GeheugenvandeVU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van GeheugenvandeVU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van GeheugenvandeVU.

Bekijk het origineel

PERS-SCHOUW.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

PERS-SCHOUW.

17 minuten leestijd

„Liever Turkseh, dan paapset".

Sedert enkele theologen ia de Tweede Kamer zitten, niet zoozeer om de theologie in eere te brengen, als wel met de bedoeling, om anderen te overreden, op haar nog te nemen beslissingen vooruit te loepen, heeft te meer •de theoloigische politicus buiten de Kamer recht op gehoor. Een der vertegenwoordigers van dit genre is ds Renting te Winterswijk. Hij schrijft in de „Geld. Kerkbode":

Ds Kersten en Ds Lingbeek kunnen tevreden zijn. 't Is hun gelukt, om den coaUtie-dijk, die zoo langen tijd onder Gods zegen aan den opdringenden revolutionairen watervloed krachtigen weerstand geboden heeft, te ondermijnen en nu de dijk bezweken is, is het niet gemakkelijk, om het gat te dichten en de breuk te herstellen.

Misschien moet de nood zoo lang stijgen, dat de thans bij de doorbraak kijvende wachters ten slotte inzien, dat tengevolge van hun krakeel een groote ramp het geheele volk bedreigt en dat ze, onderlinge veten vergetend, samen weer aan den arbeid gaan, nu niet om te breken, maar om te bouwen en samen een sterken dam op te werpen tegen den wassenden stroom van ongeloof en revolutie.

Het kan niet gezegd worden, dat deze politieke crisis een hartverheffenden indruk maakt.

Ze doet denken aan vechtende jongens, die bij hun vechtpartij de ruit gebroken hebben, aan elkander wederkeerig de schuld van dat breken verwijten, maar aan anderen overlaten, om de kosten te betalen en het vernielde te herstellen.

Het is er Kersten en Lingbeek en een gedeelte van de Christelijk Historischen om te doen, om de macht van Rome te breken en ze meenen, in het verdwijnen van den Nederlandschen Gezant van het Pauselijk Hof een groote Protestantsche overwinning te hebben behaald, waarvoor in meer dan ééne plechtige samenkomst dank aan den Heere gebracht werd.

Het eenige resultaat van dat streven is echter tot hiertoe geweest, dat Rome zelf in eigen land zijn krachten meer dan ooit concentreert, zijn éénheid, herkregen heeft en dat niet maar alleen de coalitie, de samenwerking van de drie partijen der rechterzijde, op welke samenwerking de Christelijk Historischen, zooals ze zelf bij elke gelegenheid betuigen, hoogen prijs stellen, verbroken werd, maar ook de verhouding van de „Protestantsch Christelijke partijen" onderling er niet Ijeter op geworden is.

Het zal wel aan mij liggen, maar ik kan het vreeselijke en gevaarlijke van het Gezantschap bij den Paus nog niet inzien.

We hebben jaren lang een Gezant gehad te Constantinopel biJ de Sultans van Turkije, die pretendeerden het geestelijk Hoofd te zijn van alle Mohammedaansche geloovigen.

De Armenische Christenen werden onder de regeering van die Sultans bij honderden en duizenden vermoord.

Naar rnijn beste weten is er toen echter nooit een voorstel van Christelijk Historische zijde gekomen, om dien gezantschapspost op te heffen.

En toch hebben wij als Nederlanders in 't algemeen en als Nederlandsche Christenen in het bijzonder met de Mohammedaansohe propaganda in eigen overzeesche bezittingen rekening te houden.

Is het een gewetenszaak, om geen geld meer toe te staan voor het Gezantschap te Rome, dan mocht het toch wel in zeer sterke mate een gewetenszaak geweest zijn, om een Vertegenwoordiger van het Nederlandsche volk te zenden naar het hof van een Monarch, die algemeen met den naam van den Turkschen „grootmoordenaar" betiteld werd.

Er zijn nog altijd menschen, die de leus: „liever turksch dan paapsch", inplaats van ze in te treldven, durven uitbreiden en verscherpen. Ze sturen liever een man van staatsie naar een plaatste bij een Turkschen christenmoordenaar dan naar een Paapschen vredemaker, die althans nog iets heeft gedaan om aan de oorlogvoerenden te doen verstaan, dat God een eisch op en een orakel tegen hen heeft.

Het is voