Vu cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Vu te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Vu.

Bekijk het origineel

GEESTELIJKE ADVIEZEN

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

GEESTELIJKE ADVIEZEN

6 minuten leestijd

(Alle inzendingen, deze rubriek betreffende, aan Ds D. van Dijk, Akkerstraat 26, Groningen.)

Kleingeloof.

„Kleingeloof", dat is een onder ons zeer bekende, veel gebruikte uitdrukking.

„lüeingeloof", door dat begrip wordt bij duizenden heel het leven des geloofs en de, zorg voor de zielen beheerscht.

Het lijkt mij daarom nuttig een paar artikelen aan dit onderwerp te wijden.

In de eerste plaats: Wat wordt er in den regel onder dat „kleingeloof" verstaan?

Dit, dat een mensch niet heelemaal zeker is van zijn deel hebben aan Gods beloften, dat hij zoo 'wat half en half gelooft.

Hij zou dan (zoo meent men) wel gelooven, maar de intensiteit van het geloof zou nog niet groot genoeg zijn.

Deze opvatting van kleingeloof, die onder ons nog zoo algemeen is, moet evenwel beslist van de hand worden gewezen.

Zij is (en daarmee is reeds alles gezegd) met den aard van het geloof beslist onvereenigbaar. Geloof is z e k e r h e i d.

Geloof is een vaste grond der dingen, die men hoopt, een b e w ij s der zaken, die men niet ziet.

Onze Catechismus zegt het zoo Schriftuurlijk: „het geloof is een zekere kennis en een vast vertrouwen.

Nu zijn zekerheid, vastheid begrippen, waarbij van geen meer of minder sprake kan zijn. Dat is precies als met een rechte lijn.

Indien in een rechte lijn ook maar ergens één afwijking, één kromming, hoe klein ook, gevonden wordt, dan heeft die lijn daarmee opgehouden recht te zijn.

Indien in de zekerheid ook maar eenige aarzeling is ingedrongen, dan heeft op datzelfde oogenblik die zekerheid' opgehouden zekerheid te zijn.

Als ik sta tegenover Gods belofte en er is in mijn hart ook maar de minste gedachte: „zou het wel, zou het wel waar zijn, zou ik er mij op kunnen verlaten? " dan geloof ik niet meer, dan ben ik ongeloovig.

Een tusschenstaat tusschen geloof en ongeloof bestaat niet.

Wij kunnen wel spreken van t w ij f e 1; maar dan in dien zin, dat wij daarmee bedoelen een elkander afwisselen van geloof en ongeloof, doch nooit een toestand waarbij op hetzelfde oogenblik geloof en ongeloof met elkander vermengd zijn, en dat men, al naar gelang in dat mengsel geloof of ongeloof een grooter samenstellend deel vor^men, men van grooter of kleiner geloof zou mogen spreken.

Eén van tweeën; ik ben verzekerd, of ik ben het niet; ik geloof, of ik geloof niet.

Dat moet voor ons .vast staan.

Dat is voor de practijk van het geloofsleven van groote beteekenis.

Heel de quaesüe van „zelfonderzoek" daardoor beheerscht. wordt

Wanneer ik duidelijk zie, dat geloof zekerheid is, dan heb ik ook begrepen, dat er bij hem, die gelooft, nooit sprake kan zijn van de vraag: «geloof ik wel echt? "

De zekerheid, die het geloof, naar zijn aard, eigen is, sluit zulk een vraag vanzelf buiten.

Wie inziet, dat het geloof zekerheid is, verstaat, dat in het gelooven zelf de zekerheid is, dat men gelooft.

„Dit geloof brengt, ten slotte, zijn eigen zekerheid mede. Gelijk in het weten als weten, de bewustheid van te weten begrepen ligt (ik spaüëer, D. v. D.), zoo sluit het geloof naar 2ijn aard volstrekte zekerheid in". (Bavinck: Dogmatiek IV 124 2e druk).

