Maar in deze was geen actie. De plant is lijdelijk De plant verplaatst zich niet. Van verzet en strijd, in den eigenlijken zin des woords, kan bij de plant geen sprake zijn. Daarin dat de mensch de macht bezat, om bloemen te plukken om zich mee te sieren, of vruchten te plukken om zich mee te voeden, kon geen heerschappij uitkomen. Dat was gebruik. Een nemen van wat hem geviel. Maar de ontstentenis van alle verzet en worsteling deed geen heerschappij opkomen. En evenzoo was het met het delfstoffenrijk. Later, toen na en door den vloek de elementaire kracht der natuur opkwam, om te verwoesten door storm en orkaan, door bliksem, vuur en overstrooming. door aardbeving en grond verschuiving, f* oor hitte en vorst, traden er ook in döz; a si'eren machten tegen den mensch op, die hem met vernieling bedreigden. Maar in het paradijs was dat alles nog ondenkbaar. Van strijd, van worsteling, van verzet, van dreigend gevaar was ook in deze sfeer der schepping nog geen sprake. Het was daarom volkomen natuurlijk, en sprak als vanzelf, dat alleen de dierenwereld op Adam den indruk kon maken als van een heirmacht die tegenover hem stond, en het is daarom geheel overeenkomstig den toen bestaan hebbenden toestand, dat in de scheppingsordinantie de strijd met de dierenwereld breed wordt uitgemeten, en dat over de plantenwereld en het delfstoffenrijk en de elementaire krachten der natuur gezwegen wordt. Of liever, gezwegen wordt er niet van, maar ze worden alle saamgevat in het ééne ruime begrip van de aarde. Behalve over de dieren toch, was aan den eersten mensch ook de heerschappij „over gelteel de aarde" toebedeeld, en staat er uitdrukkelijk bij: „Vervult de aarde, en onderwerpt haar." Dit nu kon, waar de dieren afzonderlijk er bij worden genoemd, op niets anders slaan dan op de overige rijken en krachten der natuur, en zoo werd metterdaad ook over de plantenwereld, de wereld der anorganische natuur, en de wereld der elementaire krachten, de heerschappij aan den mensch toevertrouwd. Het „zich onderwerpen van de aarde" ziet niet op de moeitevolle bearbeiding van den bodem. Die wordt eerst na den val vermeld, toen het heette: „In het zweet uws aanschijns zult gij brood eten." Ook hier wordt alzoo gedoeld op een heerschappij door de meerderheid van den geest. Het is de mensch, dis als naar Gods evenbeeld geschapen, tot on!^erk? »ning onder God, over heel de zichtbare schepping hierbeneden besteld wordt. Een heerschappij, die hij uitoefende dooreen hem inklevende kennis van heel de natuur, die thans schier geheel te loor ging.

Toch niet geheel. Reeds werd gewezen op den dierentcmmer en siangenbezweerder. Maar er is meer. Uit de oudheid komen ons berichten toe, b, v. omtrent de wijsheid der Egyptenaren, die, hoe vaag en onzeker ook, toch er op wijzen, dat in enkele kringen nog zekere mysterieuse kennis voortleefde, die sinds geheel te loor ging, maar destijds nog een werkelijke kracht vertegenwoordigde. Deze geheimzinnige kennis, die in de overlevering voortleefde, moge met veel bijgeloof en goochelarij vermengd zijn geworden, en zoodoende allengs geheel ontaard zijn, maar dit neemt niet weg, dat ze toch heenwijst op iets instincticfs, dat nog lang na het te loor gaan van het paradqs heeft nagewerkt. En iets soortgelijks, zij 't ook van geheel anderea aard, vinden we nog in de poësie der natuur. De natuurpoöet leeft met de natuur, zooals geen ander dat doet. Het is of de afstand tusschen de menschelijke natuus en de natuur om hem heen, voor zulk een dichter tot veel kleiner afmetingen herleid is. Hij voelt met en voor de natuur. Hij beluistert en verstaat haar sprake. Hij leeft met die natuur in geheimzinnigen, vaak zeer innigen omgang, en weet haar schoonheden voor ons te ontlokken, die wij zelve er nooit in zou gevonden hebben. Dank zij deze natuurpössie is het leven met de natuur ook voor ons, binnen zekere perken, in stand gebleven, bij den één meer, bij den ander minder. Maar ook zoo blijft toch, in niet zoo geringe mate, de weldadige invloed stand houden, die van 't leven en de sprake der natuur op ons uitgaat. Er behoeft wel nauwlijks aan herinnerd te worden, hoe ook in het boek der Spreuken en bij meer dan één profeet, en hoe bovenal bij onzen Heere Jezus Christus, dit saamlevenmetdenatuur en het opvangen van de sprake der natuur, meer dan eens op hoogstaangrijpende wijze uitkomt, en dank zij den invloed der Heilige Schrift, in heel de Christenheid is overgegaan.

