GeheugenvandeVU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van GeheugenvandeVU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van GeheugenvandeVU.

Bekijk het origineel

Genadeverbond en zelfonderzoek.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Genadeverbond en zelfonderzoek.

9 minuten leestijd

XX.

Zoo blijft dus als eenige tekst uit het Nieuwe Testament, waarop de voorstanders der volkskerk zich met eenigen schijn van recht beroepen kunnen, het doopbevel van Christus in Matth. 28 : 19 : e A m H z

„Gaat heen, onderwijst al de volken, hen doopende in den naam des Vaders en des Zoons en des Heiligen Geestes, leerende hen onderhouden alles wat Ik u geboden heb".

Om dit bewijs nog sterker te maken d wijst men er op, dat onze vertaling minder w juist is. Het woord, dat onze overzetters d hebben weergegeven door onderwijst be l teekent eigenlijk: aakt toi mijne discipe­ G len. Het oorspronkelijke woord matheteuein d van mathetes discipel afgeleid, komt in het u Nieuwe Testament slechts viermaal voor, drie maal bij Mattheus en eenmaal in de Handelingen der Apostelen. Tweemaal hebben onze Statenvcrtalers het letterlijk weergegeven door tot discipelen maken of discipel zijn; zoo in Matth. 27:57 waar van Jozef van Arimathea gezegd wordt, dat hij „een discipel van Jezus was", en Hand. 14; 31 waar staat dat „de apostelen in die stad het evangelie verkondigd en vele discipelen gemaakt hebben". Op beide plaat; ; en zou de vertaling onderwijzen geen zin hebben gehad. En ook op de derde plaats Matth. 13 : 52, waar onze overzetters het woord onderwijzen gebruiken, verdient de vertaling tot discipel gemaakt, toch de voorkeur. Er is daar sprake van den schriftgeleerde, die uit zijn schat oude en nieuwe dingen te voorschijn brengt, nadat hij eerst onderwezen of liever een discipel geworden is van het Koninkrijk der hemelen.

De juistheid dezer opmerking wordt voetstoots toegegeven. Reeds onze oude Gereformeerde exegeten hebben dezelfde opmerking gemaakt, en alle nieuwe uitleggers zijn het hiermede eens. Onze Staten-overzetters, die zich aan de Vulgata aansloten, waren hier minder nauwkeurig. Er staat letterlijk: Gaat henen, maakt alle volkeren tot mijne discipelen.

Geheel anders echter staat het met de exegese, die de voorstanders der volkskerk hieraan verbinden. Volgens hen zou Chris tus hier aan zijn Apostelen bevelen, niet om degenen, die door de prediking tot geloof gekomen zijn, te doopen, laAU omdcvolkenin hun geheel, als eenheid gedacht, tot zijn discipelen te maken, te kerstenen. Dit ker' stenen van de volken zou dan moeten ge schieden door de volken eerst massaal te doopea (hen doopende) om daarna deze gedoopte volken te onderwijzen in de Chris telijke religie (hen leerende alles te onder houden). De volgorde zou dus niet deze zijn, dat de volken eersi onderwezen moestea worden in de Christelijke religie en daarna gedoopt, maar juist omgekeerd. De doop zou voorop moeten gaan om het volk te kerstenen, en daarna zou de onderwijzing moeten volgen. Voor die opvatting meen en ze nog te meer steun te vinden in het feit, dat in verschillende oude hand' schrif'en van het N. Testament niet staat hen doopende en hen leerende, als twee gelij ktijiige handelingen, die gecoördineerd zijn, maar hen gedoopt hebbende (baptisantcs) zoO' dat de doop hier uitdrukkelijk voor het ieeren zou gesteld worden. Zoo vindt men dan ia dit doopsbevel heel de idee der volkskerk terug. Tot Christus moet ge bracht worden het volk als volk (maakt de volken tot mijne discipelen) en dit moet geschieden door eerst het geheelc volk te doopen en aldus in de Christelijke Kerk in te lijv^en, en daarna dat gedoopte volk te Ieeren Christus' geboden te onderhouden.

