GeheugenvandeVU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van GeheugenvandeVU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van GeheugenvandeVU.

Bekijk het origineel

OPVOEDING EN ONDERWIJS

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

OPVOEDING EN ONDERWIJS

8 minuten leestijd

Een nieuw pleidooi voor „üe" vereenvoudigde spelling.

II.

Grooter contrast dan tusschen zijn taalfUosofte en de axioma's der Vereenvoudigers is dan ook, op dit gebied, moeilijk te vinden. En dat spreekt ook gansch vanzelf voor hem die gezien heeft, hoe doiidelijk dezen het spoor volgen, in de Oudheid gewezen door de verklaarde tegenstanders van do physis-leer.')

Deze organische taalbeschouwing nu verloochent zich allerminst in Bilderdijk's theorie van het grammatisch geslacht, zooals hij die breed uiteenzet in zijn „Verhandeling over de Geslachten der |Naamwoorden in de Nederdtiitsche Taal". 8) Men Éinag zich hiervan niet met een oolijke opmerking afmaken, maar moet, wil men Bilderdijk recht 'laten wedervaren, onverschillig welk standpunt men zelf inneemt, deze theorie opnemen met denzelfden ernst als waarmee ze zich aandient.

ïj In de Vooirede van dit geschrift vinden we al "dadelijk/ de gedachte uitgesproken, dat afzonderlijke behandeling der tgalgeslachten eigenlijk beteekent het afrukken van een lichaamslid: in zóó I levend verband staan de genera met het overige [van het „volkomen samenstel" dat we taal noe- [ men. ^)

Aan de behandeling van zijn onderwerp laat Bilderdijk dan ook voorafgaan, als vereischt, een kort overzicht van de algemeene grondbeginselen der taal.

Hoe gaat hij nu te werk? Als taalwaamemer? Het lijkt er al heel weinig op'! Veeleer als wijsi goerig systematicus. ledere bladzijde leert het. Maar laat ons, om niet te lang te worden, een enkel I citaat geven. Hij heeft bij zekeren auteur de stelr ling gevonden, „dat de uitgang des woords, (voor : zoo verre hij naamlijk in de vorming bepalende is) het geslacht het zij geeft, het zij aanwijst". Over deze, door hem als juist erkende, bewering zegt hij dan: „De waarneming hiervan is voor den gemieenen spraakleeraar; maar de Filosofische kenner der spraak, die hetgeen hij weet, in de oorzaken weet, moet mij deze Waarnemüig niet zeggen, maar a priori voortbrengen."i")

In het door Kluit ontworpen systeem der grammatische geslachten ontdekt hij veel goeds, maar: „ook het volkomenst systema, op die wijze van achteren opgem aakt, hangt geheel van de data (= feitelijke gegevens D.) af, waarop het rust: en, zoo het voor het praküscli gebruik nuttig, voor den leerling gemaklijk en aangenaam, voor de wetenschap-zelve bevorderend is; men mag twijfelen, of het in een vak als dit, wel ooit tot die hoogte van reinheid en klaarheid te brengen zij, die eene volkomen bevrediging van het verstand uit kan werken, is het niet, dat het ware en van alles redengevend beginsel, van elders ontdekt en aangenomen, het toelicht e, en, daar het de gevestigde algemeene regels versterkt, te gelijk hunne uitzonderingen of gants doe verdwijnen, of als onverdiedigbare misbruiken erkennen doe, die men than ds, of, eenmaal te stevig geworteld zijnde, dulden, of, kan men het, uitroeien moet, maar die geene regelmaat breken." (Spatiëering van mij, D, ).

Zoo oordeelt niet de „inconsequente Taalmeesler" (gelijk de Heer Buitendijk met weinig piëteit zijn leidsman kapittelt), maar de filosoof, wien de taal „waarlijk Wijsgeerig" en „Logisch in zidhzeh'e" is 11), die ook bij het grammatisch geslacht taalbederf constateert en dit bederf bestrijden wil door opstelling en voorzichtige toepassing van een wijsgeerig systeem.

Of we goed doen met Bilderdijk op dezen weg te volgen, is een vraag die thans niet aan de orde is. Als maar vast staat: dat deze methode de scherpste veroordeeling inhoudt van de Kollewijniaansche beginselen en tevens, dat ze nooit mag worden losgemaakt van heel Bilderdijk's wijsgeerig denken.

We noemden zooeven zijn gelijkstelling van de taal met de „Reden". Met dit begrip staan we midden in zijn ideeënwereld. Men leze daarover Bavinck's studie na. i^) Ten overvloede worde gewezen op Bilderdijk's diepgewortelde overtuiging van de ontreddering der taal als gevolg van 'smenschen val: „Gij, die... in wangeluid ontaardde; verduisterd als hun brein, verdorven als hun hart..." is) Reeds het feit van de taaiverbastering, hier beleden, ginds geloochend, schept een onverzoenlijke tegenstelling tusschen Bilderdijk's leer en de richtinggevende gedachten der Vereenvoudigers.

Wil men nog een voorbeeld, dan denke men aan zijn voorkeur voor een zooveel mogelijk op woordiafleidende berustende spelling. Kan het dwazer in Vereenvoudigersoogen ?

Bilderdijk te proclameeren tot Kollewijns Johamies den Dooper is onwetenschappelijk en ook uit anderen hoofde niet verantwoord.

Of het dan niet waar is, dat hij soms over volkstaal, taairegeling, spel wij ze dingen zegt, die den Vereenvoudiger kunnen bekoren? Zonder twijfel. Even waar als het is, dat Bilderdijk, zingend van de vrijheid der poëzie en de opperheerlijkheid van het dichterlijk gevoel, soms accoorden aanslaat, die schijnen te preludeeren op het nieuw geluid van '80.

Men heeft hem wel, zij het onder reserves, tot een voorlooper van deze beweging, verklaard. Kloos o.a. deed het in zijn bloemlezing. Maar Verweij. zag het beter: „Wien wij niet konden zetten was Bilderdtijk". i*) Het zou dan ook een weinig critisch denken verraden, als men met behulp van een aantal sterk Romantisch gekleurde ontboezemingen van Bilderdijk poogde aannemelijk te maken, dat zijn poëtische beginselen zoo „gaaf" en „modern" waren, dat slechts inconsequentie en traditiemacht hem beletten een negentiende-eeuwsch „Tachtiger" te zijn.

We trokken de parallel niet op goed geluk! De principiëele verwantschap van de Vereenvoudigers met de mannen van '80 is door de eersten te duidelijk gemaakt dan dat wij haar behoeven te bewijzen, i^) En daarom is het al even onverantwoord, of men deze dan wel gene groep wil steunen met het gezag van zijn Titanenfiguur, onder miskenning van zijn profetischen strijd tegen alle ongodistcrij, zooals hij het placht te noemen.

En toch, er liggen aanleidingen tot misverstand. In de eerste plaats kenmerken Bilderdijk's uitingen zich meestal niet door evenwichtigheid. Als hij ziek van zenuwen een vijand aanvliegt, weegt hij niet angstvallig de zwaarte van zijn woorden. Het raüonaiistische van den tijdgeest ten bloede toe bestrijdend slaat hij dikwijls over in een tegengesteld uiterste. Hij is een man van uitersten. „Wanneer hij (het) convenüoneele loslaat — aldus Ko11 e w ij n in zijn biografie — is het niet om eenvoudig en naar waarheid weer te geven, wat zijn kunstenaarsziel trof, maar om zich te buiten te gaan aan bandelooze overdrijving." i'') Of ook sommige van zijn protesten tegen rationalistische taaipedanterie in dit Ucht moeten worden beoordeeld?