Na den val is daarentegen de verhouding tusschen den mensch en de natuur, waarin het rijk zijner heerschappij gevestigd was, principieel veranderd. Zijn adelbrief is hem niet ontnomen. Hij is niet van zijn heerschappij vervallen verklaard. Hij is koning over de natuur gebleven. Maar nu kwam hij voor dezen geheel anderen toestand te staan, dat hij zelf in geestesmacht verzwakt was en dat heel de natuur in opstand tegen hem geraakte, Ëen verzwakking van den mensch als mensch, en een opstand van de natuur tegen den mensch, die zoo ver ging, dat zijn koningschap over de natuur slechts nominaal stand hield, en slechts in idealen zin waarheid bleef. De geestelijke verzwakking was gevolg van zijn breuke met zijn God, 'sMenschen eenlge kracht school in zijn nauw klemmen aan zijn God. Zoolang de band tusschen zijn innerlijk wezen en zijn God ongestoord en ongeschonden bleef, t'loeide hem uit zijn God de kracht en de mogendheid, de sterkte en de instinctieve kennis ongestoord toe. Zoolang was de geestelijke overmacht over de natuur er vanzelf. Maar toen de mensch van zijn God afweek, en zich van zijn God verwijderde, verwijderde hij zich tevens van de bron zijner sterkte. Nu vloeide hem niet meer toe, wat vroeger als nooit rustende stroom van heilige kracht hem door zijn innerlijk wezen stroomde. Van sterk in ongebroken kracht, werd hij nu zwak, broos en In zichzelf vervallend. Hij heerschte niet meer krachtens zijn natuur. De geestelijke overmacht, die eertijds vanzelf werkte, ontging hem, en met deze inzinking van kracht kwam vrees, angst en zorg over hem. De mensch in het paradijs is als een vast gewortelde eik; na den val is hij als een bevend riet geworden. Zwak niet alleen tegen de verleiding der zonde, maar zwak in zijn zelfgevoel, zwak in zijn innerlijk bewustzijn, zwak in kracht en in instinctieve kennis, zwak in de gewaarwordingen, die hij opving van de hem omringende natuur.

En tegelijk met deze inzinking van het gevoel zijner kracht en mogendheid komt een gewaarwording over hem, alsof heel die natuur, aan zijn heerschappij ontkomen, en nu hem zijn heerschappij betwistende, zich op hem wil werpen, om hem te vernietigec. Wij zijn aan de stem van den donder gewoon, maar kunt ge u indenken wat het voor Adam moet geweest zijn, toen voor het eerst het zwerk zich in donkerheid boven hem saampakte, toen het dreunend rollen der wolken in den donder een aanvang nam, en toen voor het eerst de vlam uit den hemel als een bliksemschicht op de aarde neersloeg? Van den vloek die over de aarde kwam, vormen wq ons gemeenlijk een veel te beperkte voorstelling. Het was toch niets minder dan een geheele omkeering in de orde der natuur. De plechtige vrede van het paradijs ging over in onrust, in verstoring en in eindeloozc woeling. Doornen en distelen kwamen in het plantenrijk uit. Gif zette zich in plant en dier. Verscheurende wildheid begon zich in het gelaat van vele der machtigste dieren te vertoonen. De wind des daags uit het paradijs ging over in stormwind en in het loeien der orkanen. De gelijke temperatuur sloeg over in machtige wisseling van koude en van hitte. De stroomen traden buiten hun oevers en overstroomden de landouwen, Oakruid en ongedierte traden verwoestend op. Giftige bacteriën begonnen het leven van mensch en dier te bedreigen. De aarde zelve in haar verborgen diepte woelde op, beefde en sidderde, en braakte stroomen van gloeiend lava en vuur uit. Het was of op eenmaal de' hel uit den afgrond opbrak, en zich met reuzenarmen om heel de natuur, en in die natuur om den mensch wilde slaan, om 't alles te vernietigen en te vergruizelen.