Is deze opvatting van het doopbevel juist, dan is de zaak metterdaad uitgemaakt. Wat de Koning der Kerk gebiedt moet onvoorwaardelijk worden gehoorzaamd. Voor Zijn woord zwicht alle tegenspraak. We kunnen dan ook volkomen begrijpen, hoe sterk de voorstanders der volkskerk met deze exegese wanen te staan.

Alleen, wie het zoo opvat, moet danook den moed hebben ronduit te verklaren, dat de Belijdenis onzer Kerk op dit punt feil gaat. Wanneer onze Geloofsbelijdenis, onze Catechismus en ons Doopformulier uitdrukkelijk zeggen, dat de doop alleen toekomt aan de geloovigen en hun zaad, dan is dit in strijd met het doopbevel. En elke Christelijke kerk, die bij haar zendingsarbeid onder de heidenen niet begint met alles te doopen, wat ten doop zich aanbiedt, maar eerst van den doopcandidaat een belijdenis des geloofs verlangt, handelt dan tegen het woord van Christus.

Ën dat niet alleen, maar ook de Apostelen van Christus zelf hebben van dit doopbevel dan niets begrepen. Niet éen hunner is met zulk een „volksdoop" begonnen, om daarna die gedoopten tot discipelen van Christus te maken door hen te onderwijzen. Noch in de Handelingen noch in de Brieven der Apostelen vindt men daarvan ook maar het geringste spoor. Ze beginnen juist omgekeerd met eerst te onderwijzen door de prediking des Evangelies. Voorzoover dat Evangelie wordt aangenomen, en men belijdt in Christus te gelooven, wordt de doop bediend. De geloovigen worden gedoopt met hun huisgezin. Van een „volksdoop" weet het Nieuwe Testament niet af. En de jammerlijke uit vlucht, die men gewoonlijk aanvoert, dat dit doopbevel niet voor de Apostelen gold, die zendingsarbeid te verrichten hadden onder heidensche volken, maar wel voor ons, die leven onder een gekerstend volk, stuit af op de duidelijke woorden van Christus. Hij .«preekt niet tot ons in de eerste plaats, maar tot zijn Apostelen; Hij gelast hen „de volken tot zijn discipelen te maken", dus te kerstenen, en als Hij hun beveelt den gedoopten te Ieeren alles te onderhouden „wat Ik u geboden heb", dan kan a z e t m o b it woord in strikten zin zelfs alleen van de postelen worden verstaan. Geen predikant eeft rechtstreeks van Christus deze geboen ontvangen. Alleen de Apostelen hebben ijn Woord met hun eigen oor beluisterd n het aan de Kerk aller eeuwen overgeleverd,

En wat nog erger is, niet alleen dé Apostelen hebben dan lijnrecht in strijd met Christus' bevel gehandeld, maar ook Hij zelf, die de Waarheid is, komt dan vm. zichzelf in tegenspraak. In Marcirs 16 : 15, jg zegt diezelfde Christus toch tot zijne disipelen: Gaat heen in de geheele wereld predikt het Evangelie aan alle creaturen! Wie geloofd zal hebben en gedoopt zal zijn, zal zalig worden". Voorop gaat hier dus het bevel om te prediken; daarna wordt gesproken over het geloof, dat door die prediking ontstaat; en eerst ia de laatste plaats komt de doop, die de belofte Gods aan den geloovige bezegelt. Precies de omgekeerde volgorde dus van wat men uit Matth. 28 meende te kunnen afleiden.

Hiermede is deze opvatting van Matth. 28 dan ook reeds voor goed veroordeeld. De Schrift kan niet met zichzelf in strijd zijn, Wie aan het doopbevel in Matth. 28 een bedoeling toeschrijft, die èn met de practijk der Apostelen èn met Christus' eigen woorden in onverzoenlijken strijd is, toont reed.s daarmede, dat deze opvatting niet deugt, Niet wij hebben onze meeningen en opvattingen aan de Schrift op te dringen, maar we hebben het Goddelijk gezag der Schrift ook daarin te handhaven, dat de Schrift zelf de Schrift ons verklaren moet.

