GeheugenvandeVU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van GeheugenvandeVU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van GeheugenvandeVU.

Bekijk het origineel

„In de stokouden is de wijsheid.”

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

„In de stokouden is de wijsheid.”

6 minuten leestijd

In de stokouden is de wijsheid, en in de langheid der dagen het verstand. Job XII ! 12.

De zoo aangrijpende uitspraak, die Job ons over den Ouden dag voorlegt, mag-niet op zich zelf worden genomen, doch moet steeds in verband met den toenmaligen tijd genomen worden. Niet, dat versta men wel, alsof de beteekenis van den Ouden dag niet nog zeer hoog zou staan, maar omdat de tijden inmiddels zulk een gewijzigd karakter aannamen. Vergeet niet, dat de periode van Job zich nog schier rechtstreeks aan die van Noach aansluit, en dat de Patriarchen zelven, en met hen Mozes, blijkbaar aan onzen korten levensduur nog allerminst gebonden werden. 'Wat we tot in de bijzonderheid der jaren ons omtrent Mozes, en ten deele. ook over de Patriarchen, geboekt vinden, wijkt op tal van punten van onze thans geldende tijdrekening af. En dit niet alleen, maar die afwijking van den aanvankelijk destijds geldenden levensduur, ging, men mag bijna zeggen, met zulk een sprong' op den korteren levensduur terug, dat in Psalm 90 Mozes zelf, en zulks nog wel in een gebed, dat voor ons bewaard werd, de levensbeperking reeds aangaf, waarvan de overgang toen reeds zich aankondigde in Mozes, die zelf den langeren levensduur mocht doormaken. In zijn gebed, dat ons in Psalm 90 bewaard wierd, spreekt hij 't reeds met beslistheid uit: «Aangaande de dagen onzer jaren, daarin zijn zeventig jaren, of zoo we zeer sterk zijn, tachtig jaren". Reeds aan dat ééne zeggen alzoo gevoelt men, dat de overgang tot de kortere levensperiode die sinds volgde, voor het grootere publiek destijds reeds intrad, maar dat toch het verband met den vroegeren langeren levensduur destijds nog voortwoekerde op een voor ons vreemd geworden wijs. Uit Rusland komen gedurig nog berichten van helden der oudheid, die een leeftijd van omstreeks 120 jaren bereikten, maar voor het geheele wereldleven in zijn saamhang genomen, vormen dit uitzonderingen, en over het breede menschenleven genomen, zou men zeggen, dat de levensduur nog steeds zich op 't hoogst om de tachtig jaren bewegen blijft, en dat Job's zeggen, dat in de stokouden de wijsheid schuilt, in den door hem bedoelden zin, op onzen levenssaamhang niet meer ten volle toepasselijk is.

Toch verloor Job's besliste uitspraak daarom in zich zelf nog allerminst haar beteekenis. Job spreekt allerminst van alle ouden van dagen. Reeds toen toch zal velerlei verschil en onderscheid zich hebben voorgedaan, en zijn zoo aangrijpende uitspraak zal wel allerminst op alle grijsaards en op alle ouden van dagen gedoeld hebben. Ook Job zal in zijn omgeving het diep ingrijpend verschil gezien hebben, dat zich steeds tusschen de gewone ouden van dagen en hen die meer op den voorgrond traden, moet hebben voorgedaan. Reeds vormen de stok-' ouden niet de meerderheid en zelfs niet het grootste aantal. De stokouden beperken zich veelal tot een geringer aantal en zelfs ook onder, die ouderen in kleiner aantal, zal reeds destijds, gelijk thans, het sterk' sprekend verschil zijn doorgegaan tusschen de_liedender onbeduidendheid, die nauwelijks meetelden, en die ouden, veel geringer in aantal, die den toon voor het publieke leven aangaven. Ook onder Israel waren er geheele groepen van onbeduidendheden, en als uitzondering op die breede reeks traden de rijker bezielde geesten te voorschijn, die, rijker begaafd, den toon voor het publieke

leven aangaven, en daardoor in het publieke leven heerschten.

