GeheugenvandeVU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van GeheugenvandeVU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van GeheugenvandeVU.

Bekijk het origineel

Leestafel.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Leestafel.

7 minuten leestijd

Dd. G. WISSE Jr., Gereformeerd predikant. Doe dat tot dat Hij komt. Een praciicale verhandeling over het godvruchtig Avondmaalvieren, Uitgave van J, H, Bos, Kampen,

„Ds, WISSE als asceticus" — wanneer ik dit als opschrift-plaats boven deze mijn bespreking van zijn boek, verzoek ik mijn lezers wel te letten op het verschil tusschen een asceticus en een asceet.

Bij een „asceet" toch zullen de meeste hunner, zooal niet aan een kluizenaar, dan ^ toch an een monnik denken, en wel aan eenen wiens lichaam door vasten en cacbtwaken ec elfkastijding zoo gemortificeeid is, dat de ïiel r nog wel in, maar toch reeds los is van het ijdslijkaardsche, niet meer begeerig' naar, niet eer hechtend aan de goederen des levens, pgaande in de contemplatie, dood voor het edrijvige leven.

Maar een asceticus is heel wat anders.

Een asceticus is een kenner van de ascetiek ^ een woord dat wij uit het Grieksch hebben en daar met „oefenen", „zich oefenen", saamhangt — van de beoefeningsleer. Hieronder vsr staan wij de leer van de middelen waardoor de godsvrucht of de godzaligheid wordt tjevorderd, wordt gesterkt.

Ook onder onze oude gereformeerde Theologen zijn er zulke ascetici geweest. Vele dier „oude schrijvers, " welke, nog niet zoolang geleden, veel meer dan nu, onder het volk werden gelezen, waren zulke ascetici.

Wie nu, op dit verschil tusschen een „asceticus" en een „asceet" niet lettend, en even als ik, Ds. G. WISSE Jr. gezien ea gesproken, hem gehoord en van hem gehoord heeft, zou, in mijn opschrift den asceticus met den asceet verwarrend, allicht verwonderd vragen: wat is er gebeurd?

Wie zich toch, uit de van hem ontvangen indrukken, van dezen jeugdigen, nog geen negen jaren in het ambt staanden gereformeerden predikant, met zijn welgedaan uiterlijk en van levenslust tintelend oogj met zijn, tot in het toilet toe, op de wijze van een gedegageerd man-van onzen tijd, zich voordoen; met zijn charmeerende oratorie en, laat mij er op grond van eigen ervaring, terstond bij voegen, ook door wat hij zegt, wegslepende wijze van prediken j met zijn in nimmer verslappende activiteit en zelfs ietwat luid opklinkend zelfgevoel, als nooit vervelend, maar altijd pakkend „lezer" over wetenschappelijke en Bietwetenschappelijke onderwerpen, als zeldzaam handig debater en daarom zoo geducht propagandist voor anti-revolutionaire politiek enaotiprostitutiebeweging, voor christelijk onderwijs en anti-socialisme, op wat niet al terreinen des levens, ook buiten het kerkelijke, zich be wegend, — een beeld heeft gevormd, voor dien heeft dit - beeld geen enkelen trek gemeen met het onder ons gangbare van den asceet.

Voor sommigen mijner lezers, die minder op de hoogte met de geschiedenis der gods diensten en van Schopenhauers „ontkenning van den levenswil" heel niet wetend, A& c^ ascee voor 'n specifiïk roomsche verschijning houden, zal dit eer het tegendeel van een bezwaar zijn om met Ds. WISSE als asecticus kennis te maken.

Voor anderen echter zou dit wel een bezwaar kunnen zijn.

Wees als Ds. WISSE een predikant van onverdachte rechtzinnigheid en onbesproken levenswandel, maar wees daarbij ook nog al dat andere wat hij is, jeugdig incluis; — er zullen nog altoos menschen zijn die tegen een boek van u over zoo innig en teer onderwer^als het Avondmaalvieren, met eenigen schroom opzien.

Ik zou het betreuren, wanneer dit iemandj op grond van zulk een overweging, met het boek van Ds. WISSE overkwam.

Op het gebied der ascetiek, inzonderheid over de praktijk van het H. Avondmaal, een harer onderdeelen, bestaat zooals ik reeds opmerkte een vrij omvangrijke literatuur; en dat men nu, ook zonder iets van een asceet te hebben, toch een uitnemend asceticus kan wezen, is duidelijk voor ieder, die wel eens met aan dacht het portret heeft bezien van onzeu Johannes Hoornbeek^ den in 1666 te Leiden gestorven hoogleeraar ia de H. Godgeleerdheid.

Zoo niets van een asceet.

Welnu, ook Ds. WISSE, die zoo niets van een asceet heeft, toont zich in dit zijn boek toch een goed asceticus.

„De bedoeling van dit geschrift is", zoo lees ik in zijn voorbericht, „om niet zoozeer over de leer, als wel over het gebruik des Avondmaals eenige wenken ten beste té geven".

Metterdaad geeft hij hier op dit stuk behartingswaardige wenken.

Het boek bevat tien hoofdstukken, waarvan het eerste: Op de pelgrimsreize, een soort inleiding vormt.

