GeheugenvandeVU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van GeheugenvandeVU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van GeheugenvandeVU.

Bekijk het origineel

UIT HET POLITIEKE EN SOCIALE LEVEN

Bekijk het origineel

Bladeren
+ Meer informatie

UIT HET POLITIEKE EN SOCIALE LEVEN

6 minuten leestijd

Kerkelijk en onkerkelijk Nederland.

VIL

Kerkelijke gezindte der Academisch g e g r a d u e e r d e n.

De uitkomsten der volkstelling 1930 zijn niet bemoedigend; de cijfers, welke we tot dusverre noemden, spreken een sombere taal. Een belangfrijk gedeelte van ons volk wil van God niets weten. Het weigert den Schepper te erkennen en zich voor Hem te verootmoedigen; het heeft geen begeerte naar Gods leiding, en stoot de liefdevolle hand van den Hemelschen Vader ruw weg. Hoevelen zijn er ook niet, die geheel achteloos aan Hem voorbijgaan, die niets van God weten, dia leven als de heidenen en verbaasd opikijken, wanneer een boodsdhap van den Regeerder der wereld lot hen komt.

We hebben den vorigen keer gezien, dat in het bizonder onder de arbeiders de afval zeer groot is, vooral de grootindustrie heeft veel slachtoffers gemaakt. Daar waar de mensch het meest in de massa verdwijnt, daar waar zijn persoonlijkheid verloren dreigt te gaan, verwerpt hij den Redder, die den gebondene wil vrijmaken, die hem in zijn volle waardiglieid wil herstellen, dool* Wiens werk alléén hij zijn individualiteit kan behouden. Wie zich een schepsel Gods weet, verliest zijn persoonlijkheid nooit; wie God verlaat, gaat in het stof ten onder.

Vooral voor het Protestantsche deel der bevolking zijn de cijfers, die op de beroepen betrekking hebben, over het algemeen ongimstig. Ongeveer de helft van alle Nederlanders was in 1930 Protestant. Van allen, die in een beroep werkzaam waren echter slechts 45 o/o; Roomsch-Katholieken en onkerkelijken samen omvatten daarentegen 51 o/o. In de industrie daalt het percentage der Protestanten tot 40; dat der beide andere genoemde groepen stijgt tot 56. Bij de arbeiders en andere ondergeschikten in de industrie zijn de cijfers nog lager: 39.4 o/o van hen zijn Protestant; 59 o/o R.-K. en onkerkelijk. In den „Landbouw" hand^ haven de Protestanten zich goed, evenals in enkele kleinere bedrijven, ^) Hoe grooter de beteekenis der traditie, hoe geringer blijkbaar het aantal onkerkelijken, en omgekeerd. Mede daarom verliezen zoovelen in de groot© stad en in het grootbedrijf God uit het oog. Het grootbedrijf is traditieloos.

Zeer dikwijls gaan lage cijfers bij de „onkerkelijken" ook gepaard met hooge cijfers voor de Katholieken; de Protestanten blijven meestal achter. 3) Men mag echter niet vergeten, dat talrijke industrieën in overwegend Katholieke provincies of provinciegedeelten gevestigd zijn. (Ztiidi-Nederland, Twenthe.)

Bij de „academisch gegradueerden" is echter het Protestantsche deel der bevolking veel beter vertegenwoordigd. Hier zijn het vooral de Katholieken, welke een veel te laag cijfer hebben. Daarentegen is het getal in de rubriek „geen kerkelijke gezindte" zeer hoog.

De volgende tabel geeft een duidelijk overzicht. Kerkelijke gezindte der academisch g ie g r a d u e e r d e n.

Het onderzoek omvatte 21658 mannen, 1849 vrouwen, totaal 23507 personen. Van elke 1000 gestudeerde mannen waren dus 469 Protestant^ van elke 1000 gestudeerde vrouwen 439, van elke 1000 gestudeerden (mannen en vrouwen samen) 467.

Van alle personen boven 20 jaar waren per 1000, 480 Protestant. Deze cijfers komen düs vrijwel overeen.

D© gegeven getallen moeten echter een correctie ondergaan. De Roomsch-Katholieke theologen hebben voor het allergrootste deel hun opleiding aan speciale kerkelijke inrichtiagen ontvangen. Zij komen düs niet in de statistiek voor. Dat is ooik het geval met alle Protestantsche theologen, welke niet aan een Universiteit hun opleiding ontvingen.

Worden de R.-K. geestelijken (3895) bij de „academici" gerekend, dan ondergaan de cijfers een belangrijke wijziging. De bewerkers der statistische gegevens verzuimen helaas om ook op overeenkomstige wijze het aantal der Protestantsche theologen te vermeerderen. Zij beschikten blijkbaar niet over de noodige inlichtingen. Ook telden zij, naar zij zelf mededeelen, een aantal R.-K. ^eestch lijken dubbel. Immers onder hen bevinden zich talrijke personen, die in een andere faculteit (b, v. die der letteren en wijsbegeerte) een graad' behaalden. Het was onmogelijk om deze uit de groote groep der R.-K. theologen af te zonderen. De correctie, welke op de genoemde wijze aangebracht is heeft dus slechts betrekkelijke waarde.

Ook de andere correctie schenkt weinig bevrediging. Men liet een oogenblik alle theologen weg, en bepaalde daarna de verhoudingen. Nu lijden

die Protestanten vooral een emsüg verlies. Ongeveer 18 o/o van alle Prote& tantsche gestudeerden was namelijk theoloog. De tabellen geven, na de bedoelde correcties, wel duidelijk de lü-acht der „onkerkelijke" groep weer.

Het „tekort" aan R.-K. gestudeerden is dus inderdaad groot. Zelfs met inbegrip van alle R.-K. geestelijken blijft hun cijfer belangrijk beneden dat van de geheele bevolking.

Dr Kruyt wijst ©r in zijn meermalen genoemd artikel op, dat dit tekort niet te wijten is aan een grooten afval onder de R.-K. studenten. Deskundigen, zooals Prof. Hrom e.a., hebben berekend, dat ook het percentage R.-K. studenten, al is dat sinds 1900 gestegen, toch relatief klein is. In 1930

was dat 17.4. Tenslotte geeft de volgende tabel nog meer in het bizonder inlichtingen over de kerkelijke gezindte der academisch gegradueerden. Elke studierichting is hierin genoemd.

WiB onthouden ons van een analyse dezer gelallen. Slechts willen we op de dirie vet gedrukte cijfers wijzen. De onkerkelijkheid bij de leidende figuren in 't bedrijfsleven is ontstellend groot. Dat verzwaart het werk der Chr. sociale beweging in hooge mate; de bedrijfsleiders geven een slecht voorbeeld aan de ondergeschikten. *) De positievan de Christelijke arbeiders, en niet alleen van hen, is mede daardoor moeilijk. De superieuren en ook de ongeloovige collega's, deelen him opvatting van den arbeid, als een dienen van God, niet. Hun toewijding wordt dikwijls verkeerd beoordeeld, hun principieel verzet eveneens.

* Wie hebben ons in deze serie artikelen beperkt tot een beschouwing over de cijfers. Over de „oorzaken" van de onkerkelijkheid is met opzet niet gehandeld. Het is o.i. noodzakelijk, dat de uitkomsten der volkstelling 1930 ernstig bestudeerd worden. Voor den arbeid op alle terrein des levens

zijn zij van groote beteekenis. Wij zagen, dat ook de Geref. Kerken door afval bedreigd worden. Vele cijfers, die op haar betrek- Idng hebben, wekken bezorgdheid. Zeker, het percentage is weinig achteruitgegaan. Dat is echter geen reden om tevreden te zijn. De verdeeling over de verschillende beroepen is ongunstig, de ver­

deeling over de sexen eveneens. En zoo is er meer. Misschien heeft een enkele lezer de ppmerking gjOmaakt, dat de gegeven cijfers slechts zeer betrekkelijke waarde hebben. Het materiaal is immers reeds zeven jaar oud. De meeste publicaties dateeren echter van eind 1934 of begin 1935. Het duurt nog zeer lang, voordat we over nieuwe gegevens beschikken. De bewerking van het bij een volkstelling verkregen materiaal kost zeer veel tijd. Daarbij komt dat, zooals gezegd, aan de verkregen gegevens o.i. nog veel te weinig aandacht

geschonken is. Die studie van het verschijnsel der „onkerkelijk!heid" is niet opwekkend. Moge God ons volk voor verderen afval behoeden.


1) Ook voor dit artikel is gebruik gemaakt van de publicaties van het „Centraal Bureau voor Statistiek", en van de artikelen van Dr Kruyt in de „Soc. Gids" van Mei, Juni 19.35.

2) Het Chr. Nat. Vakverbond heeft de meeste leden in de provincies met veel klein-bedrijven.

3) Merkwaardig is het hooge cijfer (ruim 43 pet.) der „Protestanten" in de papierindustrie (Veluwe!).

4) Uit verschillende enquêtes blijkt, dat de afval in de hoogere kringen, en vooral van die, welke in nauwe aanraking met het bedrijfsleven zijn, den afval van de arbeiders heeft bevorderd.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 5 februari 1937

De Reformatie | 8 Pagina's

UIT HET POLITIEKE EN SOCIALE LEVEN

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 5 februari 1937

De Reformatie | 8 Pagina's

Bladeren