GeheugenvandeVU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van GeheugenvandeVU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van GeheugenvandeVU.

Bekijk het origineel

GEESTELIJKE ADVIEZEN

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

GEESTELIJKE ADVIEZEN

6 minuten leestijd

(Alle inzendingen, deze rubriek betreffende, aan Ds D. van Dijk, Akkerstraat 26, Groningen.)

Velerlei misvatting.

Dr Thijs heeft in het „Gereformeerd Theologisch Tijdschrift" gerecenseerd mijn boekje: „Verbond en Belijdenis".

Nu is het natuurlijJc onmogelijk, op alle reoensiën in te gaan. Men zou, dat doende, aan den gang kunnen blijven.

Deze recensie lijkt mij evenwel van dien aard, dat het goed is, daarover iets te zeggen, omdat hierin zoo duidelijk aan den dag treedt, d!e altijd weer terugkeerende misvatting over de bedoelingen van mij en van allen met wie ik gelijk denk.

Ik schrijf daartoe letterlijk over, wat dr Thijs zegt:

„De verbondsbeschouwing in dit boekje (zoo schrijft hij) is de mijne niet, maar het is niet - mijn bedoeling hierop in te gaan. Ik wijs er slechts op, dat het (naar mijn gedachte althans) aan een tegenstrijdigheid en een dubbelzinnigheid lijdt. De tegenstrijdigheid is deze. God zegt tot den bondeling: Ik geef u de vergeving der zonden en het eeuwige leven. Dit wil echter nog niet zeggen, dat de bondeling deze weldaden ontvangt.

God geeft allen bondelingen het heil. Of ze het zullen hebben hangt hiervan af, of ze het aannemen, (pag. 14.)

Het „geven" is hier dus niet meer, dan wat wij gewoonlijk een „aanbod" noemen.

Tot zoover eerst dr Thijs,

Volgens zijn beschouwing is, wat ik noem „een geven van het heil", niet meer dan een aanbod.

Maar dat is toch niet juist. Het is veel sterker. Als iemand een testament maakt en daarin aan mij een bepaald bedrag legateert, en die man komt te sterven, dan heb ik krachtens dat testament, recht op dat goed; rechtens is het bet mijne. Of ik het zal bezitten en genieten hangt natuurlijk hiervan af, of ik het legaat aanvaard. Ieder gevoelt onmiddellijk, dat de plaatsing van mijn naam in het testament, voor dat bedrag, iets anders is dan een aanbod; het is veel sterker. Dat kapitaal is, door die legateering, het mijne geworden, en op grond daarvan mag ik het aanvaarden.

Zoo nu staat het ook met betrekking tot den bondeling en het goed des verbonds. Daarin gaat het maar niet om ©en aanbod.

Als ik zfeg: „God geeft dat den bondeling", dan wordt daarin uitgesproken de waarheid, dat God den bondeling rechtens tot eigenaar > au dat heil maakt; God zet dat goed op zijn naam. Op grond daarvan mag en moet hij dat nu aanvaarden.

Hierin is het verschil tusschen den bondeUng en hem, die buiten hel verbond werd geboren.

De bondehng moet gelooven, dat het heil voor hem is, omdat hij, krachtens Goddelijke beschikking, er recht op heeft.

De niet-bondeling, wien het heil wordt aangeboden, moet gelooven om er recht op te krijgen. De voorstelling, die ik gegeven heb, is trouwens niet een uitvinding van mijzelf; zij berust heelemaal op ons Doopsformulier.

Ik leQS daar: „Wdnt als wij gedoopt worden in 'den Naam des Vaders, zoo betuigt en verzegelt ons God de Vader, dat Hij mei ons een eeuwig - verbond der genade opricht, ons tot Zijn kinderen en erfgenamen aanneemt. En als wij in den Naam des Zoons gedoopt worden, zoo verzegelt ons de Zoon, dat Hij ons wascht in Zijn bloed.

Desgelijks als wij gedoopt worden in den Naam des Heiligen Geestes, zoo verzekert ons de Heilige Geest door dit Heilig Sacrament, dat Hij in ons wonen en ons tot lidmaten van Christus heiligen wil."

