GeheugenvandeVU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van GeheugenvandeVU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van GeheugenvandeVU.

Bekijk het origineel

„Hij was veracht.”

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

„Hij was veracht.”

8 minuten leestijd

DE DEEDE LIJDENSWEEK.

Hij was veracht, en de onwaardigste onder de menschen, een man van smarten, en verzocht in krankheid; en een iegelijk was als verbergende het aangezicht voor hem. Hij was veracht, en wij hebben hem niet geacht. Jes. 53 : 3.

De Zone Gods heeft zichzelven vernietigd. Dit is het uitgangspunt. Hij was in de gestaltenisse Gods, en is tot ons gekomen in de gestaltenisse eens menschen. Het mysterie van de Vleeschwording.

In deze Vleeschwording heeft hij in de tweede plaats zichzelven vernederd. £r zijn er onder de kinderen der menschen die bekleed zijn met macht, met aardsche grootheid, met mogendheid. Doch dit alles liet de Christus in zijn menschwording varen. Geen andere kroon droeg hy dan de doornenkroon, en't zinnebeeld van zijn existentie was niet de kroon, maar het slavenkleed waarmee hij zich omgordde. Hij was gekomen, niet om gediend te worden, maar om te dienen.

En nu komt de derde trede in het afdalen. Hij heeft zich niet alleen vernietigd en vernederd, maar het zich ook laten opleggen, dat hij veracht werd.

Reeds de profetie had 't in haar beeld aldus geteekend. Jeuja had 't reeds TOOI eeawen

uitgeroepen: Hij is veracht, en wQ hebben hem niet geacht". En van den Taboi na de verheer-n IQking afdalende, had Jeioi self 't aan zijn a i 'ongeien betuigd: „Het cal geschieden, gelijk gddr iet geschreven is van den Zoon desMenschen, dat hy veel l^den zal, en veracht worden" (Maic. 9 : I3).

Aan verachting ten prooi zijn, is heel iets b anders dan zich vernederen. Wie als menschkw )dch onder menschen vernedert, bedoelt daarmee van de hoogste plaats in de wereld af te zien, en aan het innemen van een lagere plaats lust te hebben. Vernedering in dezen zin slaat op d de maatschappelijke positie die men bekleedt. In het maatschappelijke staat de koning het hoogst, de slaaf het laagst, en Jesus koos de slavengestalte, ook al wist hij dat hij de erfgenaam was van David, Israels grooten koning. Maar verachting is heel iets anders. Verachtin staat tegenover waardeering. Verachting is nie iets dat we zelf kiezen, maar dat ons aangedaan wordt door hen in wier midden we optreden, ïij, in wier midden we verkeeren, vormen zich over ons een oordeel. Dat oordeel kan er toe leiden, dat we hoog in hun schatting komen te staan, en dan eerenzeons. Maar dat oordeel kan ook zijn, dat we hun onverschillig blijven, of dat ze zelfs tegen ons partij kiezen, en dan loopt 't uit in verachting. Hij, wien dat treft, voelt dan dat hij in zijn wezenlijke waarde en beteekenis miskend wordt. Dat h^ wordt onderschat beneden billijke waardeering. Dat zijn bedoeUngen, verkeerd en omgekeerd dan ze zijn, worden verstaan. En dat, waar bij om sichzdfs wille of om zijn zaaks wille op achting en waardeering van zijn volk en omgeving prijs zou stellen, in stee biervan hem slechts minachting en verachting ten deel valt.

Veracht te wezen, waar men weet op waardeering en eere volle recht te hebben, is een lijden, en als het aanhoudt, kan het de ziel zoo bang en diep neerdrukken, dat se er onder bezwijkt. Hoe vaak is niet in zelfmoord uit die zielsbenauwing redding gezocht. Lees er daarom niet overheen, zoo de Schrift het u voorhoudt, hoe ook die bittere verachting een der stukken is geworden van het lijden, dat de Christus van het begin zijner menschwording tot op het Kruis gedragen heeft. We spreken hier met opzet van het bitter einde aan het Kruis, omdat mede in dit sterven niet met het zwaard, maar aan een kruis, uitdrukkbg lag van de verachting die zelfs zijn rechter hem toedroeg.

