GeheugenvandeVU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van GeheugenvandeVU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van GeheugenvandeVU.

Bekijk het origineel

HOOFDARTIKEL

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

HOOFDARTIKEL

16 minuten leestijd

Armoede en Geestelijk leven.

III.

Tot dusver hebben we alleen gesproken over het verband-i tusschen armoede en geestelijk leven zooals dat door Gods genade gelegd kan worden ©n ook inderdaad gelegd wordt in den individueelen christen, die onder armoe gebukt gaat.

Toch is dit niet het eenige, zelfs niet het voor- Inaamste!, . ,

Het verband tusschen armoede en geestelijk leven tzal zich nog onder geheel ander aspect aan ons ^moeten vertoon en, willen we althans de hoofd'zaak ervan hebben gezien.

Om ook hiervoor oog te krijgen moeten we ons herinneren, dat het „geestelijk leven" zooals dat boven werd geteekend niet allereerst iets is van den afzonderlijken geloovige.

Neen — in eerster instantie wordt dat geestelijk , leven gevonden in de K& rk des Heer en, in - de verbondsgemeensclaap, in het volk dat onderdaan is van het Koninkrijk der hemelen.

We weten het toch wel, dat Jezus Christus op den Pinksterdag Zijn Geest heeft uitgestort in Zijn Kerk. Die Kerk is een „geesteüjk huis", een jj ; „woonstede Gods in den Geest", i) De Kerk is nu eenmaal „ons aller Moeder". En de moeder en het leven der moeder is er eer dan de Idnderiein en der kinderen leven. Via de Kerk, in de gemeen- : schap der Kerk komt het geestelijk leven ook in de kinderen Gods. In dezelfde mate als de geloovigen lid zijn van de Kerk des Heeren hebben zij deel aan het waarachtig, geestelijk leven. ^)

Dit geestelijk leven nu komt in de Kerk tot ontplooiing doordat de heilige wet des HEEREN daar weer tot heerschappij komt. Die wet immers is ook geestelijk, d.w.z. gegeven door en uitdrukkend den wil van den Heiligen Geest.') Daarom konden de Israëlieten zoo uitbundig jubelen over de schoonheid der wet! De langste psalm is geheel en al aan die wet gewijd. In de wet begroetten de echte Israëlieten den heiligen wil van hun Vader ten aanzien van gansch hun bestaan, hun doen en laten.

De wet is zoo gezien de spiegel van het schoone, rijke, heilige menschenleven. Volmaakte heiligheid is er dan wanneer het leven volmaakt gebonden is aan de wet des HEEREN. En in die gebondenheid bomt de christenmensch ook tot de volkomen vrijheid der kinderen Gods!*) De Geest dtes Heeren, Die eenmaal de wet gaf en ze daarna telkens weer laat schitteren voor en aandringt bij de geloovigen is dezelfde Geest, Die de harten der kinderen Gods gewillig maakt om die wet te gehoorzamen. En waar de Geest des Heeren is, aldaar is vrijheid. Wanneer op deze wijze het geestelijk leven in de Kerk des Heeren tot bloei komt, worden geleidelijk alle verhoudingen omgezet, ge-ré-formeerd. Het menschenleven krijgt een totaal ander aspect. Het wordt totaal anders gericht. Het wendt zich naar God toe in plaats van zich aan Hem te onttrekken. En stralend in Zijn liefde en gunst komt het ten slotte tot den vollen paradijsluister.

In dat geestelijk leven krijgt nu ook het stoffelijk bezit een eigen plaats, een eigen functie. Het wordt anders getaxeerd; het krijgt een ander doel. Vóór alles gaan dan de oogen open voor het machtige feit, dat christenen in den strengen zin van het woord nooit „bezitters" zijn van eenig geld, eenig stoffelijk goed.

Zeker naar het burgerlijk techt zijn ze dat wel en moeten ze dat zijn, maar in religieuzen zin zijn ze het nooit ofte nimmer.

Geloovigen zijn, met alles wat ze „bezitten", met huizen, geld, goederen, kleeding; met alles wat in landerijen, voorraadschuren en brandkasten wordt gevonden, eigendom van Jezus Christus. Niets is het hunne. Wie hèt zich in strikten zin zou toeeigenen, steelt van den Koning van hemel en aarde. Jezus Christus is de volstrekte Eigenaar van alles wat bestaat. Hij is de echte Bezitter. Zijn Vader heeft alles in Zijn hand gesteld. Wie dit niet erkent is een dief en steelt permanent. Er is geen andere keus: Jezus Christus erkennen als den Bezitter en van Hem alles ontvangen, óf stelen permanent en overal.

