GeheugenvandeVU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van GeheugenvandeVU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van GeheugenvandeVU.

Bekijk het origineel

Uit de Ders.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit de Ders.

7 minuten leestijd

In de Bazuin geeft Ds. Gispen een goed artikel over de quaestie van Oud-Beierland.

Na het Gereformeerde standpunt uit Schrift en Belijdenis te hebben omschreven, gaat hij aldus voort:

Maar in de kringen, waar het gebod des Heeren niet wordt geëerbiedigd en aan het gezag van Gods Woord niet wordt geloofd, beschouwt jnen de zaak gansch anders. Men brengt, in zijn voorstelling, de kerk van Christus in de rij der menschelijke instellingen, en den kerkeraad in die der «besturen" en vraagt: welke zijn de bevoegdheden van een bestuur en van wie ontvangt het bestuur zijn bevoegdheden?

Die vraag wordt dan beantwoord uit de reglementen of statuten van zulk een «zedelijk lichaam" of, bij ontstentenis van deze, uit de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek.

Volgens onze Belijdenis heeft een kerkeraad zijn bevoegdheid eenig en alleen van den Koning der kerk, en is door den Koning aan de kerk of de gemeente opgedragen de mannen zelf te kiezen, die, in naam des Konings, het opzienersambt in de gemeente zullen bekleeden. Wie eenmaal alzoo wettiglijk van de gemeente geroepen is, wordt geacht van God zelf geroepen te zijn, en heeft van de gemeente geen enkele bevoegdheid ontvangen, dan deze eene, om in het ambt op te treden, waaraan de Heere zelf, en niet de gemeente, bevoegdheden verbonden heeft.

Krachtens deze grondgedachten lijdt het geen twijfel, of de kerkeraad van Oud-Beierland was volkomen bevoegd, om uit liet kerkverband te treden, en de gemeente daaruit te leiden, zoodra hij bewijzen kon, dat dit kerkverband valsch en tegen Gods Woord was, en hij dus, om de kudde voor verderf en ondergang te bewaren, naar de roeping, hem van den Heere gegeven, de gemeente van de onheilige banden losmaken moest. Dit is zoo sterk, dat we, in onze Belijdenis het uitspreken, dat niet alleen een kerkeraad, maar elk geloovige, desnoods alleen en voor zijn eigen persoon, dit doen moet, ook al ware het, dat de dood of eenige lichamelijke straf daaraan hing.

De burgerlijke rechter rekent echter met alle deze dingen niet. Het zijn voor hem ideale bevoegdheden en ideale rechten, waar voor hem geen houvast aan is. Hij moet de dingen in een zichtbaren vorm, in een wettelijken vorm voor zich hebben, om ze te beoordeelen en te oordeelen.

Zulkeen vorm is het kerkverband en de regelen, waarnaar het eigendomsrecht en beheersrecht, naar de bestaande burgerlijke wet of naar een eigen reglement, geregeld is.

Zoodra wij van «kerkverband" spreken, denken we aan abinden", aan »band". Denk b.v. aan den «huwelijksband". Dezen band aanvaardt men vrijwillig. Maar heeft men dien eenmaal aanvaard, dan zit men er ook aan vast en kan men niet zoo maar «uittreden." En wie alzoo eenmaal de Dordsche Kerkenordening aanvaard heeft, zal ook uit die kerkenorde zijn bevoegdheid om het kerkverband te verbreken, moeten bewijzen.

Van het kerkverband, zooals het onder ons bestaat, zegt de Kerkenorde, Art. 29: Vierderlei samenkomsten zullen onder ons gehouden worden, nl. de Kerkeraad, de Classicale vergadering, de Particuliere Synode en de Generale of Nationale.

Deze vergaderingen of samenkomsten staan met elkander in »verband." En wel zoo, dat zij over elkander wat «te zeggen" hebben. Volgens art. 36 bestaat het verband hierin: «'t Zelfde zeggen heeft de Classis over den Kerkeraad, 't welk de Particuliere Synode heeft over de Classe, en de Generale Synode over de Particuliere."

De bevoegdheid nu van den kerkeraad wordt in de Kerkenordening niet omschreven, maar in het formulier van Bevestiging van Ouderlingen en Diakenen en in art. 30, 31 der Belijdenis. Alleen wordt in de Kerkenordening gezegd, en toegepast op alle vier de samenkomsten, dat hetgeen met de meeste stemmen goedgevonden is', zal vast en bondi gehouden worden, 't en BIJ dat't bewezen worde tege het Woord Gods of tegen de artikelen in deze Genera Synode besloten, zoolang als dezelve door geen ander Generale Synode veranderd zijn^' Art. 31. Dat moet dus door een kerkeraad, die zich niet aan de besluiten der meerdere vergaderingen onderwerpt, bewezen worden.

