Vu cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Vu te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Vu.

Bekijk het origineel

Dr H. H. Kuypers jongste aanval op de Theologische School.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Dr H. H. Kuypers jongste aanval op de Theologische School.

87 minuten leestijd

De Theologische School heeft weer ©enen aanval van Dr H. H. Kuypor moeten verduren. In „De Heraut" van 10 Jan. j.l. en volgend© nummers richt hij, gelijk reeds zoo menigmaal in den tijd van bijna een© halve eeuw, zijn© vertoogen tegten haar, om het te "willen voorstellen, dat zijl principieel bestaansrecht mist. Toen hij den laatsten keer, in 1935, dat bestaansrecht bestreed, maar zijne argumenten daarna als ondeugdelijk en nietsteekhoudend aangewezen werden, bleef bij het antwoord schuldig, omdat, naar hij' schreef, polemiek zooveel mogelijk vermeden moest worden, overe©nkomstig oen bekend, destijids van Den Haag-West uitgegaan, verzoek. Maar hoewel nu de Synode te Amsterdam ©ene vermaning tegen onnoodige polemiek deed uitgaan tot de schriivers in d© Gereforme©rd© Kerken, heeft hij niettemin aanleiding genomen, biji ©ene artikelenreeks over „De Synode en de Professoren'', die tot zulk ©enen aanvai toch geen gereede aanleiding gaf, o^m de The^ ologische School als volgens Calvinistisch beginsel recht van bestaan ontberende voor te stellen, en haar daarmede in den voortduur van haar bestaan zoo mogelijk te treffen.

Hij doet dat opzettelijk. Dat schrijft hij zelf. „Het is niet zonder bedoeling, dat ik deze bij'zonderheden omtrent stichting, karakter en doel van deze Hoogeschool door Galvijn gesticht meedeel, zooals mijn lezers wel zullen begrijpen.. .. mijn doel was toch tegelijk om aaji te toonen, hoe niet ©©n kerkelijike opleidingsschool voor de a. s. Dienaren des Woords, maar alleen een Hoogeschool die alle vakken der wetenschap omvat, aan de beginselen van Galvijn voldoet". „De Hei'aut" van 24 Jan. j.l.

Welnu, laten er dan ook de conseqfuenties uit getrokken worden, di© er in liggen.

Wel zegt D'r H. H. Kuyper, dat bij niet ontkent het reöht der Kerk om, wanneer de nood h©t eischt, een© kerkelijke School te stichten, „en nog veel minder bedoelen we daarmede iets ten nadeele te zeggen van onze Theologische School, die veelszins tot eenen rijken zegen voor onze Kerken geweest is", „De Heraut'' van 10 Jan. j.l. Maar natuurlijk, dit laatste is weer ééne van die declaration©® actui oontrariae, d. i. betuigingen in strijd met het handelen, als er zoovele verklaringen, di© niet met de werkelijkheid overeenstemmen, reeds afgelegd zijn. Want het spreekt vanzelf, als een© kerkelijk© Opleidingsschool zooals de Theologisch© School, niet is „naar den eisch van het Galvinistisoh beginsel", en dat haar beginsel „niet in de Schrift gegrond" is en „in strijd (is) met heel d© historie van het Galvinisme'' en „te kort (doet) aan de hooge roeping om Christus' Ko^ ningsohap op heel het gebied der wetenschap t© handhaven", „D'e Heraut" van 10 Jan. j.l., dan moet de Theologische School zoo spoedig mogelijk opgeheven worden. En dat eigenlijk zelfs niet alleen nu ©n omdat de Vrije Universiteit er is. Maar dan had zijl ook nooit mogen worden opgoricht. En dan moet het zonde boeten, baar ook maar éénen dag langer in stand t© houden.

Nu redene©rt Dr' H. H. Kuyper bij deze bestrijding der Theologiscihe School weinig nauwkeurig en duidelijk, zooals we dadelijk zien kunnen, wanneer w© op enk©le uitspraken letten. In „De Heraut" van 10 Jan. j.l. schrijft hü': „Het „voor de Kerk door d© Kerk" is nooit bet beginsel van Galvijn noch van onze Gereformeerde Kerken geweest en kon dit ook niet zijn, omdat het juist in strijd is met de grondbeginselen door Galvijn ons geleerd en door hemzelf in practijk gebracht. Galvijn heeft te Geneve niet ©en kerkelijke School gesticht, maar een Hoogeschool, di© b©stemd was alle faculteiten t© omvatten en die school is opgericht juist niet door de Kerk, maar door de Overheid.... Eerst veel later.... hebben ook de Protestantsche Kerken noodgedwongen tot deze kerkelijke opleidingsscholen de toevlucht genomen. Maar naar den eisch van het Galvinistisob beginsel was dit niet, want dat beginsel eischt een Trniv©rsiteit, waar heel de wetenschap naar de Christelijke beginselen beoefend wordt.... (men had) nooit als beginsel mogen stellen, dat de theologische opleiding van de Kerk moet uitgaan. Zulk een begins©l toch is niet in de Schrift gegrond, het is in strijd met heel de historie van het Calvinisme en het doet te kort aan de hooge roeping om Christus' Koningschap op heel het gebied der wetensöhap te handhaven mijn doel was toch tegelijk aan te toonen, hoe niet ©en terk©lijke opleidingsschool voor de a.s. Dienaren des Woords, maar alleen een Hoogeschool, die ELII© vakken der wetenschap omvat, aan de beginselen van Galvijn voldoet". Dit laatst© citaat is uit i, De H©raut" van 24 Jam. j.l.

We zien het, zeer krasse termen ©n zware besehuldigingen.

In strijd met de grondbeginselen van Galvijn. Niet naar den eisch van het Calvinistisch beginsel. Niet in de Schrift gegrond. In strijd met heel d© historie van bet Calvinisme. Doet te kort aan de hooge roeping om Christus' Koningaohap op heel het gebied der wetenschap te handhaven. Voldoet niet aan de beginsel©n van Galvijn.

Het zou er inderdaad met de Theologisch© School slecht voorstaan, wanneer dit alles iets meer was dan krachttermen, en wanneer er eenig steekhoudend bevrijs voor all© deze booz© dingen geleverd was.

Maar aan zoodanig bewijs ontbreekt het in dez© „Herauf'-artikelen ten ©eneimial©.

Dat komt echter later ter sprake.

Maar de vraag is nu aan de orde, waarvan dit alles toch eigenlijk geldt ?

Zit het groot© kwaad daarin, dat d© K © r k © n eene Opleidingsschool oprichtten en onderhouden, en dat zij dat niet aan de Overheid hebben overgelaten, en die daartoe niet zochten te bewegen ?

Of is het, dat de Kerken geene stichtten ©n in stand houden ? Universiteit

Moesten we dus Overheidsopleidingsscholen hebben ?

Of moesten we kerkelijke Universiteiten hebben?

Het wordt uit deze woorden van Dr H. H. Kuyper niet duidelijk.

En hebben voorts — in verband met Dr H. H. Kuypers woord over het t© kort doen aan de hooge roeping om Christus' Koningschap op heel het gebied der wetenschap te handhaven — b.v. de mannen der Scheiding, die de Theologische School te Kampen oprichtten, dat gedaan uit het beginsel, en zeggende, dat Christus niet Koning is over de wetenschappen buiten de Theologie, zoodat deze dus niet in Zijnen dienst en naar Zijn Woord beoefend behoefden te worden, tot Zijne eer© ?

Of bebb©n zij' zich tot de Theologie beperkt, enkel omdat de middelen en mannen voor d© andere wetenschappen hun ontbraken, en dus noodgedwongen, en omdat allereerst de Theologie en d© Opleiding tot d©n dienst des Woords roeping der Kerken is?

Immers dit laatste.

Maar hoe ongemotiveerd en onrechtvaardig is dan dit oord van Dr H. H. Kuyper over dat te kort doen aan de hooge roeping tot handhaving van Christus' Koningchap op heel het gebied der wetenschap.

Wanneer alverder deze omstandigheid van gebrek aan middelen en mannen 'hier zoodanige suggestie of bechuldiging niet gehtel onrechtvaardig doet zijn, moet an niet gez©gd worden, dat ook Galvijn zich aan deze zonde heeft bezondigd, en dat evenzeer de Vrije Universiteit dat g©daan heeft en nog doet ? Want de Akademie, die Galvijn te Geneve deed oprichten, of beter, die daar op zijnen aandrang werd gesticht, was een tijdlang slechts eene Theologische Faculteit met wat men een© Literarische Faculteit moge noemen, maar dat in waarheid weinig meer was dan eene Gymnasiale onder-afdeeling. Eerst later kwamen ©r de Juridische en de Medische Faculteiten bij. En waar zijn lange jaren bij de Vrije Universiteit geweest de Natuurkundig© en de Medische Faculteiten, en wat is nu nog vooral de Medische Faculteit? En waar zijn de Katheders voor d© Nieuwe talen ?

Wanneer gebrek aan middelen en mannen in dezen geene rechtmatige verontschuldiging is bij de mannen, ie de Theologische School te Kampen deden oprichten, waarom dan wel bij Galvijn en bij de Vrij© Universiteit ?

En wanneer dit niet bedoeld is met dat woord over het te koTt doen, waar is dan het bewijs, dat de oprichters van de Tbeologiscbe School de wetenschap buiten de Theologie als niet aan Christus' Koningschap onderworpen, verwaarloosden, en beschouwden als niet beoefening naar Gods Woord noodig hebbende, zoodat dit woord 'van zoodanig te kort doen bier mocht gesproken worden ?

W© kunnen zien, de noodig© nauwkeurigheid en duidelijkheid, en de vereischte voorzichtigheid om anderen toch geene verkeerde dingen in de schoenen te schuiv©n, hadden anders moeten doen schrijven, dan Dr H. H. Kuyper het ten aanzien der Theologische School doet.

En waarom ook hier weer, ondanks alle onweerlegde tegenbetoog, de valsche tegenstelling : „niet een kerkelijke school.... maar een Hoogeschool...."; alsof het eene het andere uitsloot, en ©ene kerkelijke school geene Hoogeschool kon zijn ?

Komen we dan thans tot de behandeling van do beweringen en redeneeringen van Dr H. H. Kuyper ter bestrijding van het bestaansrecht der Theologische School, nu de Vrije Univ©rsiteit er is. Dr H. H. Kuyper schrijft: „maar om dat doel te bereiken had men nooit als beginsel mogen stellen, dat de Theologische opleiding van d© Kerk moet uitgaan", „De Heraut" van 10 Jan. j.l. Met „dat doel" wordt de instandhouding der Theologisch© School aangegeven; „wanneer zulk een Ghristeiyke, zulk ©©n Gereformeerde Universiteit door Gods genade aan een volk weer gegeven wordt", dus nu de Vrije Universiteit werd opgericht.

Dit raakt eene zeer ernstige quaes'tie.

Dr H. H. Kuyper noemt daarna wel zijne gronden voor deze zijne uitspraak, welke gronden we in het vervolg zullen bespr©ken.

Maar vooraf moet hier toch iets anders onder het oog gezien worden.

Want wanneer het genoomde beginsel niet gesteld bad mogen worden, als in zichzelf in strijd met de Heilige Schrift, en als te kort doende aan Christus' Koningschap, ©n als in strijd met de grondbeginselen door Galvijn ons geleerd, dan had zulk een beginsel natuurlijk ook niet aangenomen mogen worden, en dan mag het niet gehandhaafd wordon, maar behoort bet zoo spoedig mogelijk opgegeven te worden.

Evenwel hebben de Kerken der Scheiding voor de vereeniging met die uit de Doleantie den eisch gesteld van handhaving van „het beginsel, dat de kerk geroepen is eene eigene inrichting te hebhen tot opleiding barer Leeraren, ten minste wat de Godgeleerde vorming van dezen betreft". En de Synode van de Nederduitsche Gereformeerde Kerken te 's-Gravenhage in 1891 heeft dien eisch aangenomen, met ©enige opmerkingen, om misverstand te voorkomen, o.a. dat niets vallen mocht van den eisch van wetenschappelijke ontwikkeling. Daarna heeft d© vereeniging dezer twee Kerkengroepen plaats gevonden in 1892. En vervolgens heeft Dr A. Kuyper Sr. op de Synode te Dordrecht in 1893 eene verklaring betreffende deze zaak in de Acta doen opnemen, waarin hij o.m. zegt, dat wanneer twe© groepen Kerken ineenvloeien, „beide met de betuiging, dat de Kerken eene eigene inrichting voor de opleiding van Dienaren des Woords moeten hebben, dan zou het alleen bij' stuitend bedrog of opzettelijk oneerlijke onderhandeling denkbaar zijn, dat men hetgeen het beding inhield, alsdan niet terugvond als welgefundeerde overtuiging van alle kerken saam". Art. 76.

'Opkomen tegen dit toen door de beide Kerkengroepen aanvaard© beginsel, en daarvan verklaren, wat Dr H. H. Kuyper er van zegt, draagt daarom een hoogst ernstig karakter. Dat veroordeelt allen, die destijds dat beginsel gesteld, en die het aanvaard hebben, en de Synodes, die dat deden, en stelt hen voor als in dezen dwalend, onkundig, misleid, als die te dezer zake geen inzicht gehad hebben in de grondbeginselen van Galvijn, noch rechte kennis van de historie van het Calvinisme, indi©n niet, naar het woord van Dr A. Kuyper, als handelende naar „stuitend bedrog of opzettelijk oneerlijke onderhandeling".

Nu is bet natuurlijk mogelijk, dat Dr H. H. Kuyper het beter weet en inziet dan allen destijds, ook dan Dr F. L. Rutgers en Dr A. Kuyper Sr.

En wanneer dat metterdaad zoo is, en hij in dezen gelijk heeft, moet dat ook in het licht gesteld worden, ©n zou daarnaar door een Generale Synode onzer Kerken gehandeld moeten worden.

Maar Dr H. H. Kuyper is niet vrij in de wijze waarop hij derg©lijke meening, en zijn© argumenten daarvoor, voor het publiek brengt. Hiji mag dat maar niet zoo doen in eene als los daarheen geworpen bewering met wat weinig stringente redeneeringen. Hij' heeft dan een weigemotiveerd gravamen met zoo mogelijk onweerlegbare argumenten biji d© eerstvolgende Generale Synode onzer Kerken in te dienen, waarin allereerst met grondige bewijzen uit de Heilig© Schrift het foutieve van de vroegere Synodale aanvaarding van genoemd beginsel uiteengezet wordt.

Dr H. H. Kuyper is Hoogleeraar in bet Gereformeerd Kerkrecht. Als anderen soms eens mindere waardeering toonen voor eene Synode of eenig Synodaal besluit onzer Kerken, dat zijne instemming heeft, veroorlooft bij' zich wel, daartegen op de hoogheid eener Synode te wijizen. Ook zelf dient hij in den goeden kerkelijken weg te gaan, en een „goed voorbeeld van zedigheid" te geven op het gebied van handelen naar den eisch van het Gereformeerde kerkrecht.

Het punt, dat bij; aldus publi©k bespreekt, raakt de eer van alle Synodes onzer Kerken, ©n die van de beide in 1892 vereenigde kerkengroepen, in de jaren 1888— 1893, en beeft diep ingrijpende beteekenis voor ons kerkelijk leven.

En van hoe groote kennis Dr H. H. Kuyper ook zij', en van hoeveel bete©k©nis voor onze Kerken, we hebben met eene bewering alleen ook van hem, en met slechts eene poging tot bewijs, niet genoeg. Ook bij heeft zich te houden in den goeden kerkelijken weg.

Dr H. H. Kuyper heeft geenerlei bewijs voor zijn zeggen bijigebracht uit de Heilige Schrift, en heeft dat ook zelfs niet trachten te doen. Hiji poneert slechts: „Zulk een beginsel is niet in de Schrift gegrond", „De Heraut" van 10 Jan. j.l. En dan poogt hij' verder historische argumenten voor zijne stelling aan te voeren, n.l. v? at Calvijn deed, of niet deed, wat in ons land en elders door de Gereformeerden werd gedaan, of nagelaten. Hij' zegt kort: „het is in strijd met heel de historie van het Calvinisme", t.a.p.

Deze bewij'svoering is echter in deze zaak niet geoorloofd en niet voldoende. Omdat de historie op ziohzelve, ook die van Calvijm en van de Gereformeerden uit vroeger eeuwen, buiten en in ons land, hun doen en laten als zoodanig, niet normatief is.

Gods Woord is de regel voor ons geloof en leven, denken en handelen. En naar dat Woord moeten ook de daden van Calvijn en van de Gereformeerden uit vroeger eeuwen, evenzeer als die van nu, beoordeeld worden.

Het komt er daarom maar niet op aan, slechts in het licht te stellen, wat door Calvijn en door andere Gerefornleerden in vroeger tijden is verricht. Ook Dï H. H. Kuyper keurt niet goed al hetgeen Calvijn gedaan heeft b.v. inzake den dood van Servet. Er moet dan ook bij Calvijns daden onderzocht en geoordeeld worden, of zij recht en naar Gods Woord waren, dan wel daarmede niet in overeenstemming. En insgelijks betreffende hetgeen andere Gereformeerden uit vroeger eeuwen hebben volbracht, ook aangaande de opleiding van a.s. Dienaren des Woords. Met een „de historie van het Calvinisme" zonder meer vorderen we ook hier nog niets. Er is meer noodig dan historiebeschrijving, feitenmededeeling.

Ook is „de historie van het Calvinisme" niet geëindigd met ongeveer de helft der zeventiende eeuw. Zij is doorgegaan, ook in de 19e eeuw, ook bijl de Afscheiding evenzeer als bijl de Doleantie, en bij' de stichting van de Theologische School. Daarom moet ook met die volgende geschiedenis gerekend worden. Het gaat toch niet aan, willekeurig ergens, vóór ongeveer twee a drie eeuwen, eene streep te trekken, en te doen alsof daar de historie van het Calvinisme opgehouden is, zoodat alles wat daarna geschied is, beschouwd moet worden en verklaard als afwijking, ongereformeerd, verbastering. Natuurlijk is het mogelijk, dat hetgeen daarna gedaan werd, alles ontaarding, vervalsching, van het Calvinisme was. Maar dan moet dat stringent worden aangetoond op Schriftuurlijke, principiëele gronden. Met te doen alsof, en met bloote uitspraken of verzekeringen, kan hier niet volstaan worden. Er moet dan uit de Heilige Schrift, en uit de grondbeginselen van Calvijn, worden bewezen, dat b.v. met de oprichting van de Theologische School door de mannen der Scheiding in 1854 te kort gedaan is „aan de hooge roeping om Christus' Koningschap op heel het gebied der wetenschap te handhaven", en dat men zulk eene school niet had mogen oprichten, of dat men eene universiteit had moeten stichten.

De historie, het feitelijke gebeuren, is geen norm.

Ook het doen van Calvijn niet, noch dat van de Gereformeerde vaderen uit de 16e en de 17e eeuw. Waarom enkel met de bloote voorstelling van hetgeen ziJ! al óf niet gedaan hebben inzake de opleiding van a.s. Dienaren des Woords, nog in het geheel niets bewezen is betreffende het gemis van bestaansrecht der Theologische School.

Al ware de stichting en instandhouding van de Theologische School, ook nu de Vrije Universiteit er kwam, „in strijd met heel de historie van het Calvinisme", en wat anders dan Calvijn in dezen te Geneve deed, dan ware daarmede nog volstrekt niets uitgemaakt ten nadeele van het recht tot oprichting en instandhouding der Theologische School.

Want behalve dat de tijden en omstandigheden zooveel anders zijn, kan de fout ook juist in die „historie" zitten.

Daarom heeft Dr H. H. Kuyper met zijn historisch betoog en eenvoudige verzekeringen in genoemde „Herauf'-nummers dus nog niét bewezen, wat hij zou moeten bewijzen, om het bestaansrecht der Theologische School als ongegrond aan te toonen.

Dit geldt en blijft van kracht, ook wanneer Dr H. H. Kuyper nu een stringent, zuiver, historisch betoog geleverd had. Wat moet men echter zeggen met het oog op hetgeen hij thans metterdaad als historievoorstelling naar voren gebracht heeft?

De daden van Calvijn zijn nog niet ident met Calvinisme.

Is er wel niet het een en ander in het zeggen en doen van Calvijn, dat tegenwoordig door vele Gereformeerden, ook door Dr H. H. Kuyper, niet meer als zuiver Calvinisme erkend wordt, maar gezien en verklaard als b.v. nawerking bij hem van destijds en vroeger algemeen heerschende beschouwingen, of in samenhang staande met, en gevolg van, destijds aanwezige toestanden?

Bij het beschrijven van historie moet niet alleen gevraagd worden, wat eens als tastbaar uitgevoerd werd en tot stand kwam, maar ook in het licht gesteld worden, hoe de toestanden en omstandigheden en verhoudingen en beschouwingen destijds waren, om in verband daarmede uiteen te zetten wat gebeurde, wat het nieuwe daarbij was, en wat bepaald werd door het bestaande of destijds aanwezige in denken en aan toestanden.

Wanneer citaten van zijnen Vader aangehaald worden, en dit hem niet recht aanstaat, komt Dr H. H. Kuyper met: „il faut juger les écrits d' après leur date", „De Heraut" van 7 Febr. j.l. Dit heelt echter zijne beteekenis evenzeer ten aanzien van „les faits", ook die van Calvijn en van andere Gerefonneerden uit vroeger eeuwen. Waarom Dr H. H. Kuyper dan ook indertijd opkwam tegen de voorstelling van den invloed door Calvijn aan de Overheid te Geneve in kerkelijke zaken toegestaan, zooals Dr J. Th. de Visser die gaf in zijn werk „Kerk en Staat", en hij dit werk besprak in „Antirevolutionaire Staatkunde", Sept. 1928. Dr H. H. Kuyper schreef toen: „Het schijnt daarom vreemd, dat Calvijn te Geneve zulk een zeggenschap over de Kerk wel aan de Overheid heeft toegekend. Toch dient, om hier een juist oordeel te vellen, wel in het oog te worden gehouden, hoe geheel anders de positie was van Calvijn te Geneve", blz. 400. Dat moet echter ook bedacht worden bij de mededeeling van hetgeen Calvijn te Geneve gedaan heelt inzake de oprichting van de Akademie en de opleiding van a.s. Dienaren des Woords.

Daarom had Dr H. H. Kuyper niet mogen nalaten, in genoemde „Heraut"-artikelen het verband van de kerkelijke toestanden destijds te Geneve, en van de denkbeelden van Calvijn, waarmede in dezen gerekend moet worden, b.v. zijne opvatting van de Overheidsroeping tegenover de Kerk, met Calvijns doen betreffende de stichting der Akademie aldaar niet door de Kerk maar door de Overheid, duidelijk en naar behooren te teekenen. Want wel beschrijft hij den kerkdijken toestand te Geneve, toen Calvijn daar kwam, doch eerst in „De Heraut" van 17 Jan. j.l., nadat hij echter reeds vooraf in het nummer van 10 Jan. j.l. Calvijns doen bij de oprichting der Akademie te Geneve als duidelijke veroordeeling van de oprichting en instandhouding der Theologische School door de Kerken, gesteld had, en zonder den samenhang aan te wijzen tusschen den kerkelijken toestand te Geneve in Calvijns dagen èn zijn ter zijde laten van de Kerk bij de stichting der Akademie te Geneve. En van de beteekenis van Calvijns gedachten over de roeping der Overheid ten aanzien der kerk èn deze Akademiestichting niet door de Kerk, maar door de Overheid, hooren we hier niets.

En op dat verband, dien samenhang, die beteekenis, hier te letten is van het hoogste belang en van de grootste noodzakelijkheid.

In „De Heraut" van 10 Jan. j.l. schijnt het, of Calvijn inzake eene inrichting tot opleiding van a.s. Dienaren des Woords heelt kunnen handelen, ongeveer zooals hij maar had mogen wenschen, en alsof hij daarbij onafhankelijk was van allerlei omstandigheden. Alleen wordt gezegd, dat hij nog verhinderd was, aan de op zijnen aandrang te Geneve gestichte Akademie eene Juridische en eene Medische Faculteit toe te voegen, die eerst later kwamen.

Met de noeming van Calvijns uitwendige daden bij de oprichting van de Akademie te Geneve door de Overheid en niet door de Kerk wordt volstaan, en dan volgt over de oprichting en instandhouding van Theologische Scholen uit principe door de Kerken, maar eenvoudig het vonnis: in strijd met de grondbeginselen door Calvijn ons geleerd en door hemzelf in practijk gebracht; niet naar den eisch van het Calvinistisch beginsel.

Doch laat ons dan nagaan, wat Dr H. H. Kuyper als historisch bewijs voor zijne stelling te berde brengt.

Hij schrijft: „Calvijn heeft te Geneve niet een kerkelijke school gesticht, maar een Hoogeschool... niet door de Kerk, maar door de Overhel d", „De Heraut" van 10 Jan. j.l. „Niet de Kerk, maar de Overheid moest deze School oprichten", „De Heraut" van 24 Jan. j.l. En in andere zinswendingen keert dergelijke verklaring meermalen in deze „Heraut"-artikelen terug. Het is in een of anderen vorm telkens: niet de Kerk, maar de Overheid heelt die School, die Akademie, gesticht. Wanneer dat nu Calvinistisch was, en een Calvinistisch grondbeginsel moest heeten, zou volgen, om dat reeds hier even voorloopig aan te stippen, dat de Vrije Universiteit evenmin „Calvinistisch" in oprichting en bestand was, als de Theologische School, omdat zij óók niet door de Overheid gesticht is en onderhouden wordt. Aan eene particuliere Vereeniging, als waarvan zij uitgaat, heeft Calvijn nooit gedacht. Dr H. H. Kuyper voelt zelf wel, dat hij in dezen met zijne redeneering vast loopt, en zoekt er zich daarom met een eenvoudig zinnetje als tusschen haakjes geplaatst, uit te redden, en schrijft daarom: „Dat zij" — n.l. de mannen, die de Vrije Universiteit hebben opgericht — „niet als Calvijn die stichting van de Overheid hebben gevraagd, maar daartoe zelf zijn overgegaan, raakt natuurlijk niet een Calvinistisch beginsel en is alleen daaraan te wijten, dat onze Overheid zulk een Gereformeerde Hoogeschool niet stichten kon of wilde", „De Heraut" van 24 Jan. j.l. Maar dit gaat niet. Deze uitvlucht is hem afgesneden. Dan had hij niet telkens de tegenstelling moeten maken: niet door de Kerk, maar door de Overheid, doch het moeten laten bij de tegenstelling: niet enkel eene Theologische Hoogeschool, doch eene Hoogeschool, die alle wetenschappen zou omvatten, eene Universiteit.

Doch we komen later op deze Overheids- en Vrije Universiteits-quaestie terug.

Wanneer eofiter op het feit gewezen wordt, dat Calvijn te Geneve eene Opleidingsschool voor a.s. Dienaren des Woords, en de Akademie deed oprichten niet door de Kerk, maar door de Overheid, en dit dan nog tot principiëele veroordeeling van anderer doen wordt aangewend, moet toch als eerste vraag gesteld worden, en Van welker beantwoording de waarde d«r redeneering hier geheel afhankelijk is, of Calvijn anders heeft kunnen handelen, of de omstandigheden hem toelieten, anders te handelen, zoodat hij in dezen welbewust, vrij, aonder noodzaak eene eigene keus heeft godaan uit ondenscheidene hem open staande mogelijkheden?

Zoo ja, dan zegt zijn doen in deizen veel.

Zoo neen, dan kan zonder meer uit zijn doen ook geenc verdere conclusie tegen anderer doen getrokken worden.

En daarbij komt dam nog een tweede vraag: hoe beschouwde 'Calvijn de Overheid en hare roeping tegenover de Kerk?

Deze twee vragen zijn hier van albeslissende beteekenis.

Dr H. H. Kuyper laat ze liggen.

Ma; ar daardoor heeft hij zijn historisch betoog te dezer zake ook vrijwel zonder eenige waarde doen worden.

Toen Calvijn te Geneve kwam en eerst 'begon te arbeiden, was' er schier nog geen kerkelijke organisatie. In zijne genoemde bespreking van het boek van Dr J. Th. de Visser wijst Dr H. H. Kuyper daar zelf op, en schrijft hij: „Toen Calvijn te Geneve kwam —' hij zelf heeft het in zijn afscheidsrede gezegd —i was er Van een geïnstitueerde Kerk quasi rien, zoo goed als niets. De Overheid had evenals te Zurich en te Bern feitelijk alle macht over de Kerk in handen. Wilde Calvijn aan de Kerk een eigen organisatie schenken, met haar eigen consistorie, haar eigen tuchtrecht, haar eigen armverzofging, dan moest dit alles van de Overheid verkregen worden, want zonder de toestemiming en met medewerking van de Overheid ging dit niet", „Antirev. Staatkunde", Sept. 1928, blz. 400. Zie ook , JDe Heraut" van 17 Jan. j.l.

Ho© kon Calvijn er onder deze omstandigheden dan aan dehkien eene kerkelijke Hoogeschool, al ware dat alleen maar voor de Theologie en tot de opleiding van a.s. Dienaren des Woords, te wrillen oprichten? Dat was bij 'dien stand Van zaken en in die omstandigheden immers ten eenenmale onmogelijk. Maar dan kunnen we ook zien, dat hier het adagium: niet door de Kerk, maar door de Overheid, niets, volstrekt niets beteekent.

Later is er te Geneve wel eene kerkelijke oi'ganisatie gekomen. Maar 'hoe! De predikanten werden door de Overheid benoemd, zij het uit eene voordr'acht der predikanten, en onder nadere goedkeuring der gemeente. De 'Ouderlingien mochten niet anders dan uit de Magistraatsper'sonen 'gekozen worden, twee uit den Kleinen Raad, vier uit den Raaid van Zestig, en zes uit den Groeten Raad. En de nominatie werd opgemaakt door den Kleinen Raad, na beraadslaging met de predikanten Over de meest gesohikte candidaten. De aldus gekozenen werden daarna voorgesteld aan den Groeten Raad ter goedkteuring. De medewerking der gemeente was hierbjji geheel uitgesloten.

Bij: zulk eenen kerkelijken toestand, bij. op zoodanige wiJKe gefco'zen en samiengestelden Kerkeraad, bij zoo groote heerschappij van de Overheid in kerkelijke zaken in aanstelling en arbeid van den Raad der Kerk te Geneve, komt Dt H. H. Kuyper met de tegenstelling: „niet 'door de Kerk maar door de O v e r h e i d I''

Hieruit blijkt wel, hoe vrij' Calvijn was m zijne keus.

