GeheugenvandeVU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van GeheugenvandeVU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van GeheugenvandeVU.

Bekijk het origineel

„Met vergenoeging”

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

„Met vergenoeging”

10 minuten leestijd

Doch de godzaligheid is een groot gewin met vergenoeging. 1 Tim. 6 : 6.

Ga dan heen, zoo roept de Prediker ons toe, eet uw brood met vreugde, en drink uwen wijn van goeder harte; want God heeft aireede een behagen aan uw werken."

En dit_ zegt de Prediker niet ééns, maar daar komt hij telkens op terug. jDe mensch heeft niets beters onder de zon, dan te eten en te drinken en blijde te zijn, want dat zal hem aankleven voor zijnen arbeid, de dagen zijns levens, die hem God geeft onder de zon."

Aan die uitspraak ergert zich en stoot zich menig geestelijk aangelegd vrome, zoowel onder de Modernen als onder de Orthodoxen, al spreekt menig orthodox vrome het, uit eerbied voor de Schrift, niet zoo openlijk uit.

Wat Jezus riep: »Zoekt eerst het Koninkrijk Gods en zijn gerechtigheid, en al deze dingen zullen u toegeworpen worden, " dat spreekt het hart, dat God zoekt, toe; maar niet die in den grond zinnelijke levensopvatting, die in eten en drinken opgaat.

En natuurlijk, ware dit de zin en de bedoeling van wat de Prediker zegt, dan zou elk kind van God den Prediker moeten tegenstaan, en moest heel dat boek de Schrift uit.

Maar zoo is de zin van den Prediker volstrekt niet.

Wat de Prediker op het oog heeft is heel iets anders, en iets wat vooral wij, Nederlandsche Christenen, zoo recht goed kunnen verstaan.

Hij is menschenkenner, diep is de blik dien hij sloeg ift het menschelijk hart, en nu zag hij bij anderen, en ervoer aan zich zelf, hoe ons hart er toe neigt, om wat ons deel in dit leven is, het ons geschonken lot, het ons toevertrouwd talent niet te achten, en de iiand al gedurig uit te steken naar wat meerder, en hooger en ongewoner is.

Hij had het opgemerkt, wat eindelooze schat van levensgeluk, die door God zijn menschenkinderen gegeven was, daardoor teloor gaat, en het is nu tegen dat moedwillig verwoesten van eigen levensgeluk bij breede klassen van het volk, dat hij opkomt, een iegelijk toeroepende, dat hij toch schik zal hebben in het gewone, alledaagsche leven, en een oog zal krijgen voor den schat van levensgeluk, die in dat gewone leven inzit.

Zoo altoos thuis, zoo nooit afwisseling, zoo dat ordinaire leven, daar ziet elk opkomend jongman, elke opwassende jonge vrouw, o, zoo licht uit de hoogte op neer.

Daar is niets aan, dat verveelt, dat maakt dof en suf.

Neen, uit dat gewone moet men uit. Buitenshuis moet het gezocht. In het buitengewone. In wat extra, in wat niet alledaagsch is.

Zoo roept en dweept men. Tot ten slotte de buit dien men in dat buitengewone vindt, nog bitterder dan het alledaagsche teleurstelt. En men ten slotte, levensmoe, noch in het alledaagsche noch in het buitengewone meer smaak heeft.

Men had brood, men zocht pasteien.' En het eind is, dat pastei en brood beide walging wekken.

En tegen die door en door ongezonde levensopvatting komt de Prediker nu op, en roept ons toe, dat juist in het gewone, in het ordinaire, in het alledaagsche, in het huislijke leven, de eigenlijke zenuw voor ons levensgeluk moet worden gezocht, en dat het tegen Gods ordinantie ingaat, en een miskennen van zijn liefde in het alledaagsche leven is, zoo de broodkruimels van het huislijk samenzijn ons steken.

En daarom nu zegt hij:

„Ga dan henen, eet uw brood met vreugde, en drink uwen wijn van goeder harte; want God heeft alreeds een behagen aan uwe werken. Laat uwe kleederen te allen tijde wit zijn, en laat op uw hoofd geene olie ontbreken. Geniet het leven met de vrouwe, die gij liefhebt, alle de dagen uws ijdelen levens, welke God u gegeven heeft onder de zon, alle uwe ijdele dagen; want dit is uw deel in dit leven, en van uwen arbeid, dien gij arbeidt onder de zon. Alles, wat uwe hand vindt om te doen, doe dat met uwe macht."

