GeheugenvandeVU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van GeheugenvandeVU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van GeheugenvandeVU.

Bekijk het origineel

POPULAIR-WETEN-SCHAPPELIJKE SCHETSEN

Bekijk het origineel

Bladeren
+ Meer informatie

POPULAIR-WETEN-SCHAPPELIJKE SCHETSEN

7 minuten leestijd

„Het Proces tegen Jezus van Nazaretb".

I.

„Voor liet Sanhedrin".

Over het proces tegen den Heiland is reeds zeer veel gesclxreven. Van alle zijden, door tlieologen en juristen, door Joden en Christenen, is het aan een onderzoek onderworpen geweest. Wij Wi)len dit onderzoek niet in iden breede volgen, hoe belangwekkend dat ook moge zijn. Het is ons er alleen om te doen om, bij het licht van het evangelie zelf, eenig inzicht te krijgen in wat er geschied is. Het spreekt weer vanzelf, dat allereerst de Schrift zelf haar gezaghebbend woord moet spreken. Zij zelf zal haar minder begrijpelijke uitspraken moeten toelichten met meer duidelijke.

Het blijkt dan wel uit wat de evangelisten ons meedeelen, dat de Joodsche autoriteiten getracht hebben den Heiland aan te klagen van en te veroordeelen voor staatsgevaarlijke practijken; als iemand, die het volk lOpruit en aanspoort de belastingen niet op te brengen; als iemand, die het zolfs waagde, plannen voor een opstand te beramen en in een beginstadium van uitvoering te brengen.

Na de arrestatie in Gethsemané is de Heiland geleid voor Annas. Dit voor-verhoor blijkt erop berekend te zijn eenig inzicht te ontvangen in des Nazareners bedoelingen en plannen. Annas kan tot zijn spijt niet de discipelen uitvragen over de plannen van hun Meester. "Wiant door Christus' ingrijpen konden zij in vrijheid heengaan. En daarom moet Annas wel den Heiland ondervragen. Maar daarop gaat Deze toch niet üi. Met nadruk laat Hij uitkomen, dat Hij niets te verbergen heeft: geen duistere bedoelingen heeft. Wianneer men iets tegen Hem wil beginnen, moet Annas maar getuigen laten komen. (Joh. 18:20). De beleediging Hem daarop aangedaan doet scherp het machtelooze van de situatie van Annas zien. Annas zendt Jeziis dan maar naar de zitting van het Sanhedrin, waar Kajafas het onderzoek verder leiden zal. Alle leden van den Raad zijn ijverig in de weer om beschuldigingen tegen Jezus te vinden. En hoewel er vele valsche getuigen aanwezig waren, konden zij toch geen aanklacht formuleeren, die bewijskrachtig was. (Matth. 26:59). Gelukkig waren er dan eindelijk twee valsche getuigen, die konden aantoonen, dat de Nazarener gezindheid bezat tot den opstand. Jezus zou toch beweerd hebben, in staat te zijn den Tempel in drie dagen op te bouwen, na hem zelf eerst te hebben afgebroken. Inderdaad, mdien Jezus dat zou gezegd hebben, dan zag het er bedenkelijk uit voor Hem. Het is toch de verdienste van Pickl, te hebben aangetoond, dat de tempel in de plannen van de Joodsche opstandelingen een zeer belangrijke rol speelde. Had men toch dezen in zijn macht, dan was de opstand aanvankelijk geslaagd'. Allereerst, omdat daar als het ware de Nationale B, ank van Israël was gevestigd en de krijgskas ©en welkome aanvulling kon ontvangen; en voorts, omdat de tempel er zich bij uitstek toe leende, om in een Vesting te worden hersdiapen. Dit is dan ook later wel gebleken bij de verwoesting van Jeruzalem in 70. Hadden dus beide valsche getuigen overeengestemd in hun verklaringen, dan was zonneklaar gebleken, dat de Nazarener terecht gearresteerd was. Dan was de Heiland gelijk Bar- Abbas een bende-aanvoerder geweest, die zijn volgelingen al bij voorbaat gerustgesteld had met de verzekering, dat Hij binnen den kortst mogelijkeii termijn alle schade aan deze tempel-vesting toe^ gebracht bij hun ondernemingen, zou herstellea En mocht het dan bij het onderzoek gebleken zijn, dat dat toch niet in de bedoelhig van den Nazarener gelegen had, om namelijk den Tempei te bezetten, dan had Hij toch door Zijn dubbelziniügif woorden onrust verwekt, als een valsch profeet het volk opgehitst. Dan was Hij', gelijk het Sanhedrin later tot den Stadhouder zeide, ©en verleider. (Matth. 27:63). Zeker, wamieer had kunnen aangetoond worden, dat de Nazarener rebellenaanvoerder was, dan had de Joodsche raad zijii

doel bereikt: een bruikbare aanklacht voor Pilatus om Jezus als oproerling met den rebellendood: •de kruisiging, te straffen.