„Die gelooft, weet toch dat hij gelooft", (Ursinus: Verklaring van den Heidelbergschen Catechismus. Vertaling van Proosdij, blz. 152).

Dus nog eens, wie inziet, dat gelooven zekerheid is, verstaat ook, dat het geloof zelf uitsluit de vraag: „geloof ik wel? "

Dat wordt anders, zoodra men uitgaat van de gedachte, dat er graden zijn in de intensiteit van het geloof, dat men dus voor één kwart en voor drie kwart en heelemaal zeker zou kunnen wezen.

Het ligt voor de hand, dat iemand, die door het geloof niet heelemaal zeker is, dan ook niet weet of hij wel gelooft en dat hij dan probeeren zal achter zijn geloof iets te zoeken, dat hem de zekerheid zou kunnen geven, dat hij wel een g e 1 o o V i g e is, deel heeft aan het heil des Heeren, ofschoon hij het op dat oogenblik zelf niet gelooft.

Over de ongerijmdheid daarvan, dat iemand, op het oogenblik, waarin hij niet gelooft, toch langs anderen weg tot de zekerheid zoekt te komen, dal het met hem wel in orde is, hebben wij vroeger wel gesproken.

Het is er mij nu om te doen, te laten gevoelen, hoe die verkeerde vorm van „zelfonderzoek" samenhangt met en opkomt uit die verkeerde op^ vatting van „kleingeloof'., ,

Hier staat onmiddellijk naast de verkeerde metbode van „zielszorg", die uit deze beschouwing over „kleingeloof" voortvloeit.

Als ik klaar zie, dat geloof algeheele zekerheid beteekent, dan zal ik een mensch, die in onzekerheid leeft, die zegt: „zou ik mij wel op die belofte Gods durven verlaten? " dan zal ik, zeg ik, dien mensch niet trachten te helpen door hem op ik weet niet welke wijze, toch duidelijk te maken, dat hij wel een kind van God is; maar dan zal ik niet anders willen doen, dan, in den Naam van Hem, die niet liegen kan, hem te zeggen, dat hij niet mag twijfelen aan Gods belofte, dat hij zich daarop voor tijd en eeuwigheid mo^et verlaten; dat alle twijfel zonde is.

Sta ik daarentegen op het standpunt, dat „half" geloof ook nog wel geloof kan zijn, ja, dan zal ik vanzelf den twijfelaar volgen op zijn pad, waarlangs hij door allerlei kenmerken van zijn wedergeboorte en deelhebben aan Christus zoekt overtuigd te worden; dan zal ik hem ten leidslman zoeken te zijn jop een weg, die hem, bij allen schoonen schijn, steeds verder van huis brengt.

Vandaar, dat die vraag naar wat kleingeloof beteekent, voor het leven van Gods volk van zoo groote beteekenis is.

Dat de Schrift het meer dan éénmaal over „kleingeloof' heeft, is onweersprekelijk. Mattheüs 6:30 — Lukas 12:28.

„Indien nu God het gras des velds, dat heden is en morgen in den oven geworpen wordt, alzoo bekleedt, zal Hij u niet veel meer bekleeden, gij kleingeloovigen? " Matth. 8:26.

„En Hij zeide tot hen: Wat zijt gij vreesachtig, gij kleingeloovigen? Toen stond Hij op en bestrafte de winden en de zee en daar werd groote stUte". Matth. 14:31.

„En Jezus terstond de hand uitstekende, greep hem aan en zeide tot hem: Gij kleingeloovige, waarom hebt gij gewankeld? " Matth. 16:8.

„En Jezus, dat wetende, zeide tot hen: Wat overlegt gij bij uzelven, gij kleingeloovigen! dat gij geene broeden medegenomen hebt? " Zóó spreekt de Heiland.

In een volgend artikel wil ik trachten duidelijk te maken, wat er in deze woorden onder „kledngeloovig" te verstaan zij.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 23 september 1938

De Reformatie | 8 Pagina's

GEESTELIJKE ADVIEZEN

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 23 september 1938

De Reformatie | 8 Pagina's

PDF Bekijken