Vu cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Vu te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Vu.

Bekijk het origineel

Het onbepaalde in de taal en in de taalkunde - pagina 17

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Het onbepaalde in de taal en in de taalkunde - pagina 17

Rede uitgesproken op den Dies Natalis der Vrije Universiteit

2 minuten leestijd

13 o-stammen veelal begonnen zijn als aoristi, kunnen dan werkwoorden niet evenzeer als gebiedende wijs, als deelwoord, als optativus zijn ontsproten ? En wat beteekent het voor den imperatief, het deelwoord, den optatief, dat het met die werkwoorden zoo is toegegaan ? Vanuit deze vraagstelling hebben MEILLET en anderen de vooropstelling van den indicatief gecritiseerd ^ ) , opmerkend dat de imperatief de primaire modus geweest is, wat in zekere talen ook door de morphologie wordt gesuggereerd. HJELMSLEV, in zijn Principes de grammaire générale '^) dit overnemend zegt voorzichtig en ietwat vaag. dat in eenige talen althans de imperatief ,,de wezenlijke vorm van het werkwooord is". Onjuist is, wat hij daarop laat volgen, dat de Deensche grammaticus PEDER SYV de eerste geweest zou zijn, die den imperatief aan het hoofd van het werkwoord plaatste. Dit komt in de zestiende eeuw reeds voor in ScALiGER de causis linguae latinae, 7) Geen winst is het echter, om het HJELMSLEV den imperatief even absoluut aan het hoofd der wijzen te stellen als in de traditioneele grammatica de indicatief gestaan heeft. De morphologie pleit somtijds voor dien eersten rang, maar een tweede, scherpere synthesis levert de tegeninstantie : laat de beteekenis van den imperatief wel toe, dat hij zich met iederen werkwoordstam verbindt? Indien zekere stammen primair zijn aangewezen op een bepaalden tijdsvorm, zoo zullen wel niet alle stammen evenzeer op een imperatief zijn aangewezen, maar sommige wel op een indicatief, andere op een optatief, zoodat juist de strenge toepassing van het synthetisch gezichtspunt een aantal gevallen met primairen indicatief uit de algemeene critiek redt. 8) Dat de ontdekking van een affiniteit tusschen flectievorm en stambeteekenis begonnen is bij den tijdsvorm, zal wel komen, doordat bij deze de onregelmatigheid zoo in het oog springt. Fijnere observatie zal noodig zijn, om b.v. den oorsprong, of althans het oprsprongsgebied van optatief en andere modi te vinden of te vermoeden. Het materiaal, dat daartoe op grond van de methodische suggestie den doorslag zou kunnen geven, is nog niet bijeen. W e l hebben reeds WACKERNAGEL 9) en MORRIS 10) soortgelijke onderzoekingen bij de Latijnsche naamvallen geëntameerd.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van maandag 21 oktober 1929

Rectorale redes | 42 Pagina's

Het onbepaalde in de taal en in de taalkunde - pagina 17

Bekijk de hele uitgave van maandag 21 oktober 1929

Rectorale redes | 42 Pagina's

PDF Bekijken