Er ligt in Jobs betuiging alzoo in 't minst niet opgesloten^ dat alle jongeren van edele en rijke gaven waren verstoken, en dat alle grijsaards toonbeelden van rijker en hooger ontwikkeling waren. Reeds het gebruik van het woord stokouden beperkt het aantal. De stokouden waren reeds destijds, gelijk Psalm 90 het aanduidt, uitzonderingen. Er waren rijker exceptiën dan nu, en zulks 'in aansluiting aan het verleden, maar op zichzelf hgt in Jobs betuiging toch duidelijk uitgesproken, dat hier zoo goed als eeniglijk gedoeld wordt op ouden van dagen uit den wijzen kring, die door het steeds en zoo langdurig verkeeren in dien kringeen geestelijk rijker standpunt bereikt hadden. Slechts hieraan worde vastgehouden, dat de meest wijze en doorzichtige raadslieden destijds niet onder de jongeren, maar veeleer onder de stokouden te zoeken waren, en dat 't Gods bestel was dat dit dieper inzicht en deze helderder blik in den levenssamenhang niet bij de jongeren van dagen, maar, in* dieperen zm opgevat, schier eeniglijk bij de zeer ouden van dagen te vinden bleek. Te meer mag hier nadruk op gelegd, omdat er in Jobs dagen nog in 't minst van geen gedurige wisseling in het staatkundig beleid vernomen werd. Er mocht onderscheid waarneembaar zijn tusschen hetgeen in het Westen en in het Oosten van de Middellandsche zee werd waargenomen, maar de beheerschende levensdenkbeelden hielden toch veelal stand, en het volk in zijn historisch bestaan leefde er in meê.

Nu kwam hier zeer zeker keer in. Sterk zelfs werd de neiging die zich steeds meer bij het jongere geslacht openbaarde, om met wat de vaders minden te breken, en m eigen taal en op eigen wijs een eigen "stelsel van levenswijsheid tot geldiDg te brengen. Thans vooral gaat dat zoover, - dat 't soms zelfs den schijn aanneemt, als zou men met oud te worden zijn inzicht en doorzicht verliezen, en alsof elk nieuw opkomend geslacht, geheel uit eigen inzicht, telkens een nieuwe levensopvatting zou kuunen verzinnen, uitwerken, en doen doordringen. Doch al moet worden toegegeven, dat de wisseling in den levenstoestand thans metterdaad zich gedurig herhaalt, zoodat de ouden van dagen van zelf hun gezag inboeten, toch moet aan de grondgedachte van wat Job uitsprak ook in onze dagen worden vastgehouden. Gerijpt is het levensinzicht door de levenserv4ring, en hoe langer en breeder die levenservaring, in vaste lijnen, gegund wordt, hoe beslister men mag aannemen, dat de overtuiging' zich vastzet, zich uitwendig uitwerkt en rijpt, zoodat nog steeds het aloude verband tusschen het veeljarige en rijkere leven doorgaat. Niet natuurlijk, alsof de ouden van dagen zich het eehig rechte en juiste inzicht mochten aanmatigen. De ouden en de jongen van dagen hebben beide hun eigen positie, met eigen strekking en eigen beteekenis. Wie jonger op mag leven en op breeder schaal aan het leven deel mag nemen, doorzoekt en grijpt wat aan den grijsaard als van zelf ontgaat. Doch al moet de beteekenis van het jeugdiger inzicht voetstoots worden toegegeven^jtoch blijft 't als van ouds, ja als in de dagen van Job, dat de rijpste en rijkste levensopvatting niet bij de jongeren, maar in den regel veeleer bij de zeer ouderen in jaren te vinden is. En mogen wij als menschen gewoon zijn van stokouden te gewagen, ook voor ons komt 't hier gedurig uit, hoe het langst gerijpte leven de rijpe vrucht ook 'voor het leven gunt.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 17 oktober 1920

De Heraut | 4 Pagina's

„In de stokouden is de wijsheid.”

Bekijk de hele uitgave van zondag 17 oktober 1920

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken