GeheugenvandeVU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van GeheugenvandeVU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van GeheugenvandeVU.

Bekijk het origineel

Kerk-rechten of Leden-rechten ?

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Kerk-rechten of Leden-rechten ?

7 minuten leestijd

In de revolutionnaire Franse tijd is de vraag of de kerkelijke goederen toebehoren aan de kerken als corporaties dan wel aan haar leden, welke vraag ook in onze dagen van groot belang is, aan de orde geweest. Hoe dachten de Fransgezinden toen over de goederen van de aloude Gereformeerde Kerk? In de dissertatie van Lohman: „De Kerkgebouwen der Ger.

(Herv.) kerk" vinden wij op pag. 192 de volgende mening van Lookhorst weergegeven: „Ziet hier, representanten, mijne bedenking: wij moeten nu doen, hetgeen toen ter tijd had behooren te geschieden —. Namelijk de' voorvaders der protestanten zijn zo wel als die der R.K. contribuanten aan de zogenaamde geestelijke fondsen geweest — verandering in godsdienstige gevoelens kan naar mijn inzien geen verandering in aanspraak op eigendommen maken. En dus dunkt mij, moesten die goederen welke tot Kerkelijke zaken zijn bestemd overeenkomstig die bestemming, onder de verschillende Gezindheden worden verdeeld — zoo, dat elk daar in naar het getal der belijders een deel in dezelve ontvingen, maar met geen ander recht, dan om dezelve tot kerkelijke zaken naar derzelver bijzondere inrichtingen te gebruiken."

En in overeenstemming met dit standpunt bepaalde art. 6 van de Additionele Artikelen tot de Acte van Staatsregeling voor het Bataafse volk van 1798: „Alle Kerk-Gebouwen en Pastorij-Huijsen der voormaals Heerschende Kerk, voor zoo ver' zij, door aanbouw uit de afzonderlijke Kas der Gemeente, geene bijzondere en wettige eigendommen zijn, worden overgelaten aan de beschikking van ieder Plaatslijk Bewind, om deswege tusschen alle Kerkgenootschappen èenig vergelijk te treffen, en wel binnen de eerstkomende zes Maanden na de aanneming der Staatsregeling.

De grondslag van dit vergelijk is, in iedere Plaats, het grootst aantal van Leden der onderscheiden Kerkelijke Genootschappen, hetgeen alzoo de relatieve meerderheid van Zielen zal uitmaaken.

Hetzelve zal de voorkeus hebben omtrend de naasting eener Plaatslijke Kerk en Pastorij, onder bepaaling echter, na gedaane begrooting van de waarde dier Gebouwen, van eene maatige uitkeering, hetzij in eens,

of bij termijnen, aan de andere Kerk-Gemeenten, naar evenredigheid van derzelver Leden, welke allen, door deze bepaaling, worden gehouden voor altijd afstand gedaan te hebben van de gemeene aanspraak.

De alzoo genaaste Kerken en Pastorijen blijven, ten allen tijde, - onder de bezitting, beheering, en het speciaal onderhoud dier Kerk-Gemeenten, aan welke dezelven, volgends het hier voorgaand onderling con^ tract, zijn toegewezen.

De geschillen, over dit een en ander ontstaande, worden ten spoedigsten beslist door het Vertegenwoordigend Lichaam.

De torens, aan de Kerkgebouwen gehegt, benevens de Klokken, met derzelver huisingen, worden verklaard, eigendommen te zijn en te blijven der Burgerlijke Gemeenten, staande ten allen tijde onder derjzelver beheering en onderhoud."

Wat zullen wij van deze vrijheid, gelijkheid en broederschap zeggen? Dit, dat zij in strijd is met de Schrift. Hoe durft een overheid goederen, geschonken en toebehorend aan de kerk, die leeft naar Christus' wet, tot gemeenschappelijk eigendom te verklaren van deze kerk met andere gemeenschappen, die zich met de naam van kerk bedekken? Waren deze goederen eigendom van mensen of van Christus? En waren zij bestemd tot de dienst van mensen of tot Zijn dienst?

Het is goed deze vragen te stellen. Al te licht gewennen wij ons aan de gedachte, dat het bij een kerkelijke scheuring ten aanzien van de stoffelijke goederen gaat om de verhouding van het aantal leden der groepen, terwijl toch deze goederen een bepaalde geestelijke bestemming hebben, nl. het dienen van onze God naar Zijn wil en wet. Wij belijden, dat het invoeren van een hiërarchie in strijd daarmede is. En moet daaruit niet volgen, dat wij ook met betrekking tot die goederen — wanneer de wereldlijke wetten de mogelijkheid daartoe open laten — een roeping te vervullen hebben. Het mag geen zaak zijn van meerderheid of minderheid. Het moet zijn een zaak van waarheid en recht. Zoals art. 31 K.O. het zegt: Bindend, tenzij in strijd met Gods Woord (waarheid) of de artikelen der K.O. (recht). Wij zagen vroeger reeds, dat voor de Nederlandse rechter de zaak der waarheid er een is van meerderheid van stemmen. Wij zagen echter ook, dat de zaak van het recht er niet een is van meerderheid van stemmen. En daarom hebben vwj de plicht hier niet stil te zitten, doch, waar dit mogelijk is, tot heil der kerk haar recht ook op deze aarde te zoeken. Opdat God ook hier Zijn zegen geve.

