GeheugenvandeVU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van GeheugenvandeVU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van GeheugenvandeVU.

Bekijk het origineel

Van de Voleinding.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Van de Voleinding.

20 minuten leestijd

LIV.

TWEEDE REEKS.

XVI.

Toen werd Jezus van den Geest weggeleid in de woestijn, om verzocht te worden van den duivel. Matth. 4 : I.

In dit licht bezien, verkrijgt de verzoeking van Jezus In ds woestgn de beteekenis van een wereldgebeurtenis. Ging er, toen de Cliristus op aarde verschenen was, en hij, na zijn Doop, zijn roeping ging volbrengen, een aanval gelijk vioeger nooit, uit de demonenwereld op ons menschelijk geslacht uit, en op den Heiland die ons aan satans macht ontrukken kwam, dan is de uitkomst van de verzoeking het beslissende punt in de historie, van waaraf satan's tenonder> brenging begon. Het is zoo, reeds na het paradijs was de macht van satan over deze wereld niet meer wat ze oorspronkelijk was. Van die ure af toch kwamen er in ons geslacht uitverkoren personen op, en tegen geen van die uitverkoren personen kon aan satan gelukken, wat hem gelukt was met Eva, en door haar, met Adam. Maar ai moet hierop gewezen, dit neemt niet weg. dat satan juist door den vloek, een wel gewgzigde maar toch zeer geweldige macht over de historie van ons geslacht behouden had. De verwording en degeneratie van ons menschelijk geslacht bij meer dan eén heidensch volk, was hiervoor kenteekenend. Niet bij alle heidensche volken ging die degeneratie even ver, en zelfs kwam er bij meer dan één heidensch volk veel nobels te voorschijn; wat ge terstond gevoelt, zoo ge slechts aan Plato en de Grieksche tragische dichters denkt; maar toch nam de ontreddering van het zedelijk leven zelfs bij de hoogst staande heidensche volken juist in de dagen van Jezus' verschijnen derwijs toe, dat het wereldsche leven almeer een satanisch karakter erlangde. O/er Pompeï, een vermaard stedeken in die dagen, is uit de Vesuvius een stroom van lava uitgevloeid, die geheel deze stad onder zijn vuurstroom begroef. In later dagen is men nu aan het werk getogen, om de rulaen van die stad van haar livaoverstelping te ontdoen, en zoo is het leven, gelijk het in die dagen te Pompei' geleefd werd, weer tot in de kleinste bijzonderheden aan het licht gekomen. En al had men nu niet anders dan hetgeen daar onder de afbeeldingen is gevonden, zoo zou reeds daaruit het satanisch karakter van de toenmalige degeneratie voldingend gebleken zijn. Toch viel hierin nog altoos zekere inperking op te merken, en het is welbezien eerst in Palestina, en bepaaldelijk in Jezus' dagen, dat de inval van de onreine geesten zulk een vroeger ongekenden omvang en intensiteit erlangde. Dat nu de daarin opwellende woede zich ook op onschuldigen wierp, die met de vervulling der profetie niets te maken hadden, was op zichzelf niets anders dan eenovervloeüng in woede. Het was enkel de poging om boos zich aan te stellen, zijn woede te koelen, en in een aan ra''erng grenzende kwaardaardigheid, aan het land waarin Jezus dorst optreden, kwaad te doen. Maar toch spreekt 't vanzelf, dat dit slechts overtollige bijzaak was, en dat de eigenlQke poging van satan zich niet richtte op die onnoozele slachtoffers van zijn ongekende woede, maar op Jezus en op Jezus alleen, of wilt ge, op Jezus en op diegenen, die door hem gekozen werden als zgn instrument en orgaan om zijn zaak te bevestigen.