En tegenover die losgebroken macht van vernieling staat één enkel menschenpaar, wee van schuldbesef, van God verlaten, klein, gebroken en moedeloos. Met rappe vingeren had hij in het paradijs, uit meesterlijken geest, heel het orgel der natuur bespeeld, en nu was de windbalg van dat orgel gescheurd, en trilden zijn vingeren als verlamd over de ratelende toetsen heen, waaraan geen melodieuse hemeltoon meer viel te ontlokken. Van den schrik, van de ontzetting, van de verbijstering die Adam in die ure moet hebben aangegrepen, kunnen wij, die nooit zijn heerschappij in het paradijs gekend hebben, ons van verre geen voorstelling vormen. Al wat we vernemen, is dat hij vluchtte, vluchtte voor zijn God die hem in zijn erbarming roepsn kwam, om den weg van genade als in zilveren stippen voor zijn half-ingeslapen oog uit te teekenen. En aan het eind van dicnuitgestippelden genadeweg schitterde heel van verre het Koningschap van den Zoon des menschen. Een uit Eva geborene zou eens de macht van satan te niet doen, en alzoo het Koningschap des menschen over de nu in opstand gekomen natuur herstellen, en dan vestigen voor eeuwig. Maar al lichtte daarmee de star der hope aan den donkeren gezichtseinder, voor Adam was dit goeddeels onbegrepen taal. Hem dreigde krankheid en dood. Tegen hem scheen heel Gods schepping in opstand. Niet afgezet, maar feitelijk onttroond was de koning, dien God voor zijn schepping hierbeneden besteld had. Lijden voor heer schappij was zijn deel geworden. De worsteling, pas begonnen, zou steeds breeder afmetingen aannemen. En toen stond eener zijds de machtige, de ailesoverweldigende natuur, met haar reusachtige krachten, en anderzijds daartegenover de neergebogen, de ontwrichte, de tot een nietig sterveling verworden mensch.

En toch zoo ook bleef de scheppingsordinantie haar onverzwakte kracht behouden. Hoe ook de mensph vernietigd scheen, het hoog bevel bleef onveranderlijk doorgaan: „Uwer moet de heerschappij over heel dit aardrijk zijn. Maak u op, vermenigvuldig u, vervul heel die aarde, en onderwerp haar." Dit nu is de ontzettende beteekenis, die de natuur voor den mensch heeft. Die wilde, machtige natuur werpt zich op hem, om hem te vernietigen. Hij poogt zich te dekken, te beveiligen, te beschermen tegen haar woede. Maar dit is niet genoeg. Neen, hij moet haar aanval weerstaan niet alleen, maar ook haar aanvallen, zich op haar werpen, en hij mag niet rusten eer hij zijn oppermacht over haar zal herwonnen hebben. Hij als mensch blijft drager van den geest. Die geest moet over het stof triomfeeren, en mag voor het stof niet onderdoen. Die geest is Godes, en Gods eere hangt er aan, dat de geest triomfeert. Niet één mensch kan dat voleinden. Heelde menschheid ziet zich die reuzenworsteling tot levenstaak gesteld, en eens zal aan het hoofd dier menschheid de Zoon des menschen verschijnen, die centraal den triomf behalen zal, en van zich uit de krachten haar zal doen toevloeien, om haar heerschappij te hernemen. Maar de worsteling zal een worsteling van eeuwen zijn. En die eeuwen lang zal krankheid en dood, zal verscheuring en vernieling, zal er verderf onder de kinderen der menschen voortwoelen. Die wreede, die woest geworden natuur zal geen inspanning van krachten sparen om den mensch het hernemen van zijn heerschappij onmogelijk te maken. Het geween zal zich op aarde vermenigvuldigen, der smarten en des lijdens zal geen einde zijn. Bij geheele hekatomben zal de natuur zich haar slachtoffers uit ons geslacht kiezen. Gedurig zal 't staan, alsof de natuur en niet de mensch triomfeert. Wanhoop en vertwijfeling zal het hart des menschen vermeesteren. En toch, onder dat alles door, zal Gods zorge waken, dat de vonk der hope in het menschelijk hart niet worde uitgebluscht, dat de kern zijner kracht nooit geheel gebroken worde. De geest zal tegen de macht der natuur blijven strijden. Niet de tijger en de luipaard, maar de mensch zal het veld behouden. Al schijnen de stroomen hem te verzwelgen, de mensch zal in het eind ook den watervloed beheerschen. En eens zal de dag komen, dat glorierijk het besef in den mensch herleeft, van, zooal geen koning, toch weer meester te zijn geworden over de natuur en haar ontzaglijke krachten.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 14 april 1907

De Heraut | 4 Pagina's

Pro Hege.

Bekijk de hele uitgave van zondag 14 april 1907

De Heraut | 4 Pagina's