Wie dit eenmaal werkelijk heeft gezien in het geloof, verstaat oogenblikkelijk, dat wij - in den strengen zin van het woord nog nooit iets aan den Christus hebben kunnen „geven". De gedachte aan zooiets is reeds absurd. Wat we wel konden doen, hebben gedaan en nog steeds doen is: van Christus stelen! Want alle gebruik van stoffelijk goed, dat niet is overeenkomstig Zijn wil, is rooven van den Christus Gods.

We moesten eigenlijk ook niet zeggen: we zullen iets „van het onze afzonderen" voor Jezus Christus en Zijn Koninkrijk. We kunnen dat niet. Het is reeds van Hem en voor Zijn Koninkrijk. We kunnen en mogen alleen wat van Christus' goed, dat Hij onder onze berusting h, 6eft geplaatst, afzonderen voor ons!

Rentmeester zijn over eigendommen die volstrekt van Christus zijn, dat is onze taak ten aanzien van de stoffelijke goederen dezer wereld , — dat is onze eenig, e taak.

Ja, nog eens, van Christus zijn aUe goederen en düs zijn ze voor Zijn Rijk, Zijü Kerk! Stoffelijk goed is vóór alles Kerkegoedl

In dit licht moeten we nu ook de z.g. goederengemeenschap zien, die we aantreffen in de eerste christengemeente.

Met een communistische gelijkheid van bezit heeft deze evenveel gemeen als een heilig huwelijk gemeen heeft met prostitutie!

Neen, de eerste christenen waren doorgloeid van het geloofsbesef, dat Christus de volstrekte Bezitter was van al hxm goederen en dat die goederen dus bestemd waren voor de gansche gemeenschap der geloovigen! „Niemand zeide, dat iets van hetgeen hij had zijn eigen was, maar alle dingen waren hun gemeen." ^) Ze hadden alle dingen gemeen. Ja, zoO' „hadden" ze dat. Zoo- beschouwden ze dat.

Maar hun rentmeesterschap wierpen die eerste christenen niet weg! Geen denken aan. Ze vervulden het nü pas goed! Ze gingen het nu in het echte geloof uitoefenen!«)

Welnu dit geloofsbesef, deze geloofsvisie op geld en ander stoffelijk goed, zullen weer moeten komen en sterker werden in het echle geestelijk leven der Kerk.

Ook nü zullen wij, leden der Kerk van Christus, alle dingen „gemeen" hebben in Jezus Christus^ onzen Heer. En ondanks dat — neen — juist daarom zullen we rentmeesters zijn, in gespannen verantwoordelijkheid.

Zóó, zoo alléén, zullen we de armen helpen, hun gevende wat zij behoeven. Zóó, zoo alléén, wordt de armoede opgenomen in het geestelijk leven der Gemeente Gods, n.l. om haar, zoovéél het mogeUjk is, te bestrijden. Want omdat Christus de armoede haat, juist daarom heeft Hij Zijn arme kinderen lief!

Wat de armen zóó ontvangen, neen, dat ontvangen ze niet van menschen — het is alleen een geschenk van Jezus Christus, Die het door Zijn rentmeesters bezorgen laat.

En wat armen zóó ontvangen, dat is maar niet wat geld! Christus doet niet aan „maatschappelijke steun" of „phüantropie". De armen ontvangen in die gaven Zijn genade. Ze ontvangen eiin een boodschap van him Verlosser, opdat ze zouden proeven en smaken dat de Heere goed is, opdat ze niet vertwijfelen zouden in hun ellende.

Zoo die gaven ontvangende zullen zij roemen in Christus' vrijmacht en goediheid.

In Zijn goedheid! Want Jezus Cliristiis geeft al Zijn kinderen spijze te rechter lij dl

In Zijn vt-ijmacht! Want Hij doet diat op Zijn wijze: hier door loon, „verdiend" in den arbeid'; daar door rente van het kapitaal; ginds door pensioen in den ouderdom; en aan armen door de gaven der diakenen.

En zie: het komt alles alleen van Hem en zoo is het alles schoon te zijner tijd.

De diakenen — ze hebben in dit beheer en dezen arbeid van den Christus een wonderschoone functie.

Ze zijn waarlijk geen gelduitdeelers of bedeelers! Ze zijn dienstknechten van Jezus Christus, organen in Diens eigen arbeid.

Dienstknechten, die de gemeente er aan herinneren en blijven herinneren, dat al het „hare" het eigendom van Christus is en altijd blijft. Dienstknechten, die de genadegaven van den Verlosser der wereld brengen ter plaatse waar het behoort.

Zoo zijn ook zij mannen, die door Christus geroepen werden tot dien bizonderen ambtelijken dienst, waarvan de kern altijd weer is de „dienst des Woords".') Wanneer zoo het geestelijk leven in de gemeente bloeit en de beteekenis, de functie van het stoffelijk goed in het Koninkrijk Gods en de Kerk des Heeren weer is verstaan, dan zal in de Kenk de armoede zéér, zéér dikwijls overwonnen wol-den. Want dan zal het laten bestaan der armoede, waar zo gelenigd kan worden als een gruwelijke zonde worden beschouwd.

En toch zien we het dat de Kerk dikwijls armoede heeft geleden. Zoo niet de gehééle Kerk op aarde, dan toch zeker fragmenten ervan. En ook nu nog zijn er zeer vele kinderen Gods die worstelen met en ondergaan door den honger.

Worden dan de woorden, de beloften van God en Zijn Christus krachteloos? Liegt de verklaring^ dat het brood zeker en het water gewis zal zijn? Neen — om iets van deze angstige werkelijkheid te verstaan zullen we vasUiouden dat het hier op aarde vóór alles gaat om den dienst van God', om de uitwerking van Christus' verlossing, om de overwinning der wereld.

Voor den dienst van God, voor die verlossing, voor die overwinning kan het soms noodig zijn dat de kinderen Gods honger lijdten, ja, zelfs sterven van honger en dorst, juist zooals het soms ook noodig kan zijn dat ze in gevangenissen en concentratiekampen moeten zuchten, ja, den marteldood moeten ondergaan!

Zeker er is de b r o o d vr a a g — maar daar bovenuit gaat de vraag van den dienst des Heeren! En om dien dienst des Heeren moet soms de honger het brooid en de dorst het water worden. Want deze wereld is overgangstoestand.

Overgangstoestand die leiden zal naar de wereld van den absolulen honger en den eeuwigen, volstrekten dorst, maar ook naar die wereld waarin iedere honger en iedere dorst in eeuwigheid onmogelijk zal zijn in de •d'uurzame verzadiging van de aanzittenden aan het Avondmaal van de bruiloft des Lams.

1) Ef. 2:22; 1 Petr. 2:5; 1 Cor. 3:9. 2) Vgl.: S. G. de Graaf, Het Woord Gods en de Kerk, Zutphen, J. B. van den Brink & Co, p. 68/9: „„Van nature" leven wij bij deze volgorde: ik — de gemeenschap — God; wij moeten een totalen omkeer beleven, zoodat de volgorde wordt: God — de gemeenschap — ik De vaste grond is er eerst en dan pas de gemeenschap, die in Hem rust en ik als lid van die gemeenschap".

3) Rom. 7:14. Vgl.: Prof. Greijdanus, Kommentaar op Romeinen I, p. 342: geestelijk „d. i. het karakter dragend van Gods Geest, haren Oorsprong en Auteur" en p. 344: „Slechts in bepaalde opzichten werd zij (de wet) in Christus voor de geloovigen te niet gedaan: naar haren vloek, en als middel tot levensverwerving; maar niet als levensregel".

4) Gal. 5:1, 13. Vgl.: Prof. Greijdanus, Kommentaar op Galaten, p. 322: „Bedoeld wordt de vrijheid van de onderworpenheid aan de wet, om daaruit zijne gerechtigheid te zoeken.... en dus ook het vrij zijn van den vloek, die op wetsovertreding rust ", en p. 300: Het gaat bij die vrijheid „maar niet om de vrijheid als vrijheid, maar om in of met en door die vrijheid God te dienen, en te openbaren, dat het hart naar Zijnen dienst en lof uitgaat, en niet maar dwang dien dienst bewerkt, noch slechts uitwendigheid daarbij heerscht".