Het is daarom zeer wel aan te nemen, dat er vóór Jezus ingaan in de woest^n aan geen verzoeking van de zijde van satan behoeft gedacht te worden. Gelijk we reeds opmerkten, blqkt uit 'tgeen de onreine geesten herhaatdelgk tot Jezus roepen, dat satan uitnemend op de hoogte was van wat er gebeurde. Hq bepreep dan ook zeer wel, dat een strqd op leven of dood hem niet gespaard kon worden, en dat h^" bij dezen strijd met Jezus zou stuiten op een helden macht van het heilige, als waarmee deze t dusver nog nimmer tegen hem opnam. Toen satan doorzag dat Jezus niets deed, stil m Nazareth bleef, en nog in niets zich als Messias openbaarde, viel hem dit op verrassende wgze meè, en kwam het niet In hem op om een vijand die zich stil hield, te prikkelen. Hg was te beducht voor Jezus, om Jezus zonder noodzaak uit te dagen'. Verandering kwam hierin eerst van het oogenblik af, dat Jezus Nazareth verliet, van nu af In het publieke leven optrad) en door zijn aansluiting aan Johannes den Dooper, en door den Doop dien hij zelf onderging, toonde hoe thans zrjnerzQds de beslissing zou worden uitgelokt. Het spreekt vanzelf, dat de stem van God, die hem bij den Doop voor alle engelen tot Messias uitriep, ook den satan niet ontgaan kon. Het was alzoo God zelf, die bq den Doop van Jezus voor engelen en menschen zijn Zoon aanwees als den held, die 't tegen satan op zou nemen, en de macht van satan, althans in beginsel, zou breken. De verzoeking in de woestijn was daarom iets dat niet kon uitblqven. Het is niet maar zoo, dat satan, Jezus in de woestqn ontwarende, van de gevolgen van zijn langdurig vasten gebruik maakte, om te zien of hij Jezus niet verleiden kon. Veeleer was de verzoeking van Jezus in de woestijn een vanzelf uit de verhouding van satan tot den Allerhoogste voortvloeiende noodzakelijkheid, waaraan Jezus zich niet onttrekken kon noch wilde, en waar satan zich, goedschiks dan wel kwaadschiks, aan onderwerpen moest. Het Is dan ook opmerkelijk, dat er uitdrukkelijk bijstaat, dat Jezus van den Geest weggeleid werd in de woestijn, om verzocht te worden van den duivel. Er is hier alzoo geen sprake van een toevallige ontmoeting. Het is niet zóó toegegaan, dat Jezus in de woestijn omdoolde, er te lang bleef, daardoor honger kreeg, en dat nu satan er toevallig bijkwam, om van dit zwakke oogenblik gebruik te maken in zijn voordeel. Veeleer staat de verzoeking van den duivel als doel voorop, en de Heilige Geest werkte op Jezus als mensch in, om hem eenzaam naar de woestijn te doen trekken. De positie, waarin Jezus tegenover satan verkeerde, kon niet worden uitgemaakt, tenzij Jezus eerst de volle verzoeking van satan ondergaan en zegevierend doorstaan had. Voor deze principieele, heel Jezus' toestand, en heel den gang van zijn Messiaswerk beheerschende daad, leende zich geen plek op aarde zoo goed als juist de woestijn, en daarom moest Jezus door den Heiligen Geest zoo bewerkt worden, dat hij eigener beweging naar de woestijn toeging, en zoo Gods raad diende. De woestijn is een stuk wereld dat het beeld van den vloek in zich draagt, en onder alle woestijnen is er geen zoo demonisch in haar aanblik, als juist de woestijn, die aan deze zijde van de Jordaan tusschen Jericho en Jerusalem ligt, of liever zich verheft. Ge moet hierbij toch niet denken aan een platvloersche, woeste uitgestrektheid. De woestijn, waarvan hier sprake is, is veeleer een wilde dooreenmenging van afgebrok* kelde rotsspitsen en rotskanten, die er vaal en bleek uitzien, en geheel 't beeld van den dood vertoonen.

