GeheugenvandeVU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van GeheugenvandeVU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van GeheugenvandeVU.

Bekijk het origineel

OPVOEDING EN ONDERWIJS

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

OPVOEDING EN ONDERWIJS

9 minuten leestijd

Een nieuw pleidooi voor „de" vereenvoudigde spelling.

I.

In het Paedagogisch Tijdschrift voor het Chrislelijk Onderwijs!) heeft de Heer W. J. C. Buitendijk, Drs in de Ned. Letteren, vurig voorstander vr.ii vereenvoudiging, naar eigen verklaring, en, eveneens naar eigen verklaring, beginselgetrouw Cab.iist, een poging gewaagd „de" veroenvaudigde spelling óp' principieel Calvinistische gronden te verdedigen o.a. tegen het eenparig vonnis, door den Senaat der Vrije Universiteit gestreken over de spelling-Marchant en tegen het evenzeer verwerpend oordeel van de groote Protestantsch-Chrislclijke staatkundige partijen.

Het mag den Heer Buitendijk als ©en verdienste worden aangerekend', dat hij niet, als vele anderen, onbekommerd om beginsel-eischen achter de Vereenvoudigers aanloopt, dat hij evenmin als Dr Karsemeijer 2) zich onbevoegd verklaart een principieel-wetenschappelijk oordeel uit te spreken over die taalschool welke de Vereenvoudigers beeft geïnspireerd, maar dat hij zich geroepen heeft geacht zich, gelijk hij het uitdrukt „op de principiële ondergrond van onze zaak (te) bezinnen".

Een pogüig tot bezinning overigens, welke hij 25elf karakteriseert als een eerste verkenning van het terrein. Het kan bevreemding wekken, dat met terreinverkenning blijkbaar is gewacht tot na den slag. We zoudeia daarvan zwijgen, zoo- niet bij den Heer B. zich nog zekere aarzeling openbaarde inzake de beleekenis die hier aan het beginsel is toe

ste kennen. De titel van zijn opstel is: „Calviisme en Spelling. Een principiële . west ie? " Wie deze vraag onbevangen leest, oet wel den levendigcn indruk krijgen, dat de chrijver van het artikel vóór alles zijn lezers dit *wil doen gevoelen: hoe men ook over spellingszaken denken moge, onze principia zijn er niet mede gemoeid. En toch poogt hij aannemelijk te aken, dat de taalbeschouwing waarop „de" spellingvereenvoudiging rust, met onze Cialvinistiscbe _ 1, 11 !, „ ; _„ i, „„.», : x I- v„„ levens- en wereldbeschouwing harmonieert. Zoe- .ken we naar een verklaring van dit raadselachtig verschijnsel, dan dringt zich de gedaöhte aan ons op, dat de schrijveï zich nog niet ontworsteld heeft laan de voorstelling, alsof metterdaad het vereenvoudigingsprobleem buiten de sfeer der beginselen zijn oplossing moet vmden. Die gedachte versterkt zich, als we lezen: „De zwakheid van de Christelijke Vereenvoudigers is m.i. deze, dat ze te veel gelet hebben op de taalwetenschappelijke en paedagogische mérites van de vereenvoudigde spelling, |en te weinig op de prmcipiële grondvraag— Het n.l. mijn vaste overtuiging, dat wij ten opzichte van de beginselen sterker staan dan velen wel fmeenen." De hier aangebrachte onderscheiding slusschen laalwötenschappelijke en principiëele mélriles is van den ouden, dualistischen zuurdfeesem ^og niet gezuiverd. Op taalwetenschappelijke (en ipaediagogische) gronden is men Vereenvoudiger: |fzoovel te beter, als achteraf het principe er zyn -^f« «1 '^Sen aan geeft. Neen, het principe ^^ ^®*- eerste woord spreken ook m de taalwetenschappelijke quaesties die hier aan de orde zijn, Of M"™ verbeurt het recht van begin-sel te spreken.

D© Heer B. Iaat zijn betoog van een viertal stellingen voorafgaan, welke we hier overnemen:

lo. „De spellingvereenvoudiging strijdt niet met do Calx-iuislische beginselen; integendeel, de taalbeschouwing die er aan ten grondslag l^t, is principieel juist".

2o. „De nieuwe spelling vloekt niet met de Calvinistische levensstijl".

3o. „De geschriften der Calvinistische vaderen vormen geen argument tegen de nieuwe spelling".