5) Hand. 4:32. 6) Over het woord „hebben" in de uitdrukking „en hadden alle dingen gemeen" (Hand. 2:44) schrijft Zahn (Aposlelgeschichte, I, p. 139) : „Ohne dass sxsiv hier gerade zu gleichbedeutend mit fiysïad'ai, der Aoyi isa^ai gebraucht oder als Latinismus für habere zu beurteilen ware, nahert es sich doch dieser Bedeutung, drückt aber deutUcher als jene Begriffe aus, dass es sich dabei nicht um eine theoretische Beurteilung sondern zugleich um eine praktische Betatigung solcher Betrachtungs weise handelte". Dat hier van geen communisme sprake is blijkt uit het volgende:

lo. de uitdrukking „ze hadden alle dingen gemeen" in bovengenoemde beteekenis zou een zeer wazige uitdrukking zijn voor de invoering van goederen-gemeenschap. 2o. uit het „alle n" is niets te concludeeren. In vers 44 is allen: alle geloovigen. Het „zij" uit vers 45 omvat alleen de bezitters van landerijen en goederen en het allen uit vers 45 doelt alleen op degenen aan wie uitgedeeld werd. 3o. in het „zij verkochten" ligt opgesloten, volgens den Griekschen woordvorm, dat men met het verkoopen doorging. Er was dus niet een communiseering der goederen. Wanneer er nood was verkocht men wat enz. Dat KON alleen als er bezitters bleven, dat MOEST alleen als er armen bleven. Beide zou bij communisme uitgesloten zijn.

4o. Petrus zegt nadrukkelijk, dat het al of niet verkoopen van een bezitting aan ieders vrije beslissing werd overgelaten. Hand. 5:4: oo het gebleven was, bleef het niet uwe, en verkocht zijnde was het niet in uwe macht? 5o. Als de gemeente reeds geruimen tijd bestaat heeft Maria, de moeder van Johannes nog een eigen huis in Jeruzalem (Hand. 12:12).

7) Er hier en boven op wijzende, dat ook de kern van het werk der diakenen is „dienst des Woords" bedoel ik naar voren te brengen de gedachte, dat ten sotte de kern van allen arbeid van alle drie soorten ambtsdragers (herder-en-leeraar, ouderling en diaken) is het brengen van het Woord.

Deze gedachte houdt verband met de overtuiging, dat de ééne, ongedeelde Christus in elk van de drie bijzondere ambtsdragers komt en werkt, geheel en volledig. In het herder-en-leeraar-ambt moge het profetische domineeren; de aanbieding van genade is priesterlijk, het bedienen der sleutelmacht koninklijk.

In het diaken-ambt is het geven priesterlijk, maar de boodschap van Christus die er in meekomt is profetisch en het vragen, ja, eischen der gaven van de gemeente is koninklijk.

Deze opvatting is geen nieuwigheid. Men leze van Dr A. Kuyper Sr het volgende („De Heraut", No. 579, 27-l-'89):

„Wil men nu, dan bestaat er zeer zeker tusschen de drie kerkelijke functiën (herder-en-leeraar, ouderling, diaken — C. V.) en de drie takken van 't geestelijk ambt (profeet, priester, koning — C. V.) zeker verband, in zooverre Christus zich voor de bediening van zijnprofetisch ambt meer bijzonder van de Dienaren; voor zijn p r i e s- t e r I ij k ambt meer bijzonder van de Diakenen; en voor zijn koninklijk regeerambt meer bijzonder van de Ouderlingen bedient; maar toch is deze onderscheiding verrt van stipt doorgaande, WANT FEITELIJK IS ER IN ELK VAN DEZE DRIE FUNCTIËN IETS VAN ELK DEZER DRIE GEESTELIJKE AMBTEN". (Laatste onderstreeping van mij — C. V.)

Hetzelfde vindt men bij Ds R. J. W. Rudolph in zijn rede: „Diaconale Philantropie of Diaconale Armenzorg", Hilversum, J. A. Witzel. Daarin schrijft hij: .

„Ten tweede stel ik voor, om de stelling prijs te geven, dat het leeraarsambt voortvloeit uit het Profetisch, het ouderlingenambt uit het Koninklijk, en het Diakenambt uit het Hoogepriesterlijk ambt van Christus. Deze stelling is o. i. onhoudbaar, en kan tot verkeerde gevolgtrekkingen aanleiding geven.