Hij' had het eens moeten wagen, eene School voor de opleiding tot den dienst des Woords t© laten oprichten door de Kerk te Geneve, buiten de Overheid om.

D'at Wals: niet eens mogelijk.

Alle Kerkeraadsleden buiten de Predikanten •w'aren tegelijk Magistraatspersonen. Maar ook wanneer hij' zoo iets had willen ondernemen, zou hem dit ongetwijfeld niet in dank door de Overheid zijn afgenomen, en had hij wellicht gevaar geloopen, voor eene tweede maal uit Geneve verjaagd te worden.

Ondanks die omstandigheden echter gebruikt Dr H. H. Kuyper tóch als argument ^egen het bestaansrecht der Theologische School het doen van Calvijn bijl de oprichting der Akademie te Geneve, dat hij n.l. 'haar deed geschieden „niet doO'r de Kerk, maar door de Overheid", 'alsof Calvijn geheel vrij was in zijne keus en in zijn handelen.

Maar hiermede is het nog niet uit.

Dte oprichting van eene Hoogeschool kost tooh geld. En met hare opridhting alleen is het niet kleiar. Hare instandhouding vordert bij den voortduur geld in niet geringe mate. Dr H. H. Kuyper weet dat toch ook wel in betrekking tot de Vrije Universiteit. En Calvijn heeft het ook wel ingezien. Aan doorzicht ontbraik het hei" veelal niet. Ook bij zijn plan om eene Hoogesdhool, de Académie, op te richten, zal hij daarmee wel gerekend en dat vooruitgezien hebben. Hoe moest men aan het noodige geld komen, en dat telkens weer? Zelfs de Overheid had eerst geen geld. Toen de Magistraat eindel'ik onder voort- 'durenden aandrang van Calvijn in 1552 besloot, een uitgestrekt terrein met een gebouw te koopen, kwam men nog jaren lang niet verder. „Gebrek, aan geld voor zutt een kostbare onderneming, gebrek aan personen geschikt voor een professoraat en voorts de moeilijkheden buitenaf en 'de onlusten in de stad, dat alles saam Terij'delde weer het plan". Dr H. H. Kuyper, „De Opleiding tot den Dienst des Woords", blz. 164. Doch ten laatste zou de oprichting komen. Hoe evenwel met het geld' „Vandaar'' —' d. i. met het oog op de te maien groote onkosten voor de noodige uitbreiding van het bestaande College om de Akademie op te richten — „dat de Raad 9 September het besluit neemt, dat de notarissen bij het maken der testamenten er op aan zullen dringen, dat hun cliënten legaten aan het college vermaken, terwijl de Raad zelf besluit een deel van de geldboeten VOM onderhoud van het college af te zonderen. Ook Calvijn zit niet stil. Hij g'jiat rond van huis tot huis en wee' zies maanden later de belangrijke som van 10000 gulden bijeen te krijgen uit vrijwillige giften, die hij den Magistraat aanbiedt als dotatie voor de nieuwe Aikademie , Dr H. H. Kuyper, „De Opleiding", blz 165.

Nogmaals dan, waar had Calvijn het geld voor eene

kerkelijke Hoogesöhool, geheel- los van de Overheid, vandton moeten krijgen, om 'zulk een sohool eerst op te richten, daarna haar in 'haar voortbestaan finantieel verzekerd te weten? *)

In zes maanden f 10.000 is eene mooie som. Maar voor zulk een doel lang niet genoeg. En CaJvijn kon ook niet elk j'aJar opnieuw huis aan huis rondgaan, in de hoop, wel weer f 10.000 binnen enkele maanden samen te brengen.

We zien, wat de tegenstelling: niet door de Kerk, maar door de Overheid, ook aldus voor innerlijke waarde heeft in den strijd tegen de Theologische School als eene kerkelijke School. In verband met de Vrije Universiteit komen we hierop later nog weer terug. En we zien ook, hoe naar recht hier verklaard kan worden: in strijd met de grondbeginselen door Calvijn ons geleerd en door hemzelf in practijk gebracht; niet naar den eisch van het Calvinistisch beginsel.

Alsof deze oprichting van de Akademie te Geneve niet door de Kerk, eene zuivere beginselzaak van Calvijn was geweest, en niet eene zaak van gedwongenheid, omdat hij geene andere mogelijkheid zag of had.

En dan ten derde nog iets.

Want hier is toch ook wel eenig beginsel mee gemoeid. Dat was Calvijns meening over de Overheidsroeping. In zijne „Institutie, IV, 20, 9 zegt hij, dat de Heilige Schrift leert, dat de roeping der Overheid zich uitstrekt tot de beide tafels der Wet (extendi vero ad utramque Legis tabulam). En in IV, 20, 2 verklaart hij, dat zij den uitwendigen eeredienst van God moet koesteren en handhaven, de gezonde leer der vroomheid en den (goeden) staat der Kerk verdedigen... (huic destinatum est... externum Dei cultum fovere et tueri, sanam pietatis doctinam et Ecclesiae statum delendere). Dientengevolge kon Calvijn inzake de Overheidsinmenging in kerkelijke zaken, als ambtsdragersbenoeming en wijze van tuchtoefening, zooveel toegeven, ofschoon gedwongen, als hij deed. En mede daarom de Overheid geroepen achten, eene Opleidingsschool voor de a.s. Dienaren des Woords op te richten en instand te houden, „...het begrip van een zelfstandigen staat naast een vrije kerk is hem (Calvijn) nog niet duidelijk geweest. Naar zijne overtuiging had de Overheid eene roeping ook met betrekking tot de kerk". Dr H. Bouwman, „Gereformeerd Kerkrecht", I, blz. 249. Daarom zijn we bij Calvijn niet gereed, wanneer we aangetoond hebben, dat hij iets door de Overheid deed uitvoeren, in dit geval eene Hoogeschool ook voor de Theologie door haar liet oprichten en in stand houden. Maar we moeten daarbij nagaan, voor hoever dat samenhing met zijne opvatting van de roeping der Overheid in betrekking tot de Kerk. Dat heeft Dr H. H. Kuyper hier nagelaten, en dat heeft hij reeds ook verzuimd in zijne dissertatie, waarom zijn betoog, zoowel daar als hier, bewijskracht inzake het missen van bestaansrecht door de Theologische School, ontbeert. Wanneer hij en de Gereformeerden van den tateren tijd inzake de roeping der Overheid betreffende de Kerk nog precies zoo dachten als Calvijn, v/as dit anders. Nu dit niet het geval is, is zulk een verzuim in dergelijk betoog een groot tekort en eigenlijk ongeoorloofd. In drieërlei opzicht is dus het zeggen: „Calvijn heeft te Geneve niet een kerkelijke school gesticht, maar een Hoogeschool... en die school is opgericht juist niet door de Kerk, maar door de Overheid" als betwisting van het principiëele bestaansrecht der Theologische School, zonder eenige kracht van bewijs, en schiet het betoog, om dat feit als zulk een bewijs voor te stellen, te kort: daarbij is n.l. door Dr H. H. Kuyper niet gerekend met den gebrekkigen kerkelij ken toestand of organisatie der Kerk te Geneve destijds, noch met het geldgebrek of de finantiëele moeilijkheden voor Calvijn, noch met zijne beschouwing van de roeping der Overheid ten aanzien van de Kerk en haar bestaan of leven. Zou genoemd feit hier eenigszins tot argument kunnen dienen, dan moest bewezen kunnen worden, dat Calvijn anders had kunnen handelen, dan hij in dezen deed, en dat eene andere mogelijkheid hem voor den geest had gestaan, en dat hij welbewust de stichting van eene Theologische School of Faculteit door de Kerk om principiëele redenen verworpen had, hoewel daar anders geene omstandigheden tegen pleitten, noch eene verhindering er tegen stelden.

Het enkele feit van Calvijns doen te dezer zake bewijst niets, en vooral niet onder de medegedeelde omstandigheden, en openbaart op zichzelf in dit opzicht op geenerlei wijs een Calvinistisch beginsel.

Dat geldt evenzeer hetgeen Dr H. H. Kuyper tegen de handhaving van de Theologische School uit principe, nu de Vrije Universiteit er ook is, aanvoert met de woorden: „in strijd met heel de historie van het Calvinisme", „De Heraut", 10 Jan. j.l. Want het feit, dat de Gereformeerden in vroeger eeuwen, noch in ons land, noch in andere landen, eigen Theologische Scholen, of ook Universiteiten, opgericht hebben, naast of tegenover de Overheidshoogescholen of Akademies of Universiteiten, moge waar zijn. Het komt in de quaestie van het bestaansrecht der Theologische School aan op beantwoording der vraag: waarom zij dat niet gedaan hebben: uit het beginsel, dat zij het recht der Kerk om eigen Theologische Iloogescholen op te richten, ontkenden, èf uit practische overwegingen en door de omstandigheden. En op deze vraag kan naar waarheid niet anders geantwoord worden dan in laatstbedoelden zin. Want onze Gereformeerde vaderen uit den Reformatietijd hadden geen bezwaar tegen eigen kerkelijke Opleidingsscholen voor de a.s. Dienaren des Woords. Zij begeerden die en arbeidden er eerst voor. Het Convent te Wezel oordeelde: „Ideo putamus quidem ante omnia laborandum ut et Collegia disciplinarum instituantur, in quibus doceantur tres linguae, ac imprimis theologiae syncera professio diligensque exercitatio vigeat", „Acta van de Nederl. Synoden der zestiende eeuw", verzameld en uitgegeven door F. L. Rutgers, 1889, blz. 10: Derhalve oordeelen wij, dat wel vóór alle dingen gearbeid moet worden, dat er Colleges van wetenschappen opgericht worden, waarin de drie talen onderwezen worden en vooral de zuivere professie der Theologie en zorgvuldige oefening bloeie. In zijne dissertatie „De Opleiding tot den Dienst des Woords" schrijft Dr H. H. Kuyper dan ook, dat het Convent van Wezel „het oog heeft op eigen kweekscholen, waarin talen en theologie zullen onderwezen worden", blz. 334. En op de Provinciale Synode te Gent, 8 Maart 1581, werd een voorstel aangenomen „om een Seminarium Christel, up te richten op een of meer plaatsen", „De Opleiding", blz. 316. Maar er waren bezwaren, en wel finantiëele, zooals blijkt uit de opdracht aan de Deputaten dezer Synode voor deze zaak: „haar debvoir (te) doen by den overheid om redelicke middelen, dienende tot instauratie en conservatie vut de gheestel. goederen te vercryghen", blz. 316 v. En de Synode te Middelburg 1581 wilde, „dat er naast de Universiteit in de verschillende steden nog afzonderlijke Professoren in de Theologie zullen aangesteld worden, verbonden aan een Illustre School", „De Opleiding", blz. 339.

Och neen, de Gereformeerde vaderen uit dien tijd hadden geene principiëele bezwaren tegen eigen Theologische Scholen der Kerken. Van een Calvinistisch beginsel daartegen kan bij hen geene sprake zijn. Maar toch hebben zij die Scholen niet opgericht. Waarom niet? Allereerst om de kosten. Waar moest het geld vandaan komen? In de tweede plaats, omdat de Overheid Akademies en Universiteiten oprichtte. Toen kon men van deze de opgeleiden krijgen, die de Kerken noodig hadden. En ten derde omdat men over de roeping der Overheid ten aanzien der Kerk dacht, zooals Calvijn. Het was deels eene zaak van gemak, deels eene van utiliteit, deels eene van eene nu door de Gereformeerden in het algemeen, en ook door Dr H. H. Kuyper, niet meer geheel juist geachte opvatting van de roeping der Overheid in kerkelijke zaken. Hierbij is geene sprake van de werking van een Calvinistisch beginsel, En het „in strijd met heel de historie van het Calvinisme" mist ter bestrijding van het bestaansrecht van de Theologische School alle kracht.

Het is verder ook de vraag: hebben die Gereformeerden destijds met het nalaten van de oprichting van eigen kerkelijke opleidingsscholen voor de a.s. Dienaren des Woords, en met het overlaten van die opleiding aan de Overheidsinrichtingen, goed gedaan? Hebben zij daarin hunnen plicht van Godswege tegenover de Kerken vervuld? En dan moet geantwoord worden: neen — „Geheel vrijwillig stonden de Kerken hare rechten af aan de jeugdige universiteit", — n.l. te Leiden — „en erkenden de professoren als hare doctoren. Maar zij hadden er spoedig berouw van". Dr Bavinck, „Het Doctorenambt", blz. 63. Zie ook Dr H. H. Kuyper, „De Opleiding", blz. 458 v., 488 v. Wat hebben de Kerken dezer landen eene ellende beleefd, doordat de Theologische Faculteiten geene kerkelijke Faculteiten waren, en zij niets te zeggen hadden over deze Faculteiten en hare Hoogleeraren. Denkt maar aan de Coolhaes-moeilljkheden, aan de Arminius-dwalingen, aan J. v. d. Honert, H. A. Roëll e.a. Wat eene ketterij kon aldus doordringen in de Kerken. Hoe zijn de Kerken allengs meer van de Waarheid der Heilige Schrift afgevoerd en afgedwaald, en is het kerkelijk leven vervallen. En het droeve op kerkelijk gebied, dat nu in ons land te aanschouwen is, en dat in de vorige eeuw hier voorgevallen is, staat in oorzakelijk verband met den steeds meer vervallen toestand der Kerken dezer landen in de daaraan voorafgaande eeuwen. Die droeve staat destijds hing weer nauw samen met de opleiding der Dienaren des Woords aan Inrichtingen, waarover de Kerken geenerlei zeggenschap hadden.

Neen, de historie van het Calvinisme pleit in dezen niet voor Overheidsinrichtingen voor de a.s. Dienaren des Woords, noch tegen kerkelijke Hoogescholen voor de Theologie, maar omgekeerd: tegen zulke Overheidsscholen.

Wanneer Dr H. H. Kuyper zegt: „in strijd met heel de historie van het Calvinisme", om daarmede het principiëele bestaansrecht der Theologische School te willen veroordeelen, heeft hij niet alleen nagelaten, „heel de historie van het Calvinisme" eerst te bezien bij het licht van Gods Woord, doch haar genomen en voorgesteld, alsof zij in zichzelve normatief was, maar daarenboven ook slechts van een deel dier historie gesproken. Hij heeft niet die h e e 1 e historie genomen. Want daartoe had hij ook op oorzaken en omstandigheden moeten wijzen, en bovendien ook de gevolgen moeten nagaan en in het licht stellen. Met het oog op die droeve gevolgen zouden we veeleer juist het omgekeerde van Dr H. H. Kuyper kunnen betoogen: Heel de historie van het Calvinisme doet zien, dat de Kerken de opleiding van hare a.s. Dienaren des Woords niet moeten overdragen, noch overlaten, aan Overheidsinrichtingen, maar eigene kerkelijke Hoogescholen voor de Theologie moeten oprichten en instand houden. E. F. K. Muller schreef niet ten onrechte: „Der Calvinismus hat den Eifer für kirchliche Selbstandigkeit hinterlassen", „Symboliek", p. 523: het Calvinisme heeft den ijver voor kerkelijke zelfstandigheid laten varen. Dit is ook inzonderheid waar geweest van het Calvinisme dezer landen in de 16e en de 17e eeuw inzake Scholen voor de opleiding van a.s. Dienaren des Woords. Daarin heeft het Calvinisme toen niet zijne kracht, maar zijne zwakheid geopenbaard. Zijne historie geeft op dat gebied geen navolgenswaardig voorbeeld te zien, laat staan, dat zij de Schriftuurlijke norm zou stellen voor later handelen, maar veeleer geeft zij te dezer zake een afschrikwekkend voorbeeld te aanschouwen.

Maar dan moet men inderdaad zijne g e h e e 1 e historie nemen, niet slechts een stukje, met weglating van een te dezen aanzien zeer belangrijk deel.

Respice gevolgen. finem, is ook hier van kracht: zie op de

In zijn historisch bewijs is Dr H. H. Kuyper dus droef te kort geschoten, zoowel met betrekking tot de voorstelling van Calvijns doen te dezer zake, als ten aanzien van dat der andere Gereformeerden, in ons land en daarbuiten, in de Hervormingseeuw en die daarop volgde. Eenig steekhoudend bewijs tegen het bestaansrecht der Theologische School heeft hij daarmede niet naar voren gebracht. Maar zooals in het begin reeds aangetoond werd, is het niet duidelijk, of Dr H. H. Kuyper het kwaad van het voortbestaan der Theologische School daarin ziet, dat zij eene kerkelijke Hoogeschool is, dan wel daarin, dat zij geene Universiteit is. Moest zij, om in Gods Woord gegrond te zijn, en overeenkomstig de grondbeginselen van Calvijn te bestaan, en te beantwoorden aan heel de historie van het Calvinisme, uitgaan van de Overheid en door deze onderhouden worden, óf zou zij eene Universiteit behooren te zijn, zoodat de Kerken haar dus moeten uitbreiden met de andere Faculteiten der Wetenschap, opdat haar niet zou mogen treffen het vonnis van niet-handhaving van Christus' Koningschap op heel het gebied der wetenschap?

Over het eerste punt, dat Calvijn en de andere Calvinisten in de 16e en de 17e eeuw niet kerkelijke Hoogescholen voor de Theologie en de opleiding van a.s. Dienaren des Woords oprichtten, maar Overheidsscholen, en het bij die Scholen lieten, is in het voorgaande gehandeld.

Om aan Dr H. H. Kuyper volle recht te laten wedervaren, moet ook de andere mogelijkheid overwogen worden: dat volgens hem de Theologische School eene Universiteit behoort te zijn.

Calvijn heeft te Geneve eene Akademie doen oprichten, die de bestemming had, tot eene Universiteit uit te groeien. En in ons land en elders in Gereformeerde streken, kwamen Universiteiten op, al droegen zij ook wel andere namen. Ligt daarin eene veroordeeling van afzonderlijke Hoogescholen voor de Theologie en voor de opleiding van a.s. Dienaren des Woords, als niet naar de grondbeginselen van Calvijn en in strijd met het Calvinistisch beginsel; en niet in Gods Woord gegrond? Hoe wil men dat bewijzen? Dr H. H. Kuyper heeft daarvoor geenerlei bewijs bijgebracht, en dat ook zelfs niet eens pogen te doen. Slechts heeft hij met verwijzing naar wat Calvijn en andere Calvinisten uit vroeger eeuwen in dezen deden, willen suggereeren, dat afzonderlijke beoefening der Theologische wetenschap en opleiding van a.s. Dienaren des Woords aan enkel Theologische Scholen of Hoogescholen, die geen deel uitmaken van eene Universiteit, en niet formeel met andere Faculteiten verbonden zijn, verloochening is der hooge roeping om Christus' Koningschap te handhaven op heel het gebied der wetenschap.

We mogen vragen: heeft dus Calvijn niet daarom eene Universiteit, eene Hoogeschool, die alle Faculteiten omvat, willen oprichten, omdat hij oordeelde, dat ook Letteren en Rechten en Medicijnen, evengoed als de Theologie, door de geloovigen en naar Gods Woord beoefend moesten worden; zoodat hij alleen daarom enkel met eene Hoogeschool voor de Theologie en de opleiding van a.s. Dienaren des Woords niet tevreden was, al was deze ook allereerst noodig; en dus, eene Hoogeschool willende oprichten, vanzelf ééne School koos, en niet twee of drie of meer onderscheidene Hoogescholen, ééne voor de Theologie, ééne andere voor de Letteren, nog weer eene andere voor de Rechten, enz; maar heeft hij welbewust afzonderlijke Theologische Hoogescholen principieel verworpen, ook wanneer de middelen en mannen voor beoefening der andere wetenschappen en ter bezetting der andere Faculteiten ontbraken, of wanneer naast zoodanige Theologische Hoogescholen de andere wetenschappen reeds evenzeer naar eisch van Gods Woord beoefend werden, al was dat aan Hoogescholen, die niet verbonden waren met zulk een Theologische Hoogeschool, noch er formeel mede in connectie stonden? Ging het hem bij de stichting van de Akademie te Geneve dus om de beoefening van alle wetenschappen naar Gods Woord, óf ging het hem ook bepaald en voornamelijk om die beoefening aan ééne inrichting te doen geschieden, alsof zij anders aan afzonderlijke Hoogescholen, zonder onderlinge, althans formeele, verbinding met andere Faculteiten, niet recht kon geschieden, en miskenning van Christus' Koningschap op heel het gebied der wetenschap zou zijn?

Hoe wil men dit laatste bewijzen?

En toch, op dat bewijs komt het aan, wanneer eenige beteekenis of argumentatiekracht zal hebben het zeggen van Dr H. H. Kuyper: „Calvijn heelt te Geneve niet een kerkelijke school gesticht, maar een Hoogeschool, die bestemd was alle faculteiten te omvatten, en die school is opgericht juist niet door de Kerk, maar door de Overheid", „De Heraut" van 10 Jan. j.l.

Nu Calvijn de wetenschappelijke beoefening der Theologie en de opleiding van a.s. Dienaren des Woords aan Hoogescholen noodig oordeelde, en hij evenzeer da wetenschappelijke beoefening der andere wetenschap-

pen vereischt achtte, en daarvoor Hoogescholen behoefde, sprak het vanzelf, dat hij in é éne stad, Geneve, niet afzonderlijke Hoogescholen voor de Theologie en voor de andere wetenschappen trachtte te stichten, maar slechts ééne, waaraan alle wetenschappen beoefening konden vinden. Maar op welke wijze heeft hij daarmede eene veroordeeling uitgesproken over afzonderlijke Hoogescholen voor de onderscheiden wetenschappen, wanneer niet aanwezig is aan finantiëele benoodigdheden of wetenschappelijke krachten, wat voor Hoogescholen voor andere wetenschappon vereischt zou worden, of wanneer die andere wetenschappen reeds voldoende goede beoefening vinden op andere Hoogescholen?

Dat kan men niet bewijzen.

Aan zulk eene vraagstelling heeft Calvijn zelf waarschijnlijk nooit gedacht. En in elk geval, de omstandigheden te Geneve destijds sloten vanzelf uit, zich met zulke vragen in ernst bezig te houden. Daar was uitteraard ééne Hoogeschool, die alle Faculteiten omvatte, aangewezen, en niet afzonderlijke Hoogescholen voor de onderscheiden wetenschappen. Maar aldus ligt in het doen van Calvijn om ééne Hoogeschool, die alle Faculteiten moest omvatten, ook geenerlei oordeel over, laat staan veroordeeling van, het handelen bij de oprichting van afzonderlijke Hoogescholen onder gansch andere verhoudingen en omstandigheden.

En dat onze Vaderen, n.l. hunne Overheden, Universiteiten oprichtten, en met de Theologische Faculteit andere Faculteiten verbonden, en aan die Universiteiten veelal de opleiding van a.s. Dienaren des Woords lieten geschieden, bewijst, dat zij ook de beoefening der andere wetenschappen buiten de Theologie noodig keurden, maar zegt volstrekt niet, dat zij principieel afzonderlijke Hoogescholen voor de onderscheiden wetenschappen verwerpelijk oordeelden, en zelfs in strijd met eenig Calvinistisch beginsel achtten. De historie, wat van ouds gekomen was, algemeen heerschende gedachten en gewoonten, materiëele omstandigheden, oefenden bepalenden invloed ook ter zake van oprichting van Hoogescholen, hetzij Universiteiten, hetzij Hoogescholen alleen voor de Theologie, met welke onderscheiden namen men die ook noemde. Maar van de gedachte, dat afzonderlijke Hoogescholen voor de Theologie, zonder verbinding met andere Faculteiten, niet zouden zijn naar den eisch van Gods Woord, noch in overeenstemming met het Calvinistische beginsel, hebben zij niet geweten. Anders zouden zij niet noodig geoordeeld hebben, eigen kweekscholen voor de a.s. Dienaren des Woords op te richten (Convent te Wezel), noch Illustre Scholen en dergelijke gesticht hebben. Het woord van Dr H. H. Kuyper aangaande het te kort doen aan de hooge roeping om Christus' Koningschap te handhaven op heel het gebied der wetenschap, wanneer uit beginsel eene afzonderlijke Theologische School wordt opgericht en In stand gehouden, is weer één van die geweldige woorden, die ontzaglijk klinken, maar bij het overwegen hol van beteekenis blijken in de onderhavige quaestie van het principiëele bestaansrecht van de Theologische School.

Maar wij kunnen van dit punt nog niet afstappen. Want het zou kunnen zijn, dat bedoeld ware, dat de wetenschap niet recht aan afzonderlijke Hoogescholen beoefend konde worden, zoodat dus ook afzonderlijke Hoogescholen voor de Theologie, die niet in verband staan met andere Faculteiten, niet in rechten, goeden zin de wetenschap der Theologie kunnen beoefenen, noch de wetenschappelijk vereischte opleiding tot den dienst des Woords kunnen verleenen: omdat voor de volle beoefening eener wetenschap, dus ook voor die der Theologie, onderlinge verbinding van Faculteiten, en samenwerking van de verschillende Professoren in de onderscheiden Faculteiten eener Universiteit, onmisbaar zijn, zoodat daarom elke beoefening der wetenschap aan eene afzonderlijke Hoogeschool, per se gebrekkig, stukwerk moet blijven.

Nu bereiken wij in deze zondige wereld nooit het volmaakte, ook niet in de beoefening der wetenschap. Maar dat geldt niet alleen van den enkelen geleerde, dat geldt ook van alle Hoogleeraren aller Faculteiten eener Universiteit samen. Zulk eene opmerking zou hier dus geen zin hebben. Doch zou men voorts in vroeger eeuwen hebben kunnen meenen, dat zulk eene samenwerking van alle Professoren aan eene Universiteit in de beoefening eener wetenschap mogelijk ware, toen men soms meende, dat alle wetenschap in één hoofd gevaren was, en dat één man ongeveer alle vakken van wetenschap kon beheerschen, die meening heeft men wel laten varen. Elke Faculteitswetenschap is op zichzelve zóó onoverzienbaar rijk, dat geen Hoogleeraar in die wetenschap haar ten volle behoorlijk omvatten en onder de knie krijgen kan. En van onderlinge samenwerking van Professoren zelfs in ééne wetenschap kan maar weinig komen, laat staan van samenwerking van Professoren in verschillende Faculteiten. Men kan aan werkverdeeling doen. Maar verder kan men niet dan in een hoogst zeldzaam geval komen. Elke wetenschap is te omvangrijk, elk vak daarvan vereischt weer zooveel. En daardoor is er van de innerlijke eenheid der Universiteiten, die oorspronkelijk bedoeld werd en er ook gedeeltelijk bestond, weinig overgebleven. „Voorts zijn de universiteiten volstrekt niet in dien uitsluitenden zin de kweekplaatsen der wetenschap meer, als zij dat vroeger waren". Dr H. Bavinck, „Het Doctorenambt", blz. 49. „Met alle waardeering van de universiteiten en haar beroemde geschiedenis, is het toch volstrekt niet juist, dat zij steeds de pioniers der wetenschap zijn geweest. De machtigste stoot tot ontwikkeling is dikwerf uitgegaan van mannen, die volstrekt geene universitaire opleiding genoten of m elk geval buiten de universiteit werkzaam waren... En de universiteiten zijn dikwerf zoo enghartig geweest, dat zij de bekwaamste mannen, indien zij niet tot de vrienden behoorden, hun leven lang buiten hebben laten staan. En daarbij komt dan nog, dat wezen en grenzen eener universiteit hoe langer hoe minder voor scherpe bepaling vatbaar blijken", blz. 50. „De toenemende aansluiting van de universiteiten aan het leven van staat en kerk en maatschappij doet ze hoe langer hoe meer in vakscholen uiteenvallen, die slechts door eenige uitwendige banden worden saamgehouden. En naast de universiteiten zijn verschillende scholen opgetreden, die hoe langer hoe meer beteekenis verkrijgen en aan de oude hoogescholen eene sterke concurrentie aandoen", blz. 51 V. De toestanden ook op het gebied van de beoefening dei* wetenschap en met betrekking tot de Universiteiten zijn in den loop der eeuwen zeer gewijzigd, en nu gansch anders dan in de eeuw der Reformatie en kort daarna. Zoodat ook deswege niet volstaan kan worden met het wijzen op wat toen was, om daarmee wat later kwam en nu is, te veroordeelen. Ook in de wetenschappelijke wereld en bij de wetenschapsinrichtingen zijn we niet klaar met enkel feitenmededeeling, maar wordt ook vereischt feitenverklaring, kennis van, en inzicht in, veranderingen. Daarom zou Dr H. H. Kuyper ook niet daarom het bestaansrecht der Theologische School als wetenschapsinrichting naar recht kunnen betwisten, door te stellen, dat samenwerking van alle Hoogleeraren eener Universiteit eerst rechte wetenschapsbeoefening mogelijk maakt. Want zulk eene samenwerking is althans bij de ontwikkeling der wetenschappen en der Universiteiten nu zelfs niet meer denkbaar, laat staan uitvoerbaar. Ook aldus is er voor de tegenstelling: „niet een kerkelijke school, maar een Hoogeschool, die bestemd was alle faculteiten te omvatten" geene plaats. De rechte wetenschapsbeoefening eischt niet eene Universiteit, en sluit geene afzonderlijke Hoogeschool uit, noch eene kerkelijke, noch eene van de Overheid, noch eene van eene particuliere Vereeniging. Alle wetenschappen moeten naar den Woorde Gods beoefend worden. Maar dat brengt niet mee, dat zij noodzakelijk aan ééne inrichting moeten beoefend worden, en niet evengoed aan afzonderlijke Scholen voor elk der wetenschappen in den rechten zin beoefening konden vinden. De samenwerking aller professoren is niet meer mogelijk. De wetenschap is te uitgebreid. En voor kennis van andere vakken van wetenschap zijn de Professoren eener bepaalde Faculteit niet meer afhankelijk van persoonlijk contact met Professoren van eene andere Faculteit. Boeken en Bibliotheken zijn geschikte, voldoende, zoo niet dikwerf betere, middelen ter kennisverkrijging en oriënteering in eenige wetenschap, dan momenteele ontmoeting van personen. Het leven is doorgegaan, ook dat der wetenschap, en van de inrichtingen van wetenschap, met de middelen en wijzen van wetenschapsverwerving. Daarvoor moet het oog niet gesloten zijn bij de bespreking van de quaestie: Universiteit, óf afzonderlijke Hoogescholen voor bepaalde wetenschappen.

De oprichting en instandhouding van de Theologische School uit principiëele overwegingen heeft voorts niets te doen met miskenning van, of te kort doen aan, Christus' Koningschap op heel het gebied der wetenschap. Het mag niet anders dan bedroevend genoemd worden, dat Dr H. H. Kuyper toch dergelijke suggestie heeft durven neerschrijven.

Dr H. H. Kuyper, sprekende over Calvijns eerste optreden te Geneve, schrijft: „Maar als professor of 'doctor ecclesiae is hij noch door de Kerk noch door de Overheid aangesteld", „De Heraut" van 10 Januari j 1. En in „De Heraut" van 17 Januari j.l., dat hij optrad „suo iure". Dat is in overeenstemming met de waarheid, dat de eigenlijke bevoegdheid om als doctor of leeraar op te treden, de innerlijke bekwaamheid, niet door menschen verleend kan worden: door geene Kerk, door geene Overheid, door geen College van geleerden of Hoogleeraren, maar alleen door God. Waarom Calvijn ook schreef; Ipse (Christus) ergo est qui dedit (n.l. de verschiliende ambtsdragers in de gemeente): quia nisi excitet, nulli erunt. Unde etiam colligimus, neminem fore idoneum aut parem tum praecelaro muneri, nisi qui a Christo formatus et factus fuerit. Quod ergo Evangelii ministros ihaijemus, eius est doimum: quod excellunt necessariis donis, eius est donum; quod munus sibi commissum exequuntur, similiter eius donum est = Hij is het derhalve Zelf, Die geeft, omdat er geene (ambtsdragers) zullen zijn, wanneer Hij ze niet verwekt. Waaruit we ook afleiden, dat niemand voor zoo uitnemend ambt geschikt en bekwaam zal zijn, die niet door Christus daartoe gevormd en toebereid is. Dat wij derhalve dienaren des Evangelies hebben, is Zijne gave. Dat zij uitmunten in de noodige bekwaamheden, is Zijne gave. Dat zü het ambt, hun opgedragen, — behoorlijk — uitoefenen, is eveneens Zijne gave. Op Eph. 4 : 12.

Menschen, Kerk, Overheid, Vereeniging, kunnen personen roepen en hun opdragen om ergens, aan eene inrichting, die hun toebehoort, eenige ambtelijke werkzaamheid van onderwijzing uit te oefenen, hun eigenlijke geschiktheid, en daarmede hunne wezenlijke roeping, hun eigenlijke ambt, hebben zij tevoren van God, en onafhankelijk van menschen, al mogen die tot hunne orming en ontwikkeling veel hebben bijgedragen. En anneer ook een College van Hoogleeraren iemand tot Doctor in eenige wetenschap promoveert, is dit geen werkelijk maken, scheppen van eenen Doctor, al gebruikt men hierbij ook den term creare, doch slechts een publiek verklaren, dat iemand in zich de gesohikthei> d of bekwaamheid bezit. Daarom schreef ik in mijn Het Meerderheidsrapport: „Om de zaak van het Doctoraat recht te verstaan, moet men zich wel indenken, hoe het principieel eigenlijk staat met het verleenen van den Doctorstitel: wie daartoe essentieel, principieel het recht heeft, en geeft. Het is een wetenschappelijke titel: een titel die bekwaamheid tot wetenschappelijken arbeid, tot zelfstandigen wetenschappelijken arbeid, verklaart. . .. Dan ligt het in den aard der zaak, dat tot dergelijke declaratie wetenschappelijk alleen het recht heeft een wetenschappelijk persoon of college.... Daaruit vloeit terstond voort: dat wetenschappelijk recht bezit niet de Overheid of Staat. Ook niet eene Vereeniging.... Ook niet de Kerk, " blz. 42. Ook zulk een wetenschappelijk persoon of College kan slechts den titel verleenen, eene publieke declaratie afgeven, niet het eigenlijke recht, de eigenlijke bekwaamheid, en de daarmede van God gegeven roeping. En daarom kan ook iemand zonder dergelijke declaratie, en zonder roeping door Overheid of Kerk, als doctor of leeraar optreden, zooals Calvijn te Geneve, suo iure, wanneer hij door God met de noodige gaven en bekwaamheden toegerust is. Kerk, Overheid, Vereeniging kunnen slechts beslissen, of dat aan door haar opgerichte of onderhouden inrichtingen zal mogen geschieden, en daartoe roepen.

Het is dan ook zoo dwaas, dat men telkens weer de instelling van het Doctoraat aan de Theologische School tegengehouden en bestreden heeft met het beweren, dat e Kerk niet de wetenschap heeft te beoefenen. Door ene inrichting voor de wetenschappelijke beoefening der Theologie te hebben, beoefenen de Kerken geene wetenschap, evenmin als de Overheid wetenschap beoefent door Universiteiten te onderhouden, of de Vereeniging voor Hooger Onderwijs op Gereformeerden Grondslag, door de Vrije Universiteit te beheeren. Die beoefening er wetenschap doen alleen de Hoogleeraren aan die onderscheiden inrichtingen, en dan niet in naam van erk, Overheid, Vereeniging, ofschoon wel op haar verzoek en volgens hare roeping, doch in eigen naam als etenschappelijke mannen of colleges, of beter nog: in 's Heeren naam, Die hen bekwaamde en riep, zij het mede door menschenbemiddeling. Zoo wordt ook de itel Candidaat in de Theologie of Heilige Godgeleerdeid aan de Theologische School verleend. Wie er zich rincipieel tegen stelt, dat zij ook doctorale examens afeemt en den titel van Doctor in de Heilige Godgeleerdeid verleent, moet er zich ook tegen stellen, dat zij den titel van Candidaat in de Heilige Godgeleerdheid vereent, en die moet daarmede samenhangend er zich ook tegen verzetten, dat aan haar wetenschappelijt onderijs wordt gegeven. En die moet dus consequent hare opheffing vorderen.

Het is dwaasheid, dat men het eene zegt en doet, n het andere niet. Calvijn bleek door zijn optreden als octor of Professor, ook ondanks hij toen geene roeping daartoe van Kerk of Overheid had, juister inzicht te hebben, beter de zaken te doorzien.

Bestrijding van de instelling van het Doctoraat aan de Theologische School, d.i. van het Synodale verlof om dat Doctoraat aan haar in te stellen, en van het Synodale treffen der daartoe noodige maatregelen, is „in strijd met de grondbeginselen door Calvijn ons geleerd en door hemzelf in practijk gebracht", „niet naar den eisch van het Calvinistisch beginsel", en „doet te kort aan de hooge roeping om Christus' Koningschap op heel het gebied der wetenschap te handhaven", alsof n.l. bij de Theologie die handhaving maar behoefde te geschieden tot de kennis voor het Candidaats-examen, en niet met betrekking tot de dan nog verdere istudie voor het doctoraal examen en de dissertatie. ^)

Bij de bespreking van het ambt van Doctor en dat van Dienaar des Woords schrijft Dr H. H. Kuyper: „En al heeft Calvijn het doctorenambt streng gescheiden van het predikambt, in zooverre het den doctor geen bevoegdheid gaf om te prediken, de sacramenten te bedienen, de kerk te regeeren en tucht te oefenen, zooals we zagen, hij had daaraan toch uitdrukkelijk toegevoegd : tenzij hij daartoe een roeping ontvangen had. Vereenigbaar waren deze ambten dus wèl en Calvijn zelf heeft dan ook in zijn verder leven beide ambten vervuld." „De Heraut" van 17 Jan. j.l. Uit dit laatste zeggen van de vereenigbaarheid dezer twee ambten en het feit van Calvijns vervullen van beide, blijkt, dat het „streng gescheiden" in het begin van dit citaat niet juist is. Want die Tereenigbaarheid doet zien, dat beide ambten essentieel, in wezen, naar vereischte bekwaamheid en Goddelijke roeping, één zijn, naar de eigenlijke kern, al moge dan het eene omvatten, wat het andere niet per se in zich sluit, en bij het andere wat scherper uitkomen, wat biJ het eene niet in die mate behoeft aanwezig te zijn. Want dat zijn bijkomstige verschillen, die 't wezen niet uitmaken, en slechts accidentia van omvang en graad. De eene mensch kan grooter, sterker, geleerder zijn, dafl een ander mensCh, en daarom ook meer en ander weri kunnen verrichten, maar dergelijke verschillen nemen niet weg, dat beiden essentieel, naar het wezen beoordeeld, -gelijk zijn: beide zijn menschen. En daarop komt het hier aan. Om te beoordeelen of het doctorenamht en dat van Dienaar des Woords één zijn, dan wel twee, moeten we niet bij ondergeschikte punten blijven staan, bij bijkomstigheden, maar zien op het wezen, de innerlijke essentie, evenals we om te beslissen of twee wezens

beide soortgenooten zijn, niet ons tevreden stellen met 't onderzoek, of het ééne wezen ook grooter iss, dan het andere, maar Tragen naar het innerlijk bestaan, naar het genus, naar het wezen. Vereenigbaarheid van doctorenambt en predikambt beteekent niet, dat eenzelfde persoon ze wel tegelijkertijd uitoefenen kan, maar dat zij innerlijk harmonieeren, niet elkander uitsluiten, doch bij elkander behooren, zoodat de uitoefening van het eene tegelijk is uitoefening van het andere, en de vervulling van het eene die van het andere niet verhindert.

Eenzelfde persoon kan wel predikant zijn en kassier, of ook timmerman, of bevelhebber. Hij kan best voor beide uitnemende capaciteiten hebben. Maar het ambt van dienaar des Woords is niet vereenigbaar met de werkzaamheid van kassier, timmerman, bevelhebber. Wanneer iemand zou timmeren, bankzaken regelen, het bevel over soldaten voeren, kon hij' niet tegelijk zijn ambt als dienaar des "Woords vervullen. Vandaar ook dat iemand, die, predikant zijnde, kassier zou worden, of eene timmerzaak ging drijven, niet predikant kon blijven, maar zou overgaan „tot eenen anderen staat des levens". Derhalve volgt uit de vereenigbaarheid van het doctorenambt en dat van dienaar des Woords, dat deze twee innerlijk verwant en essentieel één zijn, en feitelijk geen onderscheiden ambten zijn, maar éénzelfde ambt, dal zich echter tot op zekere hoogte in tweeën vertakt, van welke deelen dan het eene speciaal de wetenschappelijke beoefening der Theologie, en het andere ook wel deze, maar daai'bij den dienst des Woords, der Sacramenten en der tucht tot opdracht heeft. En dat Calvijn zoowel het predikambt als het doctorenambt vervulde, bewijst, dat hij deze twee niet „streng gescheiden" hield, maar ze als bij: elkander behoorende, met elkander eene eenheid vormende, beschouwde. Dit komt ook duidelijk uit in Calvijns bespreking van Eph. 4 : 1] : „neque etiam nego Doctoris nomen in omnes Pastores aligpiatenus oompetere'' = ik ontken ook niet, dat de naam doctor in zekeren zin toekomt aan alle herders. Toch wil bijl deze niet verwarren (confundam), zegt hiji: Tametsi enim omnium Pastorum est docere: peculiare tarnen donum est intei-pretandae Scripturae, ut dogma^ turn sanitas retineatur = want hoewel het de taak van alle herders is te onderwijzen, is er toch bene bizondere gave om de Schrift uit te leggen, opdat de gezondheid der dogmata (geloofswaarheden) bewaard blijVe. Doctor aliquia esse poterit, qui tamen concionando non erit appositus = en iemand kan doctor zijn, die niet geschikt is om te preeken. Pastores ergo sunt, meo indioio, quibus certi gregis cura oommissa est = herders zijn naar mijn oordeel degenen, aan wie de zorg voor eene bepa.alde kudde is opgedragen. Quibus Doctorum nomen attribui non dispiicet, modo interim sciamus alterum esise Doctorum genus, qui tam formandis Pastoribus quam: erudiendae toti Ecclesiae praesunt = aan dezen den naam doctor toe te kennen, mishaagt mij niet, wanneer we ondertusschen maar weten, dat er een ander soort van doctoren is, die de leiding hebben (praesunt) zoowel bij de vorming van herders, als bij de onderwijzing of ontwikkeling (erudiendae) van de geheele kerk. Non quin idem interdum Pastor esse queat qui Doctor est: sed quia faculates sunt diversae ^ niet dat ondertusschen niet dezelfde persoon herder zou kunnen zijn, die doctor is : maar omdat de bekwaamheden '(facultates) onderscheiden zijn (diversae, uiteenloopend). We zien het, Oalvijn houdt deze twee ambten niet „streng gescheiden", maar beschouwt ze als nauw samenhangend, als tot op zekere hoogte één, maar toch met eenig verschil. Beide moeten de Heilige Schrift onderwijzen, uitleggen. Dat is de groote zaak, de wezenlijke eenheid. De een moet dat als doctor uitsluitend doen, en op eene wijze, dat het ter onderwijzing der geheele Kerk dient en tot vorming van a.s. dienaren des Woords, de andere is bij zijn onderwijs beperkt tot eene bepaalde Kerk, ook al kan zijn arbeid mede tot heil van andere kerken strekken, en hij heeft daarbij nog andere kerkelijke werkzaamheden (Sacramentsbediening, tuchtoefening). In zijne Institutie schrijft Calvijn: „inter quos (Pastores ac Doctores) hoc discriminis esse puto quod Doctores nee disoiplinae, nee Sacramentorum administrationi, neo monitionibus aut exhortationibus prausunt, sod Scripturae tantum interpretationi: ut sincera sanaque doctrina inter fideles retineatur. Pastorale autem munus haec omnia in se oontinet = tussohen welke (herders en 'doctoren) dit onderscheid is, naar ik meen, dat de doctoren niet de tucht uitoefenen, noch de Sacramenten bedienen, noch den dienst der vermaningien en opwekkingen vervullen, maar slechts dien van de uitlegging der Schrift, opdat de zuivere en gezonde leer onder de geloovigen bewaard blüve. Het herdersambt echter omvat dat alles in zich, IV, 3, 4. Het ambt van Dienaar des Woords omvat dus ook het Doctorenambt. Essentieel verschil tusschen beide ambten is er niet. Alleen maar bijkomstig van omvang en wijze. Dat onderscheid neemt echter de wezenlijke identiteit, de kerneenheid a.h.w. niet weg. Een doctor moet om in de bediening des Woords en in die der Sacramenten en van de tucht te mogen optreden, eerst nog daartoe in den kerkelijken weg geroepen worden. Zoo zegt het ook onze Kerkorde. „Het ambt der Doctoren of Professoren in de Theologie is, de Heilige Schrifture uit te leggen, en de zuivere leer tegen de ketterijen en dolingen voor te staan, " Art. 18. „Der Dienaren ambt is, in de gebeden en bediening des Woords aan te houden, de Sacramenten uit te reiken ", Art. 16. „Het zal niemand, alhoewel hij een Doctor, Ouderling of Diaken is, geoorloofd zijn den dienst des Woords en der Sacramenten te betreden, zonder wettelijk daartoe beroepen te zijn..", Art. 3.

Stelt dit echter een wezenlijk verschil tusschen beide ambten van Doctor en Dienaar des Woords ?

Neen.

De Doctoren of Professoren in de Theologie hebben de Heilige Schrift uit te leggen en de zuivere leer tegen de ketterijen en dwalingen voor te staan.

De Dienaren des Woords hebben het Woord te bedienen, d.i. dus ook de Heilige Schrift uit te leggen en met of uit haar de dwalingen te bestrijden.