Mocht het zijn, de zegen van vereniging door recht met alle broeders en zusters, die nog niet tot de daad van gehoorzaming in vrijmaking van bovenschriftuur- Hjke bindingen zijn gekomen. Mocht ook hierin ons gebed om bewaring en vermeerdering der kerk worden verhoord.

Op één punt wil ik in dit verband nader ingaan. Zoals wij zagen uitte de revolutiegeest zich in die zin, dat verandering in godsdienstige gevoelens geen verandering in eigendomsaanspraken ten gevolge kon hebben. Naar thans geldend Nederlands recht moet m.i. het tegendeel worden aangenomen, althans voor onze kerken. Het vermogen, door onze kerken bijeengebracht, is niet bestemd voor 'n bepaalde groep personen, doch voor een bepaald doel. Giften, geschonken voor b.v. kerkbouw, zijn bestemd voor de uitoefening van de eredienst volgens de belijdenis van de kerk. Keert men de orde om door de hiërarchie in te voeren of haar te tolereren, dan verkracht men de belijdenis der kerk en handelt men buiten de doelstelling, sterker nog: er tegen in. En wanneer men daar jaar in, jaar uit mee doorgaat, zal rebus ipsis et factis moeten worden aangenomen, dat men het doel veranderd heeft. Terwijl men niettemin het voor dat doel gegeven vermogen blijft beheren, als hoorde het zo. En het intussen onthoudt met een schijn van recht aan hen, die het doel trouw zijn gebleven, beter gezegd, aan de kerk als corporatie, die voortleeft in laatstgenoemden. Het feitelijk beheer geschiedt niet meer doel-matig, d.w.z. ter bereiking van het doel. En het is juist deze situatie waartegen de kerk moet opkomen, gezien ook de materiële nood waarin de kerken verkeren. Doch allereerst omdat het een geestelijke plicht is, immers wij mogen Gods gaven (ook niet die van het verkrijgen van rechtszekerheid van Zijn kerk op aarde) niet verkwisten (H. C, Znd. 42).

Ik weet wel, hier ligt een groot gevaar voor ons vlees. Als wij het doen om aardse rijkdom voor onszelf te krijgen, zal ook op een goede afloop van processen geen zegen kunnen rusten. Die rijk willen worden, vallen in verzoeking en in de strik, en in vele dwaze en schadelijke begeerlijkheden, welke de mensen doen verzinken in verderf en ondergang (1 Tim. 6:9). Maar als wij het doen uit liefde tot Christus' kerk uit geloof, dan zal ook dit medewerken ten goede, ongeacht welke de uitslag voor het oog der mensen is. En dan zullen wij ook de weg vinden hoe wij naar de wil Gods deze zaken met hen, die ons uit de kerk wilden, maar niet konden stoten, zullen behandelen. Waarbij wij naar onze Belijdenis niet bij voorbaat de tussenkomst van de wereldlijke rechter verwerpen. Zoals naar art. 36 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis de Wederdopers deden. Laat ik

op dit punt mogen eindigen met het volgende citaat uit de „Grontlicke Onderwijsinghe teghen allerleye dwalinghen der Wederdooperen etc, gheschreven door Idzardum Nicolai f. Franekerensem, Dienaer des H. Euangelii tot Minnertsga." Uitgave 1609, Tweede Deel, blz. 472: Van het RECHTEN, Dat is/ Sijn Saecken met rechts middelen te vervorderen.

Met den voorgaenden materie (Van het Ampt der Overheyt, L. R.) heeft dese vraghe groote Gemeynschap: oft een Christen met goeder consclentie de hulpe van eenige Overheyt/ oft wereltsch recht/ tot bevorderinghe van eenighe saken mach gebruycken. Sommige Wederdoopers seggen plat af/ neen/ ende dryven dese meyninghe soo sterck/ dat sy daerom andere/ die anders ghevoelen/ voor geen broeders wille kennen. Wy bestraffe wel veelderley misbruyck in dese saeck: als dat broeders met elck ander soo lichtelijok twisten: dat de eene onghelyck doet/ ende de ander onverduldich is: dat sy met elck ander oock wel onder sulcke Overheyt te rechte gae/ by welcken sy hare religie te spot stellen: ende wat meer/ als vleeschelijck ende ergherlijck zijnde/ can angewesen worden. Maer wy segghen/ dat het een Christen voor God gheoorloft is te rechten/ als hy ghewichtige oorsaken heeft/ ende sulcx doet in des Heeren vrese/ niet met vleeschelijcke onlijdsaemheyt/ ende wraeckgiericheyt/ niet met soecken van ongherechticheyt/ oft met ghegheven ergernisse: ja wy segghen/ dat hy het schuldich is te doen/ als hy niet anders voor groote schade beschutten can die gene/ welckers opsicht hem bevolen is: ende hy van het recht hulpe heeft te ver­

wachten."

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 12 juli 1952

De Reformatie | 8 Pagina's

Kerk-rechten of Leden-rechten ?

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 12 juli 1952

De Reformatie | 8 Pagina's