En hierop nu zegt nog al wie recht den band van natuur en genade verstaat, van heeler harte Amen.

Elke andere beschouwing van het leven is zoo wreed, en maakt Gods Voorzienig bestel op zoo stuitende wijze te schande.

Of is het niet een waarheid, waarop niets af te dingen valt, dat de millioenen en nogmaals millioenen onder de kinderen der menschen niets anders dan dat gewone leven hebben, heel hun leven lang in die zeer gewone verhoudingen en zeer gewone bezigheden opgaan, en aan dat extraordinaire nooit toekomen, ja, zelfs niet denken kunnen.

En indien nu, waarlijk, dat gewone, stille, huislijke, alledaagsche leven zoo arm, zoo dor, zoo onverkwikkelijk voor ons hart, en zoo leeg aan levensgeluk was, waar bleef dan de Voorzienigheid uws Gods, die toch juist dit, en geen ander, lot voor negentig honderdsten van zijn menschenkinderen besteld en bestemd heeft?

En als gij, door uw sniaden van dat gewone en stille en zeer alledaagsche leven, den smaak om er in te genieten bij anderen bederft, zijt ge dan niet wreed, wreed op ergerlijke wijze, daar ge toch volkomen onmachtig zijt, om aan die millioenen en millioenen een ander, een hooger geluk in de plaats te geven?

En als dan de Prediker, weer zin en smaak voor dat stil en alledaagsch en huiselijk geluk poogt te wekken, herkent ge dan in hem niet den Prediker van het Woord zijns Gods, die wat God in dat gewone leven aan levensgeluk besloot, ook voor u weer poogt te ontsluiten?

»De godzaligheid is een groot gewin metvergenocgi7ig'\ betuigt de apostel aan Timotheus.

Let wel op dat woord »vergenoeging". Evenals het woord «genoegen" in iets hebben, komt het van genoeg. JSIiet alleen in onze taal, maar ook in de grondtaal der Heilige Schrift.

Wie sgenoeg" heeft, die is ^vergenoegd", en smaakt »genoegen."

En die s vergenoeging" brengt u de godzaligheid daardoor, dat ze u gelooven doet, dat God uw levenslot bepaalde, dat de levenskring waarin ge leeft. Zijn maaksel is, dat de arbeid waaraan ge arbeidt, de van Hem u gegeven roeping is, en dat er alzoo in deze uw existentie, omdat God ze u zoo toebedeelde, genoeg voor uw hart moet schuilen, als uw hart het er maar weet uit te halen.

Wie altoos iets anders zoekt dan hij heeft, een ander huis wil hebben dan waarin hij woont, een ander kleed dan wat hij draagt, een ander beroep dan waarin hij arbeidt, een anderen kring dan waarin God hem geplaatst heeft, die voelt in zijn haü ten slotte weerzin tegen dat huis, dat kleed, dat beroep, dien levenskring. ' Die wordt er gemelijk en wrevelig tegen. Die is buiten staat dit alles te waardeeren, en buiten machte, om er het "betrekkelijk goede uit te halen. Hij haalt er gif uit, en kan er geen honig _ uit puren, omdat hij altemaal distelen om zich heen ziet, en nergens bloemen.

Maar wie er omgekeerd tegenover gaat staan, wie denkt en weet: Dat is nu het leven waaruit ik te leven heb, dat zijn de personen uit wie ik mijn kring moet vormen, dat is het huis waarin ik gelukkig moet zijn, dat is de arbeid waarin ik mijn schik moet vinden, — die trekt zijn oog van het andere en meerdere af, trekt zijn blik samen op wat hij heeft, en ontdekt nu allengs, hoe er een schat, een altoos grooter wordende schat in dat gewone leven schuilt, dien God er in besloot, maar dien hij er niet in zag.

Vooral wij, Nederlandsche Christenen, kunnen dat verstaan, omdat het ons bovenal gegeven is geworden, om die kostelijke gave van het stille gewone burgerleven tot zeldzaam hooge ontwikkeling te brengen.