Dat is beide zakelijk hetzelfde.

De Dienaar des Woords is ook Doctor, zooals Calvijn zeide: Pastorale autem munua haec omnia in se continet = het ambt van den herder omvat dat alles in zich, n.l. ook de taak van den doctor, tevoren genoemd.

Het verschil is slechts bijkomstig.

Wanneer dit niet zoo ware, en het verschil essentieel ware, mochten de Dienaren des Woords, die Professor in de Theologie werden, ook niet de eere en het recht van Dienaar des Woords behouden, maar gingen zij over tot eenen anderen staat des levens, evenals wanneer een Dienaar des Woords Professor in de Philosophie of in de Rechten of in de Medische wetenschap zou worden.

Toch stelt men het meermalen voor, alsof dat verschil wezenlijk ware. Zoo schrift ook Dr H. H. Kuyper: „Hoe nauw die arbeid der theologische doctoren of professoren ook met de kerk in verband staat en in gansch eenigen zin de kerk dient (wat van de andere professoren natuurlijk niet kan gezegd worden), waarom Calvijn en onze Eerkenorde dien onder de „diensten" der kerk opnamen, een kerkelijk ambt in eigenlijken zin, zooals het ambt van predikant, ouderling en diaken is dit doctorenambt niet. Evenmta als het ambt van schoolmeester, al dient dit om de jeugd Christelijk te onder- Wijzen, een kerkelijTi ambt is, al wordt ook over dit ambt zoowel in de Ordonnaiices Ecclesiastiques als in onze Kerkenorde '(Art. 21) gehandeld en wel terstond na het professorenambt", „De Heraut" van 10 Jan. j.l.

Hierbij moet allereerst 'de opmerking gemaakt worden, dat het Doctorenambt ook een „munus" heet. Ook officium, en ooik „dienst'', evenals 'dat van Dienaar des Woords, Ouderling en Diaken, maar ook „munus". Vgl. Art. 13 van de Kerckenordeninghe van de Nat. Middelb. Synode van 1581, editie Dr F. L. Rutgers, 1889, blz. 391: „Theologiae 'doctorum munus est...." Dr H. H. Kuyper gebruikt hier het woord dienst, dat onze Kerkenorde ook bezigt, en zet het daarom tussohen aanhalingsteekens. Maar in verband met zijne vergissing aangaande het vermeende niet-gebruik van munus in onze Kerkorde met betrekking tot het Doctorenambt, in „De Heraut" van 15 Maart 1914, en ook van 29 Maart d.a.v., wekt het gebruik van „dienst" hier verdenking, 'dat de oude vergissing mogelijk nog nawerkt. Een koster doet ook dienst voor het kerkelijk leven. Maar 'Zijn werk behoort toch niet tot de „diensten" waarvan onze Kerkorde spreekt, „Dienst" is in onze Kerkorde eenvoudig ambt, officium, munus.

In de tweede plaats moet hier op de fout van Dr H. H. Kuyper gewezen worden, dat hij het ambt van Schoolmeester essentieel gelijk stelt met het Doctorenambt. Onze Kerkorde handelt wel over de Sdhoohneesters, len ook kort na haar spreken over het ambt der Doctoren, Artt. 21 en 18, maar op eene geheel andere wijze. De nabijheid dezer artikelen zegt hier niets omtrent het essentieel gelijke der ambten van Schoolmeester en Doctor. Art. 21 luidt: „De Kerkeraden zullen alom me toezien, dat er goede schoolmeesters zijn, die niet alleen de kinderen leeren lezen, schrijven, spreken en vrije kunsten, maar ook dezelve in de godzaligheid en in den Catechismus onderwijzen". Misschien kan iemand met dit artikel wel bewijzen, dat het ambt van Schoolmeester juist wel een kerkelijk ambt is, maar dat van Doctor niet. Want immers : „De Kerkeraden zullen alomme toezien, dat er goede schoolmeesters zijn."

Maar onze Kerkorde heeft wel het Doctorenambt onder de kerkelijke ambten, officia, munera, opgenomen, maar niet dat van Schoolmeester : „De diensten zijn vierderlei: der Dienaren des Woords, der Doctoren, der Ouderlingen en der Diakenen'', Art. 2. En zoo neemt ook Calvijn het Dootorenambt wel onder de kerkelijke munera of officia op. Institutie, IV, 3, 4; C o m m. op 1 Cor. 28 T.v. en op Eph. 4:11 v.v. Waimeer Dr H. H. Kuyper 'daarom ontkent, dat het Doctorenambt een kerkelijk ambt is, is hij vlak in strüd met Calviin en onze Kerkorde. En wanneer hij voorts het Doctorenambt met het ambt van Schoolmeester gelijkstelt, en daarbij nog wel 'de behandeling van dit laatste in onze Kerkorde een paar artikelen na die over het eerste als argument voor wezenlijke gelijkheid schijnt te willen laten gelden, levert hij een bewijs van vrij luchthartige, onnadenkende, oppervlakkige reöeneermethode, waarbij het niet schijnt te gaan om juiste uiteenzetting der zaken, maar om zeker vertoon en indruk op ondeskundige lezers.

De vraag is, of het feit, dat ook een Doctor niet den 'dienst des Woords noch dien der Sacramenten noch 'dien der kerkelijke tucht mag waarnemen, als hij niet eerst daartoe „wettelijk beroepen" is. Art. 3 K.O., bewijst, dat het Doctorenambt wezenlijk verschilt van het ambt van Dienaar des Woords, en geen kerkelijk ambt is. Zoo ja, 'dan moet de Kerkorde gewijzigd worden, en dan heeft Calvijn het mis gehad.

Het komt er dus op aan, nader te bepalen wat men onder „kerkelijk" verstaat, en welke beteekenis hier, i n dit geval, de kerkelijke beroeping heeft.

Wie stelt een kerkelijk ambt in, d.i. een ambt in de Kerk? Doet de Kerk dat zelve? Heeft zij daartoe het recht en de macht ? De Heilige Schrift zegt; Christus. Hij riep Zijne apostelen en machtigde hen en zond hen uit, Matth. 10:1 v.v.; 16:18 v.v.; 18:18 v.v.; 28 : 19. Ook riep Hij Paulus, Hand. 9. „En dezelve heeft gegeven sommigen tot Apostelen " Eph. 4:11; 1 Cor. 12 : 28. Dat leert ook Calvijn: Ipse ergo est qui dedit: quia nisi excitet nuUi erunt. TJnde etiam colli-gimus, neminem fore idoneum aut parem tam. praeclaro muneri, nisi qui a Ohristo formatus et factus fuerit =: Hiji Zelf (Christus) is het, die geeft, omdat, wanneer Hij niet verwekt, er geen (ambtsdragers) zullen zijn. Waaruit we ook afleiden, dat niemand voor zulk een uitnemend ambt geschikt en bekwaam (opgewassen) is, als hij niet door Christus gevormd en toebereid is, Calvijn op Eph. 4 : 11. Een ambt in 's Heeren Kerk sluit in bevoegdheid van 's Heeren wege tot zeker werk, gezag van 's Heeren wege daarbij, bekwaamheid daartoe, en roeping van 's Heeren wege tot dat werk. Als 'deze ontbreken, is eenige werkzaamheid in 's Heeren gemeente geen ambt. En dus geeft alleen de Heere het ambt. Dat stelt Hij in. Hö zegt, wat in en door Zijne Kerk gedaan moet worden. Hij machtigt, rust toe met bekwaamheid en gezag. Door Hem alleen kan een kerkelijk ambtsdrager met Zijn gezag en met bekwaamheid optreden. En Hij verwekt de ambtsdragers «n verleent hun de vereischte geschiktheden en roept hen of zendt hen en machtigt hen.

Dat doet Hij alleen.

Dat kan niemand anders doen, en niemand mag zich aanmatigen, een kerkelijk ambt, een ambt in 's Heeren Kerk, in te stellen. Dat zou vergrijp zijn aan 's Heeren hoogheid, len slechts ijdel vertoon.

Dus stelt ook de Kerk geen kerkelijk ambt in.

Zij kan dat niet, en mag niet doen alsof.

Daarom is ook de kerkelijke roeping van ambtsdragers geen ambtsinstelling: slechts eene aanwijzing van personen, die eenig ambt in 's Heeren Kerk hebben te vervullen: een oordeelen, dat 'die en die personen van den Heere de noodige bekwaamheid tot dat of dat ambt ontvingen, en de roeping van deze personen, om -dat ambt, door Christus ingesteld, te bedienen. En is' het recht bij die kerkelijke beoordeeling en roeping toegegaan, dan heeft de Heere ZeH door het instrument Zijner Kerk publiek dat oordeel en die roeping doen uitgaan.

Eene kerkelijke roeping stelt dus geen ambt in. Zij regelt slechts de bediening of uitvoering van een ambt. Zij is maar eene uitwendige ordening, waarvan de Heere Zich bedienen wil om in het openbaar, voor allen zichtbaar, aan te wijzen, te roepen, wie eenig ambt in Zijne Kerk bedionen zal. Maar dat ambt zelf geeft Hij Zelf onmiddellijk: Hij bepaalt welk werk er gedaan moet worden, ten met welk gezag en door welke kracht dat gedaan moet worden, n.l. in Zijnen naam en in Zijne kracht, en Hij schenkt de geschiktheid om dat werk te 'doen.

Hij alleen stelt eenig ambt in Zijne gemeente in, en geeft 'dat.

geeft 'dat. Ook roept Hij den persoon, die dat ambt vervullen moet.

Hij roept inwendig door toerusting met bekwaamheid en lust.

En Hiji roept daarbij' uitwendig' door het instrument Zijner Kerk.

Deze kerkelijke roeping, ofschoon van groote waarde, is in deze ambtsquaestie 'dus toch maar van ondergeschikte beteekenis.

En of 'het Doctorenambt een kerkelijk ambt is, hangt 'daarom maar niet af alleen van de kerkelijke roeping. Die gaat er slechts over: of die en die persoon die en die kerkelijke ambtswerkzaamheden mag en moet verrichten. Dat is eene quaestie van p e r s oi n e n, niet van ambt.

De kerkelijke ambten zijn 'door Christus ingesteld en gegeven. De kerkelijke roeping 'dient slechts tot instrumenteele aanwijzing der personen, om die ambten te bedienen.

En wanneer onze Kerkorde zegt: „Het zal niemand, alhoewel hij een Doctor, Ouderling of Diaken is, geoorloofd zijn den dienst des Woords en der Sacramenten te betreden, zonder wettelijk 'daartoe beroepen te zijn, " Art. 3, dan handelt zijl niet over het ambt, maar over den ambts drager, en dan zegt zij niet, dat het „wettelijk beroepen te zijn" een ambt, een kerkelijk ambt, maakt of instelt, maar slechts, dat het roept tot bediening van een ambt.

Wanneer Dr H. H. Kuyper daarom schrijft: „een kerkelijk ambt in eigenlijken zin, zooals het ambt van predikant.... is dit dootosenambt niet", verwart hij ambt en 'kerkelijke roeping tot ambtsbediening. Dat zijn twee zeer onderscheiden zaken, al staan zij in nauw verband. Doch kerkelijke roeping tot ambtsbediening beslist niet over de vraag, wat al óf niet een kerkelijTi ambt is. Over dit laatste beslist alleen de inzetting van Christus. En onze Kerkorde zoowel als Calvijn zeggen duidelijk, dat het Doctorenambt een kerkelijk ambt is, d.i. een door Christus aan Zijn Kerk gegeven ambt. Daaraan valt niet te wrikken, ook niet door eene averechtsche redeneering inzake den eisch van „wettelijk beroepen te zijn" in Art. 3 K.O. In zoover geldt ook hier: ubi facta sunt non opus est argumentis, waar de feiten aanwezig zijn, is geen betoog meer noodig.

Bij zijne redeneering te dezer zake ziet Dr H. H. Kuyper over het hoofd, dat wanneer wij van Predikant, Ouderling, Diaken spreken, we in deze namen de kerkelijke roeping reeds ingesloten hebben, en die bij deze namen reeds verondersteld wordt, maar dat is bij het woord Doctor niet het geval. En daarom moet bij bet spreken over het Doctorenambt uitdrukkelijk nog gezegd worden, dat er eerst eene wettelijke roeping zijn moet, voordat zulk een Doctor in de

bediening des Woords en der Sacramenten mag optreden. Wanneer de namen Predikant, Ouderling, Diaken, niet reeds door gebruik de kerkelijke roeping -veronderstelden, insiloten, zou ook 'bij hen eerst nog uitdrukkelijk gezegd moeten worden, dat zij in de bediening fvan Woord en Sacrament niet mogen optreden zonder eerst wettelijk daartoe beroepen te zijn. Het is hier dus slechts eene quaestie van woordgebruik, doch niet van ambtsrealiteit.

En zegt men, zooals Dr H. H. Kuyper : „Onze Confessie, die in Artikel 30 zeer omstandig de geestelijke politie of regeering beschrijft, die Christus in Zijn woord voor de kerk voorgeschreven heeft, noemt wel de predikanten, ouderlingen en diakenen, die te samen als den raad der kerk vormen, maar zwijgt over dit doctorenambt. Een „geloofsartikel" is dit doctorenambt dus nooit geweest, want dan had het in onze 'Geloofsbelijdenis, waar deze over deze ambten handelt, moeten genoemd zijn" „De Heraut" van 10 JaJi. j.l., dan redeneert en concludeert men op die wijze ook weer zeer oppervlakkig en onjuist. Want voor het rechtmatige en gegronde dezer argumentatie moest men eerst aantoonen, dat het Doctorenambt en het ambt ivan Dienaar des Woords essentieel onderscheiden zijn, en door onze vaderen wezenlijk verschillend beschouwd werden. En dat is duidelijk niet het geval. Galvijns woorden en onze Kerkorde wijzen het onweersprekelijk uit. Doch voorts wordt in Art. 30 van onze Confessie niet uiteengezet, welke kerkelijke ambten de Heere heeft ingezet, zooals in onze Kerkorde, Art. 2, doch daar gaat het over de Kerkregeering: Wij gelooven, dat deze ware Kerk geregeerd moet worden (gubernari debere), naaa* de geestelijke politie '(Spirituali illa politia), die ons onze Heere geleerd heeft in Zijn Woord. Daar behoefden dus de Doctores niet genoemd te worden, gelijk Dr H. H. Ku-yper beweert van wel, als hun ambt een kerkelijk ambt ïs. Want al is het Doctorenambt een kerkelijk ambt, evenzeer als het Predikambt, daarmede is niet gezegd, dat het een ker'kelijk regeer ambt is. Daarvoor moet eerst juist kerkelijke roeping geschieden. En over de ambten, door welke Christus Zijn Kerk geregeerd wil hebben, 'handelt Art. 30 van onze Confessie. Allerminst dus ontkent dit artikel, dat het Doctorenambt een kerkelijk ambt is. Het heeft niet tot doel, het aantal kerkelijke ambt en, door Christus gegeven of ingesteld, te behandelen, doch spreekt slechts over de kerk regeering, hoe de Kerk geregeerd moet worden, n.l. niet door Pausen, nooh door de wereldlijke Overheid, maar door Dienaren des Woords, Ouderlingen, Diakenen. Een argumentum e silentio, een bewijs krachtens niet noemen, tegen het kerkelijk karakter van het Doctorenambt kan dus niet met recht uit dit artikel 30 van onze Confessie afgeleid worden. Dit artikel kan in dezen strijd niet gebruikt worden. Deze quaestie moet uit andere stukken en op andere gronden beslist worden, als: Calvijns uiteenzetting, onze Kerkorde, de beschouwing onzer Vaderen. Van een verschil tusschen Kerkorde en Confessie is dan ook geene sprake. De Kerkorde noemt de ambten en houdt zich verder bezig met de regeling der ambtsbediening, de kerkelijke ordening van de uitoefening van de ambten van Dienaar des Woords, Ouderling, Diaken. De Confessie houdt zich niet 'bezig met de vraag uaar 'het aantal ambten, maar aJleen met de vraag, door wie en hoe de Kerk geregeerd moet worden.