4o. „De taalbeschouwing van den groten taalgeleerde, die tevens Cial%Tnist was. Mr Willem Bilderdijk, vormt een uitnemende basis voor de theorie der vereenvoudigde spelling".

Van deze vier stellingen> verdaenen naar ons oordeel de eerste en de laatste bet meest dfe aandacht. Het blijkt ook wel uit haar verdediging. We stellen jons nu voor in dit aa-tikel na te gaan hoe de schrijver zijn oordeel over Bilderdijk's taalbeschouwing staaft om de eerste spelling met haar toelichting te reserveeren' voor een tweede aj-tikel.

„Wie over enig vak van wetenschap het licht van de eeuwige beginselen van Gods Woord wil doen stralen, zal zich hebben af te vi'agen: zijn er ook voorgangers uit vroeger tijd, mannen die met hart en ziel Gods Woord ook als norm voor hun bijzondere wetenschap hebben aanvaard, die mij tot leidsman kunnen zijn bij mijn onderzoekingen? " ; Aldus leidt de Heer B. zijn opmerkmgen over Bilderdijk in. Inderdaad, een \Taag die den Calvinisüschen wetenschapsbeoefenaar na aan het hart ligt. Maar er is een andere, dimkt me, die den voorrang verdient: zijn er ook voorgangers in dezen tijd, vertrouwd met de resultaten, problemen en methoden der moderne wetenschap, die in hun wetenschappelijke gehoorzaamheid aan Gods Woord mij ten leidsman kunnen zijn? Wie deze vraag ontgaat, kon wel eens gevaar loopen meer steun voor eigen lievelingsideeên te zoeken dan leiding op zijn pad. Is de Heer B., om concreter te worden, de meening toegedaan, dat zijn artikel een ernstige toetsing en een te hebt bevinden is van Prof. Wille's geschrift „Taalbederf door de School van KoUewijn" ? Ik sla hem te hoog aan om hem ook maar een oogenblik die gedachte toe te schrijven. Maar dan keert de vraag waarop ik zooeven doelde met dubbele kracht terug. Waarom niet in de school gegaan bij een Calvinistisch taalgeleerde (van erkende verdiensten) uit onzen eigen tijd? Of anders hem weerlegd?

Of, om even terug te gaan: heeft de ernstige kritiek van Dr J. Woltjer op Paul en Wundt voor onze dagen haar beteekenis verloren? De Heer B-. heeft haar volstrekt niet pogen te ontzenuwen; maar evenmin blijkt uit dit artikel, dat hij haar heeft verstaan en productief gemaakt voor eigen arbeid.

Intusschen, bij geeft de voorkeur aan een beroep op Willem Bilderdijk. Een beroep evenwel, dat liem voor eigenaardige moeilijkheden plaatst. Hij bereidt er ons op vóór door te schrijven: „De niet-taalkundige moet met Bilderdijk's taalwetenschappelijk oeuvre voorzichtig zijn: de taalfeiten waarop hij zich gi-ondde zijn meer dan li/i eeuw oud, zijn werk valt vóór de periode van de machtige opbloei der Duitse taalwetenschap-, zijn etymologieën zijn hopeloos verouderd, enkele zijner „beginselen" kunnen niet standhouden onder de kritick der moderne taalwetenschap. Maar toch, sommige zijner grondbeginselen zijn zo door en door gezond, zo van alle tijden, dat vele zijner beweringen in geen enkel modem taalwetenschappelijk werk een slecht figuur zouden .malcen".

We houden ons niet op bij de vraag, of dit wel do toon is van den jongere die zich een leidsman gevonden heeft, maar kunnen een andere vraag niet negeeren: is het dan „de moderne taalwetenschap" die beslist welke van Bilderdijk's gyond^ beginselen gezond mogen heeten en welke niet?

De aangehaalde passage leert ons reeds, dat niet alle principes van Bilderdijk evenveel genade vinden in de oogen van dezen zijnen leerling. Be^ zwijken ze onder de moderne kritiek, dan verdienen ze, naar het schijnt, niet meer beginselen te heeten, doch „beginselen".