Maar dan: wie Bilderdijk Calvinist noemt, heeft daarmee waarlijk niet alles gezegd. In sommige opzichten is hij Romanticus. Met Kant's afbrekende kritiek op de rede gaat hij ten minste één mijl mede. Voor Leibnitz heeft hij opmerkelijke sympathie. Het stoffelijke waardeert liij dikwijls slechts als allegorie. De louter geestelijke schepselen staan volgens hem Gode nader dan menschen van vleesch' en bloed. De harmoniegedachte overspant hij zónder twijfel. 1')

Over de gemeenschap van 'smenschen ziel met God spreekt hij af en toe in bewoordingen die Pantheïstische sentimenten kunnen streelen:

„tot ik van mij-zelv', geheel mijn ik, vervall'; In U, in Christus leve, en heel mijns-zelfs [vergeten, . Met Jezus saménsmelte in 't Zelfgenoegzaam Aü^^)

Het is dan ook volstrekt niet zóó, alsof de Calvinistische bestrijders van het KoUewijnianisme „het godsdienstig en staatkundig deel van zijn geestelijke erfenis" onverkort handhaven (zooals de woorden van den Heer B. doen veronderstellen) om slechts ten aanzien van zijn taalkundige denkbeelden zeker voorbehoud te maken. Daarvoor is Bilderdijk te veel systematisch denker. Zijn taalbeschouwing, gegroeid met en uit heel zijn wijsgeerig denken, trekt haar sappen ook uit Romantischen grond'. Dit te vergeten is even onjuist als in Bilderdijk zijn ootmoedig buigen voor het Schriftgezag voorbij te zien.

Om deze redenen achten we het onjuist, , als de Heer B'. van TBilderdijk's wijsgeerig gedachtencomplex die linguïstische opvattingen isoleert, welke hem terecht of ten onrechte verwerpelijk voorkomen.

Noodig is een onbevooroordeelde en grondige studie van Bilderdijk's taalfilosofie in haar samenhang met zijn veelomvattend wijsgeerig-dichterlijk denken. Zulk een studie zal ons — dit durven we wel te voorspellen — leeren, dat hij evenmin een te vroeg geboren Vereenvoudiger was, als de bouwheer eener Cal^'inistische linguïstiek.

Hiermede is allerminst uitgesproken, dat zijn Titanenarbeid op het gebied der taalwetenschap voor ons geen principiëele beteekenis zou hebben.

Het artikel van den Heer Bi. moge ons in zijn conclusies omtrent Bilderdijk niet bevredigen, het wekt weer belangstelling voor „den groten taalgeleerde, die tevens Calvinist was" (zooals de Heer B. hem niet oneigenaardig noemt) en dlat op zichzelf reeds heeft waarde.

Overigens spreekt het vanzelf, dat de hoofdstrekking van genoemd opstel door deze onze bedenkingen niet direct wordt aangetast. Zij vereischt een afzonderlijke bespreking.


7) Zie „De Reformatie" van 12 April 1935: A n t i e k e Voorloopers van Kollewijn.

8) Tweede dr., A'dam, 1818.

9) Pg. XVI en XV. ,

10) Pg. 19.

11) Pg. 119.

12) Pg. 124/5 (vgl. aant. 3).

13) K o m p 1. D i c h t w. XIV, pg. 75.

14) Inl. tot de nieuvye Neder 1. Dichtk. *, A'dam, 1914, pg. 62.

15) B.v. De Vooys, V e r z. T a a 1 k. O p s t. I, Groningen, 1924, pg. 207. Zie over dit belangrijke punt Wille, Taalbederf door de School van Kollewijn, A'dam, 1935, pg. 27 vlg.

16) A'dam 1891, dl II, pg. 481.

17) Vgl. de genoemde studie van Bavinck en een artikel van Prof. coU. M. C. Nieuwbarn O. P. in het gedenkboek Mr Willem Bilderdijk, A'dam, 1906, pg. 99 vlg.

18) Kompl. Dichtw. V, pg. 277.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 4 november 1938

De Reformatie | 8 Pagina's

OPVOEDING EN ONDERWIJS

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 4 november 1938

De Reformatie | 8 Pagina's