Hoe we dus, naar Calvinistische beschouwing, over het Doctorenambt oordeelen moeten, moet beslist worden naar Galvijns uiteenzettingen, de bepalingen onzer Kerkorde, en de voorstellingen der andere Gereformeerde schrijvers, maar daarbij kan Art. 30 van onze Confessie niet gebruikt worden, omdat dat zich in deze quaestie niet uitspreekt, haar zelfs niet aanroert, maar eene andere vraag beantwoordt. Alleen kunnen we zeggen, dat naar Calvijns beseïhouwing, en de woorden van onze Kerkorde, en de opvatting onzer Gereformeerde vaderen, het Doctorenambt kan opgesloten liggen in „Dienaars of Herders om Gods Woord te prediken" (Ministri seu Pastores.... qui verbum Dei annuncient), en ook deswege niet afzonderlijk genoemd behoefde te worden. Het kon daar niet genoemd worden, omdat het geen ambt van kerkregeering is, waarover het in dat artikel gaat, en behoefde niet genoemd te worden naast het ambt van Dienaar des Woords, omdat het essentieel geen ambt naast dat ambt is, doch naar innerlijk wezen hetzelfde, slechts met bijkomstig verschil van bediening, uitoefening.

'Ooi betreffende dit punt gaat de redeneering van Dr H. H. Kuyper dus geheel fout. Zijne argumentatie heeft daarom ook hier geenerlei bewijskracht voor de stelling, dat het Doctorenambt geen ker'kelijk ambt in eigenlijken zin is.

Dr H. H. Kuyper wil in zijne artikelen in „De Heraut" van 10 Jan. j.l. en volgende nummers aantoonen, dat de Theologische School uit principe handhaven, ook nu de Vrije Universiteit bestaat, „in strijd is met de grondbeginselen door Calvijn ons geleerd en door 'hem in practijk gebracht". Dat zij eene kerkelijke school is, en bestaan blijft ondanks de Vrije Universiteit er is, schijnt eene groote zonde. We weten de geweldige woorden er tegen ingebracht. Zij zijn reeds meermalen geciteerd. Maar de Vrije Universiteit zou geheel zijn, wat Calvijn eigenlijk wilde : „.... mijn doel was toch tegelij'k om aan te toonen, hoe niet eene kerkelijke opleidingsschool voor de a.is. Dienaren des Woords, maar alleen een Hoogeschool, die alle vakken der wetenschap omvat, aan de beginselen van Calvijn fvoldoet. Het is wel de beste rechtvaardiging voor de mannen, die onze Vrije Universiteit hebben gesticht. Dat zij niet als Calvijn die stichting aan de OveAeid hebben gevraagd, maar daartoe zelf zijn overgegaan, raakt natuurlijk niet een Calvinistisch beginsel en is alleen daaraan te wijten, 'dat onze Overheid zulk een Gereformeerde Hoogeschool niet stichten kon of - wilde", „De Heraut" van 24 Jan. j.l.

Zoo tracht Dr H. H. Kuyper zich hier uit de moeilijkheld te redden. Als door een handigheidje. „Dat zij niet als Calvijn die stichting aan de Overheid hebben gevraagd, maar daartoe zelf zijn overgegaan, raakt natuurlijk niet een Calvinistisch beginsel." Maar met zulk eene wending zal het niet gaan. Zulk een eenvoudig zinnetje zonder eenig nader bewijs is niet voldoende''). Alle de ontzettende gezegden, door Dr H. H. Kuyper in deze „Heraut"-artikelen tegen de Theologische School gericht, treffen ook zoo goed als alle de Vrije Universiteit.

In de eerste plaats heeft Dr H. H. Kuyper in deze artikelen de tegenstelling gemaakt: „niet door de Kerk, maar door de Overheid". Dat was een der pijlen tegen de Theol. School. En nu zou het „door de Overheid" „natuurlijk niet een Calvinistisch beginsel" raken? Dan had Calvijns stichting der Akademie door de Overheid niet tegen de Theologische School mogen zijn aangevoerd. Dat Calvijn die stichting door de Overheid deed geschieden, was bij Calvijn deels wel beginselzaak. Zij was eene zaak van gedwongenheid, zooals tevoren is aangewezen. Maar ook hing zij bij hem samen met een beginsel, met zijne opvatting van de roeping der Overheid ten aanzien der Kerk. En dus is de uitspraak, dat de stichting der Vrije Universiteit niet door de Overheid, „niet een Calvinistisch beginsel" raakt, niet juist. Ten aanzien van de stichting der Vrije Universiteit geldt in dezen evenzeer of evenmin als ten aanzien der Theologische School: „in strijd met de grondbeginselen door Calvijn ons geleerd en door hemzelf in praktijk gebracht".

En verder: Dr H. H. Kuyper schrijft: „Het „voor de Kerk door de Kerk" is nooit het beginsel van Calvijn noch van onze Gereformeerde Kerken geweest", „De Heraut" van 10 Jan. j.l. Omtrent dit laatste kunnen we zeggen, dat het Convent te Wezel wel een ander geluid heeft doen hooren. En voorts, dat hier bij de Gereformeerde Kerken eene gedienstigheid der practijk is geweest, een zich schikken naar het gemak. Maar daarvan afgezien: Met nog meer recht kan gezegd worden: „Het „door eene particuliere Vereeniging" is nooit het beginsel van Calvijn noch van onze Gereformeerde Kerken geweest". Daar heeft Calvijn nimmer aan gedacht, niet eens aan kunnen denken, en daar hebben ook onze Gereformeerde Kerken nimmer aan gedacht. Geldt dus het bovengenoemde met recht tegen eene kerkelijke Hoogeschool, dan geldt het met nog meer recht tegen eene Vereenigings hoogeschool. Calvijn en de Gereformeerde Kerken der Reformatie-eeuw hebben van zulk eene Vereenigingshoogeschool geene voorstelling gehad. Hunne beschouwing der Overheidsroeping ten aanzien der Kerk leidde hun denken in andere richting. En hun practische zin, die rekende met de te maken kosten bij de oprichting en instandhouding eener Hoogeschool „die alle vakken der wetenschap omvat", zou hen eventueel voor zulk eene onderneming ook wel hebben doen terugdeinzen. In verband met de Vrije Universiteit komen we hier later nog op terug.

Is dus de Theologische School „in strijd met de grondbeginselen door Calvijn ons geleerd en door hemzelf in practijk gebracht", „niet in de Schrift gegrond", en „in strijd met heel de historie van het Calvinisme", dan geldt dit niet minder, doch veeleer nog meer en sterker tegen de Vrije Universiteit. En raakt het: niet door de Overheid, maar door eene Vereeniging, „natuurlijk geen Calvinistisch beginsel", dan natuurlijk ook niet en nog minder: niet door de Overheid, maar door de Kerk.

Met enkel beweringen zijn we ook hier niet klaar.

Maar daar is ten tweede nog iets anders ook.

De groote zonde der Theologische School is, dat zij, behalve dat zij geene Universiteit is, van de Kerken uitgaat, door de Kerken werd opgericht en wordt onderhouden. „Calvijn heeft te Geneve niet een kerkelijke school gesticht. Eerst veel later... hebben ook de Protestantsche Kerken noodgedrongen tot deze kerkelijke opleidingsscholen de toevlucht genomen. Maar naar den eisch van het Calvinistisch beginsel was dit niet...", „De Heraut" van 10 Jan. j.l. „...mijn doel was aan te toonen, hoe niet een kerkelijke opleidingsschool voor de a. s. Dienaren des Woords... aan de beginselen van Calvijn voldoet.

We zien, eene groote verkeerdheid schuilt juist ook in dat kerkelijke.

Maar hoe staat het dan met de Theologische Faculteit van de Vrije Universiteit? Is die vrij van de Kerken?

Volgens het Jaarboek 1936 van de Vrije Universiteit kwam in 1935 voor de Theologische Faculteit aan collecten uit de Gereformeerde Kerken in de som van f39726, 08. En volgens de Handelingen der Curatoren van de Theologische School van 1936 kwam voor de Theologische School aan collecten in het laatste boekjaar binnen 140044, 451/2- Aan collecten in de Gereformeerde Kerken kwam dus voor de Theologische Faculteit der Vrije Universiteit in het laatste jaar op enkele guldens na evenveel in als voor de Theologische School. Die collecten brengen ongeveer of bijna de honoraria der Hoogleeraren in de Theologische Faculteit en aan de Theologische School op. De Theologische Faculteit der Vrije Universiteit wordt dus evenzeer als de Theo­ logische School, zoo goed als geheel finantiëel in stand gehouden door de Gereformeerde Kerken. Hielden de Gereformeerde Kerken op, hare collecten voor de Theologische Faculteit der Vrije Universiteit te houden, dan kon die Faculteit niet blijven bestaan, maar moest zij terstond wegvallen.

De Theologische Faculteit van de Vrije Universiteit rust finantiëel dus geheel op de Gereformeerde Kerken, en is finantiëel van deze Kerken geheel afhankelijk, niet minder dan de Theologische School.

Als nu de Kerken geene kerkelijke Theologische School mogen onderhouden, em finantiëele afhankelijkheid der Theologische School van de Gereformeerde Kerken afkeurenswaard is, dan mogen zij evenmin de Theologische Faculteit finantiëel zoo op zich laten rusten.

Hier is geen noemenswaard verschil tusschen de Theologische Faculteit der Vrije Universiteit en de Theologische School.

Een aanval te dezer zake op het bestaansrecht der Theologische School is principieel evenzeer een aanval op de Theologische Faculteit der Vrije Universiteit.

Die collecten van de Gereformeerde Kerken voor de Theologische Faculteit der Vrije Universiteit zijn voorts geene vrije collecten, in dien zin, dat de Kerken uit eigen aandrift die zouden houden. Contractueel zijn zij er toe verplicht. Art. 14 van de „Regeling van het verband tusschen de Gereformeerde Kerken in Nederland en de Theologische Faculteit der Vrije Universiteit te Amsterdam" luidt: „De Kerken steunen de Theologische Faculteit met minstens twee collecten per jaar". De Theologische School heeft in dezen niets voor. Zelfs eene eventueele derde collecte voor de Theologische School zou spoedig den eisch doen hooren, dat dan ook voor de Theologische Faculteit eene derde collecte gehouden moest worden.

We zien 'het, dit woord „steunen" is a.h.w. een verkleinwoord, eene litotes. Dte Theologische Faculteit wordt evenzeer in financieel opzicht ge'heel door de Gereformeerde Kerken gedragen of onderhouden, als de Theologische School.

Waarom moet dan door een Hoogleeraar in de Theologische Faculteit der Vrije Universiteit telkens zoo tegen de Theologische Sc'hool gestreden worden, omdat zij 'door de kerken wordt onderhouden? Wat bij de eene fout zou zijn, ware dat evenzeer bij 'de andere.

Maar dit niet alleen.

De Hoogleeraren in de Theologische Faculteit der Vrije Universiteit worden op eenigszins an'dere wijze benoemd, dan die aan de Theologische School. Maar evenmin vrij van de Gereformeerd© Kerken. Met hare D'eputaten ter oefening van het verband moet gerekend en gecorrespondeerd worden inzake benoeming van Hoogleeraren in de Theologische Faculteit. Die Deputaten hebben toezicht te houden op de colleges dezer Hoogleeraren wat 'zuiverheid van leer en geschiktheid voor de oplsiding tot den dienst des Woordsi betreft. Een en ander kan gevolgen hebben, die tot afzetting zouden leiden, of ook tot opzegging van 'het contract der Kerken met de Theologische Faculteit. De Theologische Faculteit is dus evenmin onafhankelijk yan de Kerken als het College van Hoogleeraren van de Theologische School. En anderzijds zijn d© Hoogleeraren der Theologische School in hun onder'wijs wetenschappelijk even vrij als die der Theologische Faculteit. Ook moet het onderwijs der Hoogleeraren in de Theologische Faculteit evenzeer geric'ht zijn op de opleiding tot den dienst des Woords, als dat van de Hoogleeraren der Theologische School.

In het wezen der zaak is de Theologische Faculteit der Vrije Universiteit eene kerkelijke Faculteit. Het verschil van de Theologische Faculteit met de Theologische School ter zake van de verhouding tot de 'Gereformeerde Kerken, is minimacd. Ook de Theologisoke Faculteit van de Vrije Universiteit wordt financieel geheel of zoo goed als geheel door de Gereformeerde Kerken onderhouden en rust in dat opzicht op die Kerken. En inzake benoeming van Hoogleeraren en hun onderwijs staat zij onder controle van die Kerken, niet alleen wat het belijden en het leven dier Hoogleeraren aangaat, maar ook wat het karakter van dat onderwijs betreft inzake geschiktheid voor de opleiding tot den dienst des Woords.

Men moge dit betreuren. Dr A. Kuyper Sr. isprak over het vastzitten met de kleine teen in de klem. Maar dat neemt het feit niet weg. Wanneer iemand ook maar met de kleine teen vastzit, heeft hij zijne vrijheid verloren, en zit hij gebonden. En hier is 'het nog wel iets meer dan de kleine teen, die vastzit.

Wezenlijk is de Theologische Faculteit 'der Vrije Universiteit eene k e r k e 1 ij k e Faculteit.

Wat voor zin heeft het nu, dat een Hoogleeraar dezer kerkelijke Faculteit, die in verhouding tot de Gereformeerde Kerken zoo weinig, te dezer zake onbeteekenend weinig, verschilt van de Theologische School, telkens met zwaar geschut die Theologische School beschiet als kerkelijke school, en als 'deswege bestaansrecht missende ?

Al die geweldige dingen: „in strijd met de grondbeginselen door Calvijn ons geleerd en door hem m practijk gebracht"; „niet in de Schrift gegrond"; „iQ strijd met heel de historie van het Calvinisme"; „doet te kort aan de hooge roeping om Christus' Koningschap op heel het gebied der wetenschap te handhaven"; „voldoet niet aan de beginselen van Calvijn ; „kerkelijke school", gelden evenzeer tegen de Theologische Faculteit der Vrije Universiteit als tegen de Theologische School, wanneer zij werkely* tegen deze laatste van eenige beteeke-

nis en kracht zouden zijn, wat niet het geval is.

Men kan dit ontkennen. Men kan er zijn oogen voor sluiten. De werkelijkheid wordt daardoor niet weggenomen, noch veranderd. Zelfs niet wat betreft dat niet handhaven van Christus' Koningschap op heel het gebied der wetenschap. Want hoeveel is er op h e e 1 het gebied der wetenschap, dat ook aan de Vrije Universiteit nog niet, of nog niet naar eisoh en in vollen omvang, beoefend wordt.

Daarom moest Dr H. H. Kuyper, en moest men van den kant der Vrije Universiteit, eindelijk eens zijnen ongerechtvaardigden, oneerlijken, onwetenschappelijken strijd tegen de Theologische School nalaten.

Want hier is bovendien nog een derde iets.

Dezer dagen werd gepubliceerd, dat het tekort der Vrije Universiteit voor 1937 geschat werd op ƒ40.000. Telken jare is er tegenwoordig een aanzienlijk tekort. Hoe zal dat in de toekomst gaan ? Als de Vrije Universiteit 'ZOU uitgroeien, en op het gebied der Wis- en Natuurkunde, en op dat der Medische wetenschap, en otfk op dat der Nieuwe talen, naar behooren ingericht en van het noodige aan mannen en instrumianten en gebouwen wcis voorzien ? En daar moet het toch heen. Hier zijn ook zekere wettelijke eisohen, behalve nog de wensohelijkheid van Gereformeerd standpunt.

Waar zal al het noodige geld voor inrichting en instandhouding aldoor vandaan ko'men? Zal men het op den duur zonder Rijkssubsidie kunnen doen? Vroeger gingen af gedurig stemmen op om de plichtmatigheid der Overheid om subsidie te verstrekken, te bepleiten. Met het intreden en aanhouden van de maatschappelijke crisis i® dat uitteraard verstomd. Doch wanneer de Rijksinkomsten weer aanmerkelijk verbeteren, zal het wel terugkeeren. De wijze, waarop oOk Dr H. H. Kuyper hier omtrent de stichting der Vrije Universiteit schrijft: „raakt natuurlijk niet een Calvinistisch beginsel en is alleen daaraan te wijten, dat onze Overheid zulk een Gereformeerde Hoogeschool niet stichten kon of wilde, " geeft in dezen te denken. Rome zal dan voorts ook wel komen om subsidie voor de Universiteit te Nijmegen. Krijgt deze laatste subsidie, dan kan zij ook aan de Vrije Universiteit niet geweigerd worden. Maar verstrekking van subsidie gaat gepaard met het stellen van bepalingen. Aan onze Ohristelijke lagere scholen kimnen we het zien. Vrije scholen zijn dat niet meer. En dan blijft de Vrije Universiteit, die nu ten aanzien harer Theologische Faculteit niet meer vrij is van de Gereformeerde Kerken, ook niet meer vrij in betrekking tot de Overheid.

Zou dan nu de Theologische School moeten verdwijnen, en zouden de Gereformeerde Kerken afhankelijk worden van eene Universiteit, die ten deele afhankelijk was van de Overheid? Want al zou deze laatste afhankelijkheid niet gelden de Theologische Faculteit, er is toch eene zekere verbinding der Faculteiteri bij eene Universiteit, vooral formeel en finantieel. Van het eene gaat invloed op het andere uit, op welke wijze dan ook en in welke mate.

De toekomstige onafhatnkelijilcheid der Kerken is bij deze quaestie van de opheffing der Theologische School, door Dr H. H. Kuyper, zij het al niet met even zoovele duidelijke woorden, doch als eisch van Schrift en Calvinistisch beginsel bepleit, nauw betrokken.

Nu Dr H. H. Kuyper dan zoo telkens weer opnieuw en op zoo krasse wijze, het bestaansrecht der Theologische Söhool bestrijdt, en het geloof in dat bestaansrecht tracht te ondermijnen en weg te nemen, opdat weldra of later de Theologische School mocht verdwijnen, is het ook goed, eens te denken aan wat dan volgen zou.

D'an zou alleen de Vrije Universiteit, of ook, in verband met de quaestie, waarover het bier gaat, de Theologisöhe Faculteit van de Vrije Universiteit, als Opleidingsschool voor de a.s. Dienaren des Woords onzer Gereformeerde Kerken overblijven. Dan zouden onze Kerken in dezen dus geheel van haar afhankelijk zijn. Maar daarvan afgezien, dan zouden ook de Hoogleeraren in de Theologische Faculteit van d© Vrije Universiteit de eenige Hoogleeraren-Praeadviseurs onzer Synodes zijn. Onze Kerken zouden dan .voorzoover geheel van de Vrije Universiteit of hare Theologische Faculteit afhankelijk worden, en enkel onder den invloed barer Hoogleeraren komen, die als Praeadviseurs op hare Synodes vrij waarschijnlijk eenen overbeerschenden invloed zouden uitoefenen. En nu zien we, hoe Dr H. H. Kuyper, bij de gerezen twijfelvraag naar de wensohelijkheid der aanwezigheid van de Hoogleeraren als Praeadviseurs op de Synodes, terstond komt met een groot aantal lange artikelen, om in het licht te stellen, dat Tan oudiS Professoren de Synodes der Gereformeerde erken hebben bijgew'oond. Hij speurt hier blijkbaar geaar voor de positie en den invloed der Hoogleeraren op e Synodes. Daarop moet wel acht gegeven worden. Onze ereformeerde Kerken moeten ook vooruitzien en zoren, idat zij in de toekom.st niet komen Onder de beheersdbing van Hoo'gleeraaien. Geen Paus, die over de Kerken beersohen moet, nooh de Overheid, maar ook niet, in geenerlei vorm en op geenerlei wijze, eene wetenchappelijke inridhting en Hoogleeraren. In zijne desbetreffende artikelen geeft Dr H. H. Kuyper wel een historisch ovlerz.icht van aanweziglieid van Professoren p Synodes van Gereformeerde Kerken in den loop der eeuwen. Maar de historie op ziöhzelve en zonder meer egt ook hier nog weinig. Het komt er op aan uiteen te zetten, dat de Kerken het noodig hebben of behoeen, dat Hoogleeraren als Praeadviseurs op bare Synodes aanwezig zijn, waarom dat zoo is, welke goede, maar ok welk© kwade, gevolgen dat heeft gehad, opdat aldus et recht inzicht geoordeeld kan worden over noodza/elijkiheid en wensobelijiiheid. Db historie stelt ook hier geen norm. Zijn ler uitnemende vruchten aan te wijlzen, ook wel gansch andere. En de noodzakelijkheid moet etoogd worden uit het belang of bedl der Kerken. Maar 'hoe dit zij, onzei Kerken moeten, voordat zij, onder den invloed van het ageeren in dezen van Dr H. H. Kuyper en die bem volgen, er toe zouden overgaan, de Theologiscb© School te willen opheffen, zich eerst ook wel de vraag voorleggen en haar beantwoorden, hoe het dan in de toekomst zal gaan met hare vrijheid, niet maar in naajn, dotfh in wezen, tegenover de Vrij» Universiteit of hare Theolo-gisöbe Faculteit en hare Hoogleeraren.

DT H. H. Kuyper en wie met hem de Theologische School beistrijden en in h«iar bestaan trachten te treffen en in haren uitgroei te 'hinderen, kunnen wel meenen, dat het wegvallen der Theoloigische School aan de Vrije Universiteit ten goede zal komen, en haar bestaan en bloei bevestigen en bevorderen. Maar het kan toch de vraag zijn, of deze meening wel juist is. Het zou ook omgekeerd kunnen zijn, zoodat de val der Tbeotogisohe School nadeelig terugwerktei op de Vrije Universiteit. Niemand kan de toekomst met zekerheid voorspellen, ook niet te dezer zake. Toch moet de mogelijkheid van zulk een gevolg ingedacht worden. Een zoodanig gevolg zou 'droef zijn en zeer te bejammeren. Wie zou de geesitelijke schade kunnen berekenen? Maar wanneer men dan zoo jammervol eind© niet wensöht, moet men ook voorkomen, wat daartoe zou kunnen medewerken. En dus ook zijnen ongerechtvaardigden, onwetensohappelijrken, en bovendien onverstandigen, strijd tegen de Theologische School staken. Laat men ophouden de Theologische School te bezien als ©en sta in den weg voor de Vrije Universiteit. Laat over en weer oprecht geijverd worden voor den rechten bloei en de volle ontwikkeling van beide inrichtingen. Vrije Universiteit en Theologische School. Dat zal geen© dier inrichtingen schaden. Intjegendeel. En het zal tot het welzijn en den zegen der Kerken dienen, en d© door Gods Woord geëischte beoefening der wetenschap bevorderen. Ook in dezen geldt het woord: indien gij elkander bijt en vereet, ziet toe dat gij van elkander niet verteerd wordt, Gal. 5 : 15. Wat God gegeven heeft, Theologisoh© School en Vrije Universiteit, moet door niemand veracht worden, noch ten ondergang belaagd en bestreden, maar gewaardeerd en naar krachten gesteund, en in bestand, werking, en groei gestevigd en vooruit geholpen.

God heeft onze hulp niet noodig.

Hiji zal Zijn werk wel doen ook zonder lüenschenmedewerking, en ondanks mensobentegenwerking.

Mar niemand onzer behoort een bestrijder van Gods werk te zijn. Allen dienen we ons te betoonen medewerkers Gods in Zijn werk en gave ook in Theologische School en Vrij© Universiteit. Dan mogen we verwachten, dat God Zijnen zegen aan ons werk niet zal onthouden. Eerst dan staat voor ons open de weg des gebeds bij alle moeilijkheden in den arbeid, waartoe God roept. Want: de Heere is verre van de goddeloozen, maar het gebed der rechtvaardigen zal Hij" verhooren, Spr. 15 : 29.

S. GREIJDANUS.

Opmerkelijk is hier ook dit: „waar de Kerken wel genoodzaakt waren dit zelf te doen". Daarin komt toch in dit verband de gedachte uit: het is de roeping der Overheid Universiteiten met Theologische Faculteiten op te richten. De Overheid verzuimde hare roeping. Zoo werden de Kerken genoodzaakt deze door de Overheid verzuimde taak op zich te nemen en ook Theologische Hoogescholen op te richten. Dr H. H. Kuyper deelt dus in dezen de meening van Calvijn, anders dan ik tevoren vermoed had. Daardoor wordt zijn „raakt natuurlijk niet een Calvinistisch beginsel" te raadselachtiger. Maar verder kunnen we ook merken, hoe zich in deze woorden een geheel andere geest openbaart, dan die de Vrije Universiteit deed oprichten, en die haar wilde vrij hebben zoowel van den Staat of de Overheid, als van de Kerk. In verband met het boven gezegde omtrent mogelijke aanvrage en verkrijging van Overheidssubsidie door de Vrije Universi­

teit is dit te merkwaardiger.


1) Van hoeveel beteekenis deze geldfactor was, blijkt wel daaruit, dat zelfs de Overheid te Geneve jarenlang het benoodigde geld met moeite, of zelfs niet eens, wist bijeen te brengen, zoodat het bestaan der Academie deswege gevaar liep. Dr A. Kuyper schrijft te dezer zake in zijn „Strikt genomen": „De Universiteit begon dan ook zeer klein" — n.l. die te Geneve. „Dte saam-

gebrachte gelden beliepen slechts even 40.000 Francs. Slechts vijf eigenlijke professoren werden aangesteld. Hun inkomen bedroeg ƒ3000 Geneefsche Guldens; voor nu even ƒ6000 Ned. Cour. En zelfs die som was voor de kas te bezwarend. Althans in de periode van 1580—'90 moest men meer dan één hoogleeraar onbetaald laten; en ging men in Engeland geld ophalen, om de stichting voor algeheelen ondergang te behoeden, " blz. 79.

Blijkt ook daaruit weer niet, hoe concurrentievrees reeds bijna een halve eeuw het wetenschappelijk oog beneveld schijnt te hebben ? Heel de geschiedenis van de Opleiding tot den dienst des Woords bij de Gereformeerden zal nog eens geschreven moeten worden wat betreft de oprichting van Hoogescholen (Acad©mies, Illustre Scholen, Universiteiten, Theologische Scholen of Faculteiten) niet óf wel door Kerk of Overheid, maar dan volledig, d.i. ook wat aangaat omstandigheden, oorzaken, gevolgen, verleening van graden, en objectief of onpartijdig.

2) In „De Heraut" van 7 Maart j.l. de oprichting van Hoogescholen, Universiteiten e.d.g. in Frankrijk in de Hervormingseeuw besprekende in zijne artikelenreeks „De Synode en de Professoren", schrijft Dr H. H. Kuyper : „Al worden deze Hoogescholen in de Acta der Synodes meermalen Universiteiten genoemd, toch mag men door dien naam zich niet laten misleiden, alsof daarmede Hoogescholen met vier Faculteiten werden aangeduid. Een Universiteit heette ook een enkele Faculteit, wanneer ze de bevoegdheid had verkregen om wetenschappelijke graden te verleenen."

Naar dat spraakgebruik kon dus ook de Theologische School te Kampen eene Universiteit heeten. Bij genoemde beschouwing sluit zich oök aan, dat Dr H. H. Kuyper in 1985 een Eeredoctoraat aannam van de afzonderlijke, niet meer in Universitair verband staande, door kerken onderhouden. Theologische Faculteit te Parijs. Zijn verzet des ondanks tegen de Synodale toestenuning en regeling om ook aan de Theologisch© School te Kampen den doctoralen graad te verkenen, is daarmede weinig in overeenstemming, en verschijnt daardoor in te vreemder licht. Want behalve dat de Theologische 'School te Kampen Gereformeerd is, en genoemde Theologische Faculteit te Parijs niet, is tusschen deze 'beide inrichtingen het eenige „principieele" verschil, dat deze Theologische Faculteit buiten, maar de Theologische 'School te Kampen 'binnen hetzelfde land opgericht is, als waarin Amsterdam ligt, en daarbij dat de Theologische Faculteit te Parijs door andere Kerken wordt onderhouden, maar de Theologische School te Kampen door dezelfde Gereformeerde Kerken, als die de Theologische Faculteit van de Vrije Universiteit onderhouden. Maar hoe „principieel" dat verschil ook mag zijn, wetenschappelijk is het niet. Trouwens ook Dr A. Kuyper Sr. had vóór de stichting der Vrije Universiteit geen bezwaar, dat de Theologische School te Kampen het doctoraat zou instellen, en wekte veeleer daartoe op. maar zag daarna helaas, door zeker onnauwkeurig denken vermeende wetenschappelijke bezwaren.

3) In „De Heraut" van 7 Maart j.l. in de artikelenreeks „De Synode en de Professoren" handelend over de stichting van Hoogescholen te Orthez in Beam, te Oranje, en te Sedon, in onderscheiding van die in het overige Frankrijk, schrijft Dr H. H. Kuyper: „En wat vooral van belang is, bij deze Hoogescholen is de gedachte van Calvijn, dat de oprichting van zulk een school van de Overheid moest uitgaan, zij het dan in samen'werking met de Kerk, zuiverder doorgevoerd dan in Frankrijk, waar de Kerken wel genoodzaakt waren, dit zelf te doen".

Hier wordt er dus weer nadruk op gelegd, dat Calvijn Overheidshoogescholen wilde, en schijnt dus het zinnetje: „raakt natuurlijk niet een Calvinistisch beginsel", weer vergeten te zijn. Er blijkt hier een bedroevend in- en uitpraten, al naar het eene, óf het andere, verdedigd óf bestreden moet worden. De advocaat voert blijkbaar een pleit, maar de objectieve wetenschapsman houdt zich schuil.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 12 maart 1937

De Reformatie | 15 Pagina's

Dr H. H. Kuypers jongste aanval op de Theologische School.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 12 maart 1937

De Reformatie | 15 Pagina's

PDF Bekijken