Vraagt ge nu, waarin dan bij de verzoeking in de woestijn, het principieele van satans aanval school, dan moet tusschen de drie verzoekingen scherp onderscheiden. De eerste aanval tastte Jezus aan in zijn menschelijke natuur. Men versta dit wel. Het was niet een aanval, gelijk die bq ons op onze ingezonken en zondige menschelijke natuur geschiedt. Satan toch begreep en doorzag uitnemend wel, dat zulk een aanval op Jezus toch niets zou vermogen. Ook in Jezus klopte zeer zeker een menschelijk hart, maar in volkomen zuiverheid. Satans toeleg en bedoelen kon dus In zijn eersten aanloop geen ander zijn, dan om tusschen den Zone Gods en de menschelijke natuur die Hij had aangenomen, scheiding te maken. Satan was veel te schrander, om niet scherp in te zien, hoe elke poging om den Zone Gods te doen vallen, op jammerlijke teleurstelling moest uitloopen. Welke inbeeldingen satan ook omtrent zich zelf koesterde, nooit kon de gedachte ook maar in hem opkomen, alsof Gods Zoon zich door hem zou laten afleiden van zijn Godheid. Dit kon niet. Dit ware innerlijk een contradictie geweest. Zelfs de gedachte aan de mogelijkheid van zoo Iets kon In satan nooit opkomen. Het stond hier evenzoo als met het Eii Eli Sabachtani aan het kruis. Als mensch, naar zqn menschelijke natuur, kon Jezus van God als zqn Vader in de hemelen verlaten worden, maar als Zone Gods nimmer. En zoo ook stond 't hier. Op verleiding tot zonde van den Zone Gods heeft satan het niet kunnen toeleggen. Zoo iets moge een onnadenkende iezer in een onbewaakt oogenblik zich kunnen voorstellen, maar satan is zoo aartsdom geen oogenblik geweest. Zijn aanval kon zich daarom alleen richten op Jezus' raensche-Iqke natuur. Ware nu het ik van die menschelqke natuur een ander dan het ik van den Zone Gods geweest, zoo zou een val la zonde, gelijk bij Adam, zich in Jezus hebben kunnen herhalen, en daarop speculeerde satan. Wat hq poogde te bewerken en bedoelde tot stand te brengen, was, het te niet doen van de Vleeschwording van het Woord, het tot niet herleiden van de Menschwordlng van den Zone Gods, Mogen we het eerbiedlglijk zoo uitdrukken, dan was zijn toeleg, om de menschelijke natuur die Jezus hap aangenomen, weer van Jezus af te scheiden. De Zone Gïods en de menschelijke natuur waren onlosmakelijk één geworden, Jezus heeft onze natuur niet maar tqdelqk aangenomen, om na de Voleinding die menschelqke natuur weer af te leggen. De vereeniging der beide naturen in Christus blqft en houdt eeuwig stand. Ze kon niet te niet gedaan. Dit ware ondenkbaar en onmogelqk. En toch, dit Is 't, wat satan poogde tot stand te brengen. H^ begreep: dat moest, of hij en zijn rqk waren weg. Ware nu de Vleeschwording van het Woord niet een voor alle creaturen gansch ondoorgrondelqk mysterie geweest, satan zou 't doorgrond hebben. Maar juist dat kon ook hij als creatuur niet. Daarom endaardoor werkte hij er zichzelf in, en moest de verzoeking op een nederlaag voor hem en op een zegepraal voor den Christus uitloopen.

Nu blijkt dat God de Heere en Christus zelf deze proefneming van satan, of zHn menschelijke natuur van de Godheid in Hem kon worden losgemaakt, gewild hebben. Dit blijkt uit tweeërlei. Ten eerste daaruit, dat hij niet op eigen goed geluk af in de woestijn inging, maar er door den Geest ingeleid werd. En ten andere daaruit, dat Jezus in die woestijn /^o dagen gevast heeft. Onder den Doop was de Heilige Geest op hem nedergedaald als een duive, en het was onder de inspiratie van dezen Geest, dat Jezus niet naar Galllea terugging, maar afdoolde In de woestijn, die vlak achter de Jordaan lag. Doch dit niet alleen, hij moest daar blijven 40 dagen. Een mystiek cijfer, waarvan zin en beteekenis niet te bepalen zijn. Maar gelijk we weten, regende net water bij het opkomen van den Zondvloed 40 dagen op de aarde (Gen. 7:12). Mozes was tot tweemalen toe op het gebergte 40 dagen met zqn God afgezonderd (Exod. 24:18 en 34:28). Evenzoo werd Elia veertig dagen afgezonderd op zijn vlucht voor Izebel (i Kon, 19:8). Zoo was Israel zelf 40 jaren in de woestijn, en verliep er tusschen de Opstanding van Christus en zijn Hemelvaart 40 dagen. Er ligt alzoo van zelf in dit cqfer Iets geheimzinnigs, en dit wqst er ons op, dat ook dit vasten van Jezus niet willekeurig, maar naar een heilige, üoogere verordening was. Of dit vasten ook voor Jezus zelf een doel had, om tijdelijk alle eischen van zijn menschelijke natuur tot zwijgen te brengen, zq hierbij in 't midden gelaten. Voor ons doel is 't genoeg er op te wijzen, dat dit lange vasten een zeer sterken honger bij Jezus deed opkomen, en dat hierin een overweldigenden eisch van zijn menschelijke natuur tot nijpende uiting kwam. En afgescheiden nu van al wat hier nog meer mee bedoeld werd, schonk de toestand van honger, die van dit lange vasten het gevolg was, aan satan de gelegenheid om zulk een aanval op Jezus' menschelijke natuur te doen, dat in de verzoeking op zich-zclf niets zondigs lag. Er was geen sprake van een toegeven aan een onheilige zinnelqkheid. De behoefte aan voedsel is voor den mensch geheel natuurlijk, en ze was dan ook voor Jezus geheel overeenkomstig den staat van mensch waartoe hij was ingegaan.