Dit hoofdstuk acht ik het minst gelukk'ge van de tien.

Gelijk er een grens is tusschen poëde en schilderkunst, zoo ook tusschen wat men zeggen en schrijven kan.

Nu schrijft de heer WISSE in dit inleidend hoofdstuk over de „benoodigdheden" van 'n pelgrim en bepaalt die tot: „een staf, spijs en drank in buidel en flesch, een reisgids, en het pelgrimslied". Tien tegen een, dat wanneer ik p hem dit nu zoo had hooren zeggen, ik niets zou hebben gemerkt; maar nu het daar zoo zwart op wit voor mij staat beginnen tegen deze vier dingen als „benoodigdheden van een pelgrim" toA bedenkingen bij mij op te komen.

Erger wordt het nog als hij schrijft: „Ia den Heidelbergschen Catechismus kunnen we een ongezochte voorstelling en uiteenzetting er van vinden".

Alzoo een „ongezochte voorstelling" — wat reeds een voor mij zonderlinge verbinding van twee begrippen is — én een „uiteenzetting" van den staf, van de spijs en den drank ia buidel en flesch, van den reisgids en van het lied, — wat mij op nog zonderlinger gedachten brengt.

Zoo iets acht ik, vooral bij een boek als dit, bepaald een ongeluk.

Het bederft uw stemming.

Dan, ik laat die „ongezochte voorstelling", waar ik toch geen kans op zie een touw aan vast te knoopen, nu maar rusten en, om des schrijvers bedoeling te ondervangen, wil ik in die „uiteenzetting" van „de vier benoodigdheden" in den Heidelbergschen Catechismus maar een stoute metaphoor zien.

Doch nu komt het ergste.

Dit kostelijk leerboek spreekt van het Voorwerp des geloofs, de beloftenissen Gods, dat is, schrijft Ds. WISSE, de staf. Het spreekt van de Sicrementen, dat is, schrijft hij, gelijk aan voedsel en lafenis in den buidel. Het bevat een uiteenzetting van de Wet, dat is de reisgids. Het geeft eindelijk een ontvouwing van het Gebed, dat is het pelgrimslied.

Nog eens, zulke dingen laten zich nog wel zeggen, maar als gij de onvoorzichtigheid beg aX ze ook te schrij\ en loopt gij gevaar door uw niet al te vluchtigen lezer betrapt te worden op een vernuft, dat ik hier, uit reverentie voor Ds, WISSE, niet nader qualificeeren wil.

Ik geef den schrijver dan ook in overweging, om bij een volgenden druk van zijn werk heel öezen passus over „de vier benoodigdheden van een pelgrim" weg te laten.

Toch late men zich door dit min gelukkige eerste hoofdstuk van de verdere lezing i> iet afschrikken.

In de negen volgende wordt metterdaad veel goeds geboden.

De Heilige en Heerlijke Disch, het tweede hoofdstuk, zet in mystieken toon de beteekenis van het Avondmaal als sacrament der" voeding uUeen. Alleen trof mij hier de ietwat vreemdsoortige en daarbij uit den toon vallende redeöeering: „In den staat der rechtheid at de mensch vruchten; vruchten zijn de edelste voedingsmiddelen; vandaar doen ze nu nog dienst als dessert". Een volgend hoofdstuk, dat van de voorbereiding handelt, is evenals dat over de zelf beproeving practicaal geschreven, riik aan bestierende gedachten. In het vijfde: Zonder bruiloftskleed geeft onze asceticus een ernstig woord van waarschuwing voor de onbekeerde Avondmaalgangers. Dan volgt weer een hoofdstuk van groote innigheid over het Avondmaal houden en een van goede verklaring over het „onwaardiglijk" en „onwaardig". Een achtste hoofdstuk tracht u te doen verstaan wat er geschiedt, als men met een geloovig hart het lichaam van Christus eet en zijn bloed drinkt, iets waarbij de schrijver op de Calvinistische tegenover de Roomsche en Luthersche leer meent te moeten ingaan. Het negende hoofdstuk geeft echt practische wenken voor den dag zelf, waarop gij ten Avondmaal gaat en hel laatste voor uw dankzegging en nabetrachting.

Ik zou aanmerking kunnen maken op den stijl.

„Vervrijmoediging" en „trouwbemoeienissen", tot God „uitvluchten", „aparte voorbereiding", „zich in een gestalte wringen", „neo-modernen" — willen mij voorkomen deels min fraaie, deels min juiste uitdrukkingen te zijn.

Maar, dit boek van Ds. Wisse bezit, uit een oogpunt van ascetiek, zooveel goede eigenschappen, dat ik deze stijlloosheden gaarne overzie.

Metterdaad heeft de schrijver onze ascetische litteratuur niet alleen vermeerderd, maar ook verrijkt en heeft hij, de man van de activiteit, van het werkzame leven, er zich door doen kennen als een, die tevens zin voor en kennis heeft aan het innige-en het contemplatieve; die daarom ook asceticus kan zijn.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 10 maart 1907

De Heraut | 4 Pagina's

Leestafel.

Bekijk de hele uitgave van zondag 10 maart 1907

De Heraut | 4 Pagina's