Even later: „Bilderdijk komt op een dwaalweg als hij... in de letter (beeld- of schriftletter) méér dan enkel een willekeurig teken, een willekeurige afbeelding, wil zien van de klank". Het komt me voor, dat het woord afbeelding, hier gebezigd, vrijwel het tegendeel aanduidt van wat de auteur bedoelt, maar dat dient minder ter zake. Wel is van belang, dat deze echt-Bilderdijkiaansche gedachte al heel weinig conform is aan den Vereenvoudigersgeest.

De Heer B. deelt even weüiig Bilderdijk's overtuiging inzake taalbederf en taalvolmaking.

Voorts is hij van meening, dat Bilderdijk „in de practijk lang niet zo ver ging als zijn ideeën zouden doen verwachten". Bij voorbeeld, als BUderdijk de sch van „mensch" wil handhaven, niet ter wille van de uitspraak, maar op grond van het gebraik.

Of als Bilderdijk, en dit is van veel gewicht, een ge slacht s regeling ontwerpt op grond van een „kostelijke, fantastische" theorie. Welnu, als er iets is, dat het Kollewijnianisme moet verfoeien als onwetenschappelijk en onwaarachtig, dan is het, diinkt me, wol dit. Een op speculatie berustende geslachtsregeling in plaats van de den volke aangeprate vondst dat de geldende geslachtsonderscbeiding slechts een gewoonte is, die geen bestendiging verdient!

Niettemin verklaart de Heer B. samenvattend: „zijn (Bilderdijk's) taalbeginsel is volkomen gaaf (zooeven waren het „sommige grondbeginselen" D.), en modern, de toepassing ervan wordt nog vaak geremd door zijn achttiende eeuw& e educatie"; om te eindigen met een peroratie, waaruit we dezen zin citeeren: „Wordt zijn stem, de Calvinistische, in de Kamerdebatten vernomen? "

Tegen zulk een beroep op Bilderdijk heb ik ernstige bedenking. Het gaat niet aan enkele uitspraken van dezen universeele over het schrijven tot eenig taaibeginsel te proclameeren, om daarna met al wat hiermee niet in overeenstemming is, of schijnt, af te rekenen als restant van „achttiende-eeuwse educatie". Het gaat evenmin aan te suggereeren, dat Bilderlijk, thans levende, partij zou hebben gekozen tegen degenen die het revolutionair beginsel in de „moderne" taalwetenschap hebben onderkend en bestreden. Het gaat hierom vooral niet aan, omdat — en de Heer B. is hiermede volkomen op de hoogte — Bilderdijk's theorieën over geslachtsregeling in de Nederlandsch© taal in meedoogenloos conflict komen met wat voor de Vereenvoudigers (en hun bestrijders) het hart der quaestie raakt: ik bedoel den sacror sancten negenden regel over buigings-n en geslachtelijke pronominale aanduiding. Hier staan Bilderdijk en Kollewijn onverzoenlijk tegenover elkander. Niet alleen hier! „Man der Physis", zoo noemde Kuyper den dichter treffend.«) We zouden dit kxmnen omschrijven als: aanhanger van die organische taalbeschouwing welke in de taal een weerspiegehng eert van de objectieve werkelijkheden die ze aanduidt.

„Leer daar u-zelf, leer daar uw God in lezen. Leer daar 't Heelal en zijn verscheidenheên, 't Heelal in u, u-zelf in God erkennen. De Oneindigheid en 'talgenoegzaam Eén, En 't vaste spoor waarin de tijden rennen. Zie alles beeld, en spiegling, en verband..." *)

Voor hem is de taal „grond aller logica; in haar bestaat een algemeen verband van begrippen, waar geheel de samenleving aan hangt, s) Hij roept baar aan met de woorden: „Gij, die de zelfde zijt met die onschatbre Reden".«)


2)Adnominale flexie en pronominale Aan duiding in het Nederlandse h, referaat voor de 23ste Wetensch. Samenkomst der Vrije Urn-, versiteit op 13 Juli 1938, pg. 31.

betee­ 3)Bilderdijk en zijn nationale kenis, Amsterdam (1906), pg. 38.

4) Bilderdijk, Kompl. Dichtw. XIII, pg. 309/10. 5) Bavinck, B. als Denker en Dichter, Kampen, 1906, pg. 144. . ' ^ •

6) Kompl. Dichtw. XIV, pg. 76.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 28 oktober 1938

De Reformatie | 6 Pagina's

OPVOEDING EN ONDERWIJS

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 28 oktober 1938

De Reformatie | 6 Pagina's

PDF Bekijken