Tegen dit art. heeft de kerkeraad van O. B. zeer zeker gezondigd, en in zooverre achten we ook het vonnis van den Dordschen rechter juist.

Maar naardien wij het vonnis zelf niet kennen, kunnen we dit punt dus niet beoordeelen, dan onder voorbehoud.

We vermoeden echter, dat de overweging van de niet-bevoegdheid des kerkeraads op andere gronden rust, en wel op gronden, die ontleend zijn aan het Burgerlijk Wetboek.

De uittredenen uit eenig kerkverband toch komen dadelijk in aanraking met de kerkelijke-goederenquaestie.

Treden zij uit met achterlating van de stoffelijke goederen, dan is er natuurlijk niets te doen. Het Nieuw-Testamentisch beginsel van gewetensvrijheid is ver genoeg doorgedrongen, om vrijheid van belijdenis en kerkinrichting te veriekeren. Maarzoodra daarbij de stoffelijke goederen in het spel komen, treedt de rechter op en beoordeelt de dingen niet naar ideëele rechteti, maar naar de voorschriften van het Burgerlijk Wetboek.

En nu heeft de ondervinding van de laatste jaren overvloedig geleerd, dat de uittredenden het moeten verliezen, zoo zij nalaten de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek te behartigen.

Maar de kerken zelve hebben de bevoegdheid, de zaak van de kerkelijke goederen bij eigen reglement te regelen.

Komen er dan conflicten, dan oordeelt de rechter naar het eigen reglement der kerken.

En het is juist die regeling, die de kerken niet aandurven of aanwillen.

De vroeger genoemde «Christelijke Gereformeerden" hebben ongeveer twintig jaar aan zulk een reglement gewerkt. Ze hebben van de voornaanfste rechtsgeleerden adviezen ingewonnen, de zaak besproken met onderscheidene Ministers van Justitie, en het slot is geweest, dat er van het ding niets is terecht gekomen, en het, na twintig jaren tobbens, is — ingetrokken.

Het zwaartepunt zit altijd in quaesties, als nu te Oud-Beierland opgekomen zijn.

Elke gemeente is eigenares harer goederen, daarover zijn allen het eens.

Maar is zij dat nu, en blijft zij dat nu, onder alle omstandigheden, ook bij verbreking van het kerkverband, ook bij scheuringen, wie is dan de gemeente, die eigenares blijft enz. enz. enz.

In den tijd der reformatie, toen de plaatselijke kerken in grooten getale uit het Pauselijk kerkverband traden, besliste de politieke macht in het voordeel der uittredenden.

Maar in onzen tijd beslist de rechterlijke macht. De rechtsbevoegdheid der plaatselijke kerken wordt nu beoordeeld naar de thans geldende wetten, met name naar de voorschriften die gelden voor de zedelijke lichamen.

Dat keuren wij niet in allen deelê goed, maar het is niet anders, en ook in dezen geldt het woord: alle ziele zij den machten over haar gesteld onderworpen.

Vraagt gij nu, welken indruk het vonnis van den Dordschen rechter in onze kringen gemaakt heeft, dan is het antwoord: een zeer gemengden.

Eensdeels verblijdt het ons, dat de leugengeest is beschaamd gemaakt.

Maar anderdeels smart het, dat er zoo weinig rekening wordt gehouden met het recht in kerkelijken zin; bovenal smart het, dat de burgerlijke rechter met zulke quaesties wordt lastig gevallen.

Het is iets anders, als men aangevallen wordt, zijn goed recht te verdedigen, of - zelf aan te vallen, en daarmede den schijn op zich te laden, dat men zelf doet, wat men in anderen zoo scherp afkeurde.

In de kerkelijke bladen der Hervormden is er dan ook reeds smalend op gewezen, met herinnering aan de gebeurtenissen van 1886 en vervolg.

Ik eindig dit schrijven met de bede uit Psalm 14: Och, dat Israels verlcssing uit Zion kwame, dan zou zich Jacob verheugen, Israël zou verblijd zijn.

Hierin zijn de palen juist gezet, ook al is, zoolang het vonnis niet in pleno bekend is, een nader oordeel nog niet wel mogelijk.

Hoofdzaak blijft, dat wij te handelen hebben naar tweeërlei regel:

ï". dat we den plicht om te breken met een kerkverband, dat de gemeente van God en zijn Woord afvoert, handhaven;

maar ook ten 2°. dat we elke breuke, die hierdoor niet gemotiveerd is, als scheurmakerij veroordeelen, en, dus ook nooit in de hand werken of licht achten.

Dat zou zijn, deze broederen stijven in hun zonde.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 21 februari 1897

De Heraut | 4 Pagina's

Uit de Ders.

Bekijk de hele uitgave van zondag 21 februari 1897

De Heraut | 4 Pagina's