Nu lette men er wel op, dat Jezus niet in een onbewoonde wereld verkeerde. De afstand, die Jezus in de woestijn afscheidde van vlekken en dorpen, waar voedsel in overvloed te vinden was, is stellig op niet meer dan twee dagen te stellen. Blijkbaar was in de eerste veertig dagen, dat Jezus in de woestijn vertoefde, geen sterke behoefte bq hem opgekomen. Dan toch kon hq naar een der omliggende vlekken zijn getogen; maar ook afgezien hiervan, staat er uitdrukkelijk bij, dat hem eerst na afloop van de 40 dagen en 40 nachten ten laatste hongerde. Hierbij is van tweeën één aan te nemen, óf dat de werking in het lichaam des Heeren die 40 dagen door geestelijke inwerking tot stilstand was gekomen, zooals ook nu nog iemand onbewust in zulk een spanning k%n verkeeren, dat hij om geen spqs meer denkt, of wel dat Jezus opzettelijk, om de kracht van het Lichaam ten onder te brengen, door eigen wilskracht alle behoefte aan spqs bedwong. Maar in elk geval, ten laatste hongerde hem, en dat iemand die onder zulke omstandigheid door een geweldig prikkelenden honger overvallen wordt, sterk behoefte gevoelt aan spijs, is zoo vanzelf sprekend, dat hierbij van zonde geen sprake kan zijn. Let er nu wel op, dat hier de aanval van satan zich richt op 't eten. Dit was evenzoo het geval geweest in het paradijs bij Eva. En ook deed dit zich voor bij Israel indewoestqn, toen 't Tnanna het volk voeden moest. Dit eten is op zichzelf een onderhouden van het leven of althans van de levenskracht. Wie door zulk een honger overvallen, niet eet, sterft, Het niet-eten zou alzoo voor Jezus een afleggen van z^n menschelqke natuur zijn geweest voor dit aardsche leven. En nu komt .satan om juist op deze zoo sterk in Jezus sprekende behoefte zijn aanval te richten. Hij droeg kennis van wat er met Jezus voorviel, evenzöo als hij kennis draagt van ónze levensomstandigheden, anders zou hij ook ons niet kunnen verzoeken; en uu maakt hij van dit voor Jezus pijnlijke oogenblik misbruik, om hem te overtroeven. Jezus heeft honger, maar nu zegt satan niet wat voor de hand had gelegen: Ga naar 't naastbijliggend vlek, Hij voert ook Jezus niet zelf naar zulk een vlek, gelijk hij hem straks voerde naar de tinne des tempels. Hq brengt Jezus geen hulpe. Hq poogt niet Jezus honger te stillen. Veeleer prikkelt hij het gevoel van dien honger nog, door er hem op te wijzen. En nu komt 't: Indien Gij de Zone Gods zijt. Daar zit de aanval in. Juist bij het onderscheid tusschen Jezus Goddelijk Zoonschap en de menschelijke natuur die hongerde, „Zijt ge wel de Zone Gods? Juist dat is de quaestie. Gij ziet er In alles als een menschelijk creatuur uit. Maar zqt gij Gods Zoon, toon 't dan ook, en kom dan met uw Goddelijk Zoonschap uw menschelijk ik in den honger te hulp". De menschelqke natuur van Jezus moest den Zone Gods dienen, en daarom in het vasten geheiligd zijn. Maar satan wil 't juist omgekeerd. Hij fluistert Jezus in, dat zijn Goddelijke natuur zijn mensch-zijn moet dienen. De Zone Gods moet 't wonder doen, om den honger van de menschelqke natuur te stillen. De ronde, bruine steenen, die hier en daar in de woestijn lagen, en die den vorm van een brood hadden, moesten daarbq als middel tot verscherping van de verzoeking dienst doen. En nu zit de heerlqke overwinning van Jezus hierin, dat hij juist als mensch berust in de trouwe en de almacht van zijn God, Zeker, gemeenlijk voedt God den mensch door brood, maar God kan ook de menschelijke natuur in stand houden door een geheel andere kracht die van Zijn mond in 't woord uitgaat. Hij heeft 't slechts te bevelen, gelijk hij 't deze 40 dagen bevolen heeft door het woord dat van zijn mond uitging. Vandaar 't tegen-woord: „De mensch zal niet bij brood alleen leven, maar door alle woord dat uit den mond Gods uitgaat". Iets anders willen, zou God verzoeken zijn. Satan wil Jezus vatten op 't Zoonschap, Jezus wijst hem omgekeerd op wat de mensch schuldig is, en satan druipt machteloos af.