Iemands eere is naar zijn roeping en levenstaak, en naar gelijken maatstaf is zijn verachting. In een zijner kinderzangen liet Van Alphen zijn kleine lezers zingen: „Och, was Jezus nog op aarde, 'k ging aanstonds naar Jezus heen". Een zoo begrijpelijke kindergedachte. Maar denk de gedachte nu in, dat werkelijk het gerucht op eenmaal heel de wereld over werd geseind, dat de Caristus in dat bepaalde land en in die stad verschenen was, en immeti heel de wereld door, zoover er belijdenis van zijn heiligen naam was, sou 't één drijven en jagen zijn, om naar die alzoo geheiligde plek zich heen te spoeden. E; n heilige hartstocht om aan Christus de hoogste eer toe te brengen, zou in aller hart opwiüten. Men zou niet weten wat men doen zon, om aan de hulde en aan het eerebieden aan Jezus deel te mogen erlangen. Een geheiligde onrust zou zich van hetl de wereld meester maken. Zangers zouden van hem zingen, de tong der welsprekendheid zou zijn lof verkonden, men zou alles uitdenken, ailles verzinnen om dan toch maar niets aan de hulde, de vereering en de aanbidding van den Christus te laten ontbreken. Van allen kant zou zich van de geloovigen de indruk meester maken, dat al wat liefde, toewijding en dienstbetoon aan een kind des menschen kan toebrengen, boven alle kind des menschen aan Jezus moest worden toegebracht. De eere der Vorsten zou bij de eere die Jezus ten deel viel, geheel verbleeken, en Keizers en Koningen zouden met de geringsten der aarde wedijveren om alle ^en eer aan de voeten van Jezus af te leggen. En nog zou ieder gevoelen, dat men te kort schoot in voldoening aan den drang des harten, om onzen van God gezalfden Profeet, Hoc^epriester en Koning de eere en hulde toe te brengen, die in Efrata's velden nog alleen de Serafijnen Hem hadden opgedragen, toen't al op aarde nog zweeg.

En die hulde-en die eere-biedinge zou in niets te veel, zou veeleer nog te weinig zijner waardig zijn, want hoe hoog ook de eere* verheffing in onze menschelijke ziel gaan moge, nooit zal ze ook maar van verre reiken aan het peil der genade, waartoe onze Goddelijke Redder het heil voor ons heeft opgevoerd.

Vergelijk hier nu mede, wat 't lot was dat Jezus ten deel viel, die drie en dertig jaren lang dat hij op deze aarde verkeerd heeft. Toen was op urde in Jezus te aanschouwen, wat we ons nu nauwelijks kunnen voorstellen, dat ooit weer alzoo onder ons wezen zal; en waar was toen de hulde, de eere, de aanbidding die, we ze^en niet een enkele ziel, neen, maar die de wereld, die ons geslacht en die de mecschheid, die de koningen der aarde aan Jezus gebracht hebben? Was Jezus begrepen, was Jezus gekend, werd hij verstaan en gewaardeerd, was er één golvende strooming in al wat leefde naar Jezus toe? Lees en herlees de Evangeliën, en ge ziet 't immers voor oogen, van dat alles gold het tegendeel. Er waren poedsche oogenblikken, als de schare om hem saamschoolde in Galilea; er waren oogenblikken van roerende dankbaarheid, als een blinde zag of een lamme op eens liep; er waren oogenblikken van diepen ernst, als Jezus de zonde vergaf; maar van hulde, van eerebrenging, van aanbidding kwam alleen op Tabor het heerlijk visioen getuigen. Het is zoo, het Hosanna heeft weerklonken, maar hoe schier plotseling sloeg het niet in 't „Kruist hem" om.

Hij was veracht., ., en schier niemand voelde het voor Jezus. Zelfs eerst zijn apostelen niet. Een eere en hulde, met zijn innerlijke waardij en met zijn beteekenis voor heel de wereld overeenkomend, heeft op aarde nietééa enkel kind des menschen hem geboden, 't Hoogste was dat in hem de Messias begroet werd, maar de meesten zonder te verstaan wat in dat woord Messias lag. En dit was dan nog van ceer enkelen. Een Johannes die aan zijn borst aanlag; een Petrus die uitriep: „Heere, tot wien zouden we heengaan. Gij hebt de woorden des eeuwigen levens"; een vrouw die de zoom van zijn kleed kuste. En daaromheen een breede schare van zoekende zielen, die hem eerst volgden en dan weer afvielen. Nog iets verderop een andere schare, die hem wel steenigen wilde. En aan den zelfkant daarbuiten de Pharizeërs, die hem haatten, de spotters die hem belasterden, de naar bloed dorstenden die om z^n kruis riepen, en onder dat alles saar voren dringende een Heiodes, een Cajaphat, een Pilatus.

En thans?

Gaat 't niet nog zoo? Tot in zijn kerk dch r oemende predikers van zijn Evangelie die j t(Üngen op zijn Godheid; waanwezen van alle ading, die in hem niet anders kunnen zien d an den Rabbi van Nazaxeth; geestelijk verwaasden, die zich met bun b«gripsveizinsel of eeds boven Jezus durven stellen; en in steeds reeder kring alle geloof aan sQn hooge heromst, aan ^n hemdschea oorsprong, aan zijn onderdaden, aan de beteekenis van zijn kruisdood verzaakt.

En onder dat alles, in tal van kringen, op ie armen van geest, die 't nog voor bun Jezus durven opnemen, van giftige lippen 't gif gesprenkeld van diezelfde verachting, die eens over onzen Heiland is uitgegoten.

Ze hebben mij gesmaad, ze zullen u smaden.

Zoo sprak hij in profetische aandrift, en nog steeds g wordt zijn profetie vervuld.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 10 maart 1912

De Heraut | 4 Pagina's

„Hij was veracht.”

Bekijk de hele uitgave van zondag 10 maart 1912

De Heraut | 4 Pagina's