Maar het loopt Kajafas zeldzaam tegen. Het is smartelijk voor hem, dat, naar dte Joodsche wet, hun getuigenis niet bewijskrachtig was. Jezus laat dan, door te zwijgen, des te duidelijker en te pijnlijker zien in wat voor impasse Zijn proces op deze wijze gekomen is. Het geding is op een dood punt gekomen.

Kajafas heeft echter nog meer pijlen op zijn boog. Wanneer hij Jezus niet kan veroordeeld krijgen op grond van overtreding tegen het 5e gebod van de wet des Heeren, dan wil hij dat zien te doen op grond van Godslastering, van zonde tegen het derde gebod. En gelijk Prof. Sahilder aange^ toond heeftj is dat voor den Heiland een overwinning met beving geweest („Christus in Zijn Lijden". II. 518/519 cf. 294 v.v.; 305—308). De vraag is nu, hoe het met de tweede aanklacht van Kajafas geloopen is. Allereerst is toch merkwaardig, dat de hoogepriester wist, dat Jezus zich aan godslastering schuldig gemaakt heeft. Voorts, dat hij voor deze aanklacht geen getuigen heeft laten komen. Volgens Zijn eigen woorden is dat ook totaal overbodig, omdat de Joodsche Raad de godslastering uit Christus' eigen mond gehoord heeft. Jezus moet dus op Kajafas' vraag (Matth. 26:63) in Zijn antwoord den God Israels gelasterd hebben en daar de rechters het zelf als getuigen gehoord hebben is het vonnis dnidclijk genoeg. Vooral is dan de vraag waarin dan toch deze zonde tegen het derde gebod gelegen was. Nu verdient alle aandacht o.i. een verklaring door Biornhauser gegeven in zijn: „Zum Petrus bekenntnis und zur Hohenpriesterfrage". Toetsing van zijn argumenten moeten wij overlaten aan de vakgeleerden.

Dat nu Kajafas Jezus kon ondervragen over de vraag of Hij inderdaad de zoon van den levenden God was, was hem mogelijk gemaakt door het verraad van — Judas! Judas to(5i had in den kring der twaalven gehoord hoe Jezus door Petrus en de anderen was aanvaard, niet alleen als Messias, maar ook in Zijn Messias-zijn, als Zoon van den levenden God. En dat hield nu niets minder in, dan dat Jezus aanvaardde de belijdenis van Petrus, dat Hij was de Zoon van Jahwe, van den Verbondsgod. En dat nu was naar Joodsche beschouwing godslasterlijk; wat met den dood gestraft moest worden. Vandaar dan ook, dat Jezus aan de twaalven verbiedt om hiervan ook maar één woord te reppen. (Matth. 16:15—17).

Wiant daardoor zouden zij een ontijdig einde gemaakt hebben aan Zijn optreden en Zijn dood verhaast hebben, menschelijkerwijs gesproken. Maar zie nu, in Joh. 6:66 v.v., waar deze zelfde Petrusbelijdeuis besproken wordt, wordt door Christus terstond gewezen op het feit, dat een van hen Hem verraden zou. (Joh. 6:70). De groote moeilijkheid bij de verklaring is nu steeds geweest hoe het verraad bij dit verhaal past in Joh. 6. Maar dat is nu duidelijk, indien kan aangetoond worden, dat Jezus Zich als Zoon van Jehovah heelt laten belijden door d'e Zijnen. Bij Johannes wordt dan het verlangen van Christus om dit vooralsnog strikt geheim te houden voorondersteld. Maar toch, zegt nu Johannes, heeft een van hen het geheim verraden! Waardoor zal deze dan den Heiland verraden? Hij zal verraden, dat Jezus de belijdenis van Petrus aanvaard heeft en daardoor een aanspraak deed' gelden, die als godslaste^ ring moest worden beschouwd en Hem des doods schuldig maakte. We willen een volgend maal dit trachten aan te toonen!

Maar vooropgesteld nu, dat het voorafgaande juist is, dan valt te verstaan van hoe geweldige beteekenis Jezus' antwoord op den eed van Kajafas geweest is. Dan belijdt Hij zelf voor de ooren van Israels rechters, van de „goden" (Psalm 82), dat Hij Zoon van J e h o v a h is. En dan is Zijn zwijgen op Kajafas' spreken: „Gij hebt Zijn godslastering gehoord" en op de uitspraak van Zijn rechters: „Hij is des doods schuldig" een welsprekende bevestiging geweest en een verzekering van Zijn zijde: „Ge hebt Mijn woorden goed begrepen. Wat gij godslastering noemt, daar maak Ik aanspraak op en als gij Mij daarvoor wilt dooden, dan wil Ik met Mijn dood deze aanspraak bevestigen".

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 5 februari 1937

De Reformatie | 8 Pagina's

POPULAIR-WETEN-SCHAPPELIJKE SCHETSEN

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 5 februari 1937

De Reformatie | 8 Pagina's

Bladeren