Toch blijft satan het ook in de tweede verzoeking over denzelfden boeg wenden. Jezus treedt op als de Zone Gods, en zal nu in de menschelqke natuur zijn heerlijkheid moeten openbaren, om door de openbaring van die heerlijkheid het bewijs van zqn hemelschen oorsprong te leveren; de lange weg van zelfvernietiging en zelfver nedering, waar al wat mensch aan hem was, tegen op kwam. En wederom poogt nu satan hetgeen van die menschelijke natuur zal gevergd worden, op zij te zetten. De wereld zal nooit zich gewonnen geven voor wat Jezus haar in die menschelqke natuur openbaart. Wat haar alleen betooveren kon, zou zijn een schitterende openbaring uit den Hooge. Niet wat als mensch aan hem is, zal de wereld aan zqn voeten brengen. Ontzag voor zijn majesteit zou dan alteen in de harten opkomen, zoo de majesteit van den hemel zich in en aan hem openbaarde. Voor een Messias uit een vrouw in nederen staat geboren, bukt de wereld niet, maar wel zou ze zich buigen zoo ze uit den hemel den Zone Gods zag nederdalen. En den schijn hiervan kan Jezus immers aan de zaak geven. Bij 't hooge feest is heel de voorhof van den tempel met duizenden en tienduizenden uit aile stammen Israels overvuld. De tinne van den tempel is hoog. Zoo Jezus nu op die hooge tinne klimt, en van daar plotseling onder de verzamelde menigte nederzqgt, dan kan hem immers geen ongeluk treffen. Of staat er niet geschreven, dat Hij zqn engelen bevelen zal, opdat gij uw voet aan geen steen stoot ? En ziet nu het volk Jezus, door engelen omstuwd, aldus uit den hemel nederdalen, dan is er immers geen twijfel aan, of al 't volk zal in aanbidding voor hem nederknielen, en zijn zaak zal op 't eigen oogenblik gewonnen zijn. En 't kan immers. Althans zoo hij waarlijk de Zone Gods is. Niet, daar lette men ook bij de tweede verzoeking wel op, alsof satan er ook maar een oogenblik aan twijfelde, of Jezus wel de Zone Gods was, maar uitsluitend om Jezus' menschelijke natuur te prikkelen, opdat ze aan de verdere zelfvernedering mocht pogen te ontkomen, en wederom op eenmaal, door misbruik van de Goddelijke natuur in 't Zoonschap, dit Zoonschap j aan zich dienstbaar mocht maken, in plaats van zelf dienstbaar te zijn en te blqven aan den Zone Gods, En natuurlijk, stel Jezus ware van de tinne van den tempel afgesprongen, zijn leven zou gespaard zijn gebleven, maar het zou een omkeeren van den raad Gods zijn geweest. En daarom wqst Jezus ook nu satan af met het woord der Goddelqke openbaring: „Gq zult den Heere uwen God niet verzoeken".