We aarzelen daarom geen oogenblik met uit te spreken, dat deze exegese, die ten deele ook wel bij enkele latere Gereformeerde schrijvers zooals Gomarus e. a. gevonden wordt met het doel om het goed recht van den kinderdoop tegenover de Doopsgezinden te handhaven, niet deugt. Wanneer de Anabaptisten op grond van Mare. 16 : 15, 16 volhielden, dat de kinderdoop ongeoorloofd was, omdat aan den doop prediking en geloof vooraf moeten gaan, beriepen deze polemisten zich op het doopbevel in Matth. 28, omdat daar juist omgekéferd staat: oopt eerst en onderwijst daarna de gedoopten. Toch voelt ieder wel, waarom deze verklaring niet deugt. Indien dat de regel is voor den doop, dan geldt die regel niet alleen voor de kinderen, maar evengoed voor de volwassenen. In Matth, 28 wordt toch niet van den kinderdoop maar van den doop in het algemeen gesproken. En waar alle Gereformeerden bij de volwassenen erkennen, dat aan den doop onderwijzing vooraf moet gaan, kan het doopbevel niet aldus worden verklaard. De polemiek leidde hier tot een valsche exegese. Het goed recht van den kinderdoop steunt niet op Matth, 2'8, waar over den kinderdoop niet gesproken wordt, maar op geheel andere gronden, Calvijn, die veel te nuchter en te gezond exegeet was, om zich met dergelijke uitvluchten te behelpen, wil van deze opvatting dan ook niets weten. „Christus beveelt hier te doopen, zegt hij, die onder het Evangelie zich hebben gevoegd, en beleden hebben, dat ze Christus discipelen zijn", waarbij hij verwijst naar Mare. 16:16. En het goed recht van den kinderdoop leidt hij daarna af niet uit de volgorde: oopen en onderwijzen, of uit het bevel om de volkeren te doopen in hun geheel, maar uit de belofte des verbonds aan Abraham geschied; een belufte die niet alleen Abraham en zijn zaad gold, maar ook het zaad van hen „die door het geloof in de Kerk zijn ingelijfd."

Ds beste uitleggers uit onzen tijd verwerpen deze uitlegging dan ook eenparig. STRACK en ZÖCKLER in hna Ktirzgefassier Kommentar 1897 p, 207, merken terecht op : „^anxlaavx^s, als Aoristus naast het praesens öiödaxovrsg wijst aan, dat het doopen een handeling is, die slechts éénmaal geschieden kan, terwijl het/i? ^r«« een voortdurende handeling is. De volgorde der beide deelwoorden gebiedt volstrekt niet den aanvang met den doop te maken. De doop wordt hier alleen als een door Christus verordende instelling voorgesteld". Evenzoo schrijft TH. ZAHN in zijn Kommentar zuk Neuen Testament, Das Evang, des Matthaeus, 1903, p. 712: het behoefde hier niet uitdrukkelijk gezegd te worden, dat de prediking van het Evangelie het wezenlijkste middel is om iemand tot een discipel van Christus te .maken". Daaruit verklaart hij, dat Christus hier niet afzonderlijk over de prediking, die aan den doop vooraf gaat, sprak. Ook DR. PAUL SCHANZ, Commentar über das Ev. des h. Matthdus 1879, een roomsche exegeet, wiens oordeel hier te meer waarde heeft, omdat de Roomsche Kerk een heel andere opvatting van den doop heeft, verklaart op p. 558: Over dea modus quo, de wijze waarop de doop bediend moet worden, zegt Christus hier niets; alleen wordt de doop als conditio sine qua non hier voorgesteld. Ma-d ritst siv beteekent hier evenals in Matth. 13 : 52 en Act. 14 : 21 tot discipel maken, wat een voorafgaand onderwijzen (Mc. ï6 : 15) veronderstelt".

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 10 maart 1907

De Heraut | 4 Pagina's

Genadeverbond en zelfonderzoek.

Bekijk de hele uitgave van zondag 10 maart 1907

De Heraut | 4 Pagina's