Zoo staat het er.

Uitdrukkelijk wordt daar gezegd, dat de Zoon ons verzegelt, dat Hij ons wascht in Zijn bloed, m. a. w. dat Hij ons schenkt de vergeving der zonden.

En nu, één van tweeën; — dat geldt niet voor allen, die gedoopt worden, of bet kan niet anders beteekenen dan wat ik daarin lees. Durft men nu aan, te zeggen: „dat geldt niet allen bondelingen, - maar alléén den uitverkorenen? "

Ik weet wel, dat velen dat tegenwoordig doen.

Maar dan vraag ik: „is er in het formulier ook maar één aanwijzing, dat wat daar gezegd wordt, alléén waar is voor de uitverkorenen? "

in­ Die gedachte moet men in het formulier leggen, maar zij ligt er niet in.

In de tweede plaats: als die verzekering en verzegeling van. den doop niet allen doopelingen geldt, waar blijft dan voor de ouders de troost van den doop? Dan zal eerst openbaar moeten worden, dat ik in mijn kind met een uitverkoren kind te doen heb. Ook de doopeling zelf zal dan eerst moeten weten, of hij een uitverkorene is, eer hij zich de beloften toeeigent; en zoo zondt gij krijgen de omgekeerde wereld, waarin ik niet geloof op grond van Gods belofte, maar de belofte aanvaard op grond van mijn geloof.

Hierbij moet mij nog iets van het hart.

In den laatsten tijd is men er telkens op uit geweest, om uitspraken en voorstellingen, waarmee m'en bet niet eens was, te veroordeelen met een verwijzing naar de belijdenisschriften. En men was daarbij terstond gereed om te zeggen: „Gij moogt dat niet leeren; als ge er zoo over denkt-, dan moet ge een gravamen indienen tegen de be-' lijdenis." En dat gold dan dingen, waarvan het heelemaal niet duidelijk is, of zij inderdaad van de belijdenis afwijken. Eer het tegendeel.

Maar van diezelfde zijde wordt wel telkens een voorstelling gegeven van het Verbond en de Bondelingen, die zeker niet overeenstemt met de uitspraken van de belijdenis en de formulieren.

Nergens maken belijdenis en formulieren onderscheid tusschen de kinderen der geloovigen. Zij hebben allen gelijkelijk recht op den Doop en hun wordt in den Doop allen hetzelfde heil verzekerd.

En nu wil ik, van mijn zijde, niemand beschuldigen van afwijking, van on-gereformeerd zijn. Ik ben vast overtuigd, dat het allen er om; te doen is, de waarheid klaar te zien en den zin der belijdenis te vinden en te vertolken.

Maar laat men dan ook hunnerzijds dat van ons gelooven en niet telkens pogen ons het zwijgen op Ie leggen en te zeggen; „"halt, dat is tegen de belijdenis."

Zoo krijgt men een meten met twee maten en geeft men den indruk van partijdig te zijn.

Ik ga nu verder met de recensie van dr Thijs: „Toch", zoo gaat hij voort, „wil Ds van Dijk niet weten van het zelfonderzoek of men , wel werkelijk een kind van God is. Dat moet krachtens Gods belofte inzet en uitgangspunt van heel ons leven zijn. Dat moeten wij gelooven op elk punt van onzen weg." (pag. 30.)

Dit nu lijkt mij een tegenstrijdigheid. Als de gelofte een aanbod is, dat door het geloof moet worden aangenomen, dan blijft er toch ruimte voor de vraag: „neem ik het werkelijk aan? "'Dan kan uit zulk een belofte toch niet volgen, dat ik gelooven moet, dat ik ze aanneem en een ge- -loovige ben? "

Tot zoover dr Thijs.

Hier nu liggen de inisverstanden voor het grijpen.

Waarin die misverstanden bestaan, hoop ik in een volgend artikel te laten zien.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 27 oktober 1939

De Reformatie | 8 Pagina's

GEESTELIJKE ADVIEZEN

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 27 oktober 1939

De Reformatie | 8 Pagina's