Want ten eerste is het volstrekt niet waar, dat het leeraarsambt voortvloeit enkel en alleen uit het Profetisch ambt van den Christus. Het leeraarsambt vloeit voort uit het Middelaarsambt, en derhalve zoowel uit het Koninklijk en Hoogepriesterlijk als uit het Profetisch ambt van den Middelaar".

Precies hetzelfde geldt ook, volgens Ds Rudolph van het ouderlingen- en diakenenambt.

Tot de eenheid en ondeelbaarheid van het drieeenige ambtswerk ook in de diensten van Dienaar des Woords, Ouderling en Diaken komt ook, zij het op een andere wijze. Ds J. C. Sikkel.

In zijn bekende stellingen, verdedigd op de Provinciale Diakonale Conferentie van Zuid-Holland in 1890 typeert hij gansch den dienst der Kerk als „dienst der barmhartigheid" en schrijft dan het volgende in de 12de stelling:

„De ROEPING DER KERK IN DE BESTRIJDING DER ELLENDE is drieërlei, daar zij de geestelijke, zedelijke en stoffelijke ellende moet te keer gaan; gelijk ook de zalving Christi een drievoudige is.

Als Profeet deelt Hij aan dwazen wijsheid mee; als Koning brengt Hij alles onder Gods ordinantie; als Priester verzoent en reinigt en troost en zegent Hij. Toch zijn deze drie ambten een, en gaat Hij alle ellende tegen door Zijn ééne drievoudige ambt als de Christus. Zoo strijdt ook de Kerk niet door drie ambten, maar i n drieërlei opzicht; GEHEEL HAAR DIENST IS BEDIENING DER- BARMHARTIQHEID. Zij bestrijdt de geestelijke ellende door de prediking des Woords en onderwijzing; de zedelijke ellende door tucht, regeering en vermaning; de 1 i c h a m e 1 ij k e en s t o f f e 1 ij k ellende door het helpen der armen".' (Alle spatiëeringen zijn van Ds Sikkel zelf.) Vgl.: Diaconaal Handboek; p. 38 v.v.

Nog weer anders is de opvatting van Ds S. G. de Graaf: In zijn: KERK en kerk, lezen we het volgende: „Inderdaad is Christus het Hoofd der Zijnen, als aller vertegenwoordiger, profeet, priester en koning, opdat Hij aan allen die ambten zou terugschenken. Bovendien is Hij echter „uit het volk verhoogd", om ook over Zijn volk koning te zijn. Hoe zouden anders de ambtsdragers. Zijn gezanten, Zijn gedelegeerden (2 Cor. 5:20) zijn? Met dat koningschap van Christus staat dan het ambt in de kerk in verband. Dat ambt vloeit niet voort uit het drieërlei ambt van Christus als den tweeden Adam. Uit dat laatste vloeit wel voort het ambt der geloovig'en. Daarvan moet echter onderscheiden worden het kerkelijk ambt, dat met die bijzondere verhooging van Christus in verband staat". Zie: Het W o o r d G o d s e n d e K e r k, p. 56.

Het is de vraag of deze isoleering van één ambtelijke functie (de koninklijke) houdbaar is. De bijzondere ver- 1 ooging raakt ook Christus' profetisch en priesterlijk ambt. Als den Christus, den tot het drieërlei ambt Gezalfde, is Hij verhoogd en werkt Hij nu door den drievoudigen „dienst" in de Kerk. Op bovenstaande wijze wordt bovendien wel het gezag, waarmee de drie bijzondere ambten werken, gefundeerd, maar niet hun arbeid zelf getypeerd.

De vraag naar de verhouding van algemeen en bizon d e r ambt en hun verband met den Christus„hlijft nog aan de orde. Dr Kuyper ging eenmaal zelfs zoo ver met te

beweren, dat de bizondere „ambten" eigenlijk geen ambten zijn. Ambt was alleen het ambt der geloovigen. „Elk kerkelijk ambtsdrager is niets dan een behulpsel, waarvan Christus zich bedient, om, daar hij i n d e n h e m e 1 en wij op aarde zijn, het Woord der Heilige Schrift dat hij ons achterliet, zijn effect te doen hebben in zijn kerk. (Men lette er weer op: het gaat om het Woord. — C. V.) Ambten in eigenlijken zin bekleeden deze personen dus niet". „De Heraut", 579.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 21 oktober 1938

De Reformatie | 8 Pagina's

HOOFDARTIKEL

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 21 oktober 1938

De Reformatie | 8 Pagina's