Juist in den bloeitijd van ons geestelijk leven, toen het Calvinisme den toon aangaf, heeft ons Christenvolk zich niet vergaapt aan vreemde of buitengewone dingen, maar er zich op toegelegd, om het huislijk leven, het gewone beroep, den alle laagschen arbeid, de gansch ordinaire levenskringen, zoo rijk mogelijk te ontwikkelen, er smaak en zin voor aan te kweeken, en over te vloeien van lof en dank voor den ongemeenen schat van stoffelijk en geestelijk geluk beide, die juist in dat gewoon menschelijk leven te vin; den was.

Zelfs vreemdeHngen hebben daarom het leven onzer vaderen bewonderd, dichters hebben het bezongen, en kunstenaars hebben het in onzen landaard geroemd, hoe juist het Calvinisme het aanzijn gaf aan die heerlijke, nog heel de wereld door beroemde schilderschool, die meest altijd dat ordinaire leven afschilderde, en er de uitdrukking in toovcrde van rijke vergenoegdheid en innerlijken schik.

En dat nu de Prediker daarbij telkens het eten en drinken op den voorgrond schuift, is geen feil, maar moet zoo zijn.

Want »eten en drinken" dat is de huislijke maaltijd., en die huislijke maaltijd, vooral het middagmaal, is metterdaad de kroon van het hidselijk leven. Dan komen allen saam. Sadm geniet men in elkanders bijzijn. Men voelt zich als één gezin. Men geniet de vrucht van aller gemeenschappelijken arbeid. Saim looft en dankt, sa^m bidt en smeekt men. En door dat saim genieten gesterkt, keert een ieder weer tot de rijke taak van het gewone leven terug.

En doet nu dat zoeken van »vergenoeging" in het alledaagsche leven te kort aan den bloei van het geestelijke leven ?

Maar immers juist, toen die innerlijke svergenoeging" het kenmerk van onzen landaard was, .heeft hier het geestelijk leven het meest gebloeid.

Juist dat stille alledaagsche leven kweekt godsvrucht, en eerbaarheid, en houdt den jongen man in toom en teugel.

Het verstrooit minder, en doet de ziel meer tot zich zelve inkeeren. Door mindere uithuizigheid schept het tijd., én geeft het smaak in degelijke lectuur. Spreidt een waas van tevredenheid over alle huisgenooten. En geeft in die rustige sfeer juist wat noodig is voor een leven des gebeds.

Zelfs geven we niet toe, dat die overprikkelde geestelijke zin, die altoos geestelijke extra's zoekt, en buitenshuis het vrome najaagt, en geestelijk niets geniet, of er moet iets bijzonders bijkomen, hooger zou staan.

Integendeel, die uitheemsche geest is tuinder vroom. Hij leidt geestelijk tot overprikkeling, en maakt dat de gewone middelen, die God voor onze stichting verordineerd heeft, ons niet meer voldoen.

Ook geestelijk gaat men dan walgen van het gewone brood, en vraagt altoos om wat een spreekwoord noemt, »korstjes van pasteien".

Gezond, in de kern gezond, is alleen zulk een leven, waarin httgewoneonsgenoeg\s., tTi. daardoor heel het leven ons tot ééne rijke vergenoeging maakt.

Dan is er geluk en dan welt er dank uit het hart op. Dan is de doorgaande stemming van het hart Godverheerlijkend. En dan is er levensmoed en levenskracht om ook het kruis te dragen, dat elke dag ons oplegt.

En dan komen er ook wel dagen, dat we uit ons fmis naar onze loofhut gaan.

Maar toch altoos zoo, dat we, straks uit de loofhut in ons gewone huis teruggekeerd, weer voelen, weer beseffen, dat de loofhut goed voor enkele weken was, maar dat ons eigenlijk leven., en daarmee ons waarachtig levensgeluk toch door God verborgen is in ons gewone huis.

Als wij het in dat huis maar weten te vinden!

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 15 maart 1896

De Heraut | 4 Pagina's

„Met vergenoeging”

Bekijk de hele uitgave van zondag 15 maart 1896

De Heraut | 4 Pagina's