En zoo kwam het toen vanzelf tot de laatste verzoeking, principieel gekenmerkt door het schier angstaanjagende woOrd, dat al de heerlijkheid van de koninkrqken der aarde aan hem, satan, is overgegeven, en dat hij ze geeft aan wie hij wil. Afdoend bewijs, voorzoover het nog noodig mocht zrjn, dat er op dat oogenblik in de woestqn metterdaad een wereldgebeurtenis plaats greep. Vergeet niet, Jezus zelf heeft satan meer dan eens genoemd de Overste der wereld, een zeggen dat met r^-^'sns beweren althans ten deele overeensicuni, . Niet de sterke hand noch het tor^valf d« geest is het, die in de wereld uj; feeefsèhapjpq ia handen heeft, en de vraag is sw rasmr, trf de geesten onder de kinderen der m. in het volksleven gericht, geleid en bestic / worden door de goede geesten Gods, dan wel door de demonische geesten, die satan dienen. Jezus komst In onze menschelijke natuur moet nu bewerken en teweeg brengen, dat de geest van Christus macht over de geesten onder de kinderen der menschen verkreeg en alzoo het Koninkrijk der hemelen deed komen. Tot dusver was dit niet alzoo geweest, en had veeleer allerlei onheilige geest onder de volken ingang gevonden, zoowel in de lagere klassen der maatschappij als aan de hoven der koningen. Voorzoover nu die onheilige geesten hun impuls aan satan ontleenden, was het volkomen waar, wat satan beweerde, dat de koninkrijken der wereld in de landen der Heidenen geleid werden door wat van hem uitging. Hieruit nu vloeit voor Jezus vanzelf dé keuze voort, om óf evenals de keizers en koningen de heerschappij over de wereld te veroveren door de middelen van list, geweld en bedrog, waarin satan's geest zichzelf verheerlijkt, oftewel den strijd op leven en dood met satan aan te gaan, om het Koninkrijk der hemelen te vestigen ten koste van den ondergang van al wat satan had opgebouwd.

Over de derde verzoeking behoeft hieraan slechts een enkel woord toegevoegd. De eerste aanval van satan v; as gericht geweest op den nood van het lichaam, op den honger die om spqs riep. De tweede aanval gold het menschelijk eergevoel. Om als Messias erkend, geëerd en gehuldigd te worden, een geflngeerd nederdalen uit den hemel. Het eerste was geweest een speculeeren op het lichaam in de menschelijke natuur, het tweede was een speculeeren op een behoefte van de ziel, van den geest, in dezelfde menschelijke natuur. En nu kwam de slotaanval. Daar lag heel de wereld voor Jezus uitgespreid. Al die volken, al die rijken, al hun heerlijkheid. Doch van dit alles zou aan Jezus slechts een deel toekomen. Het grooter deel van die wereld zou zich zelfs tegen Hem keeren. Velen waren geroepen, maar weinigen uitverkoren. Er was een breede en een enge poort, en door die laatste moesten binnengaan, wie Jezus zouden toebehooren, Hoe nu, zoo dit kon worden omgezet? Zoo niet maar een deel van die wereld, maar heel die wereld zelve zich aan Jezus als Koning onderwierp? Zou 't zelfs in hoogeren zin niet veel heerlijker zijn? Geen scheiding, geen schifting meer. Niet esn deel dat in doem en verderf ondergaat, en skchts een kuddeke dat gered wordt, maar allen onder Jezus' schepter vereenigd. Zou 't niet heerlijk wezen? En dit nu betuigt satan, aan Jezus te willen geven. Dit kan niet God Hem geven, want God is heilig en daarom blijft het onheilige deel der wereld buitengesloten. Maar satan kon het. Hem staat geen heiligheid in den weg, en daarom kon hq die wereld met haar zondig wezen geven aan wie hq wil. Maar één ding is hiervoor noodig. Jezus' menschelijke natuur is aan het Zoonschap verbonden, dient nu dit Zoonschap, strekt aan dit Zoonschap tot orgaan en Instrument, Dit ééae nu moest anders worden. Hq moest als mensch, met heel zijn menschelqke natuur, zich van het Zoonschap scheiden; van Zone Gods zoon van satan worden; en hem aanbidden; dan is hij er. Alzoo in alle drie de verzoekingen altoos dit éene doel: Jezus' menschelijke natuur van het Zoonschap scheiden, de Vleeschwording, de menschwording te niet doen. En dat Jezus dit uist andersom tegen satan doorzette, dàt

is zyn triomf en satans val geweest. En dit is alzoo de wereldgebeurtenis die bier plaats greep, dat satans macht als factor in onze historie en ia het wereldproces geknakt werd, en de leiding van satan op Jezus overging.

Df. A. K.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 28 april 1912

De Heraut | 4 Pagina's

Van de Voleinding.

Bekijk de hele uitgave van zondag 28 april 1912

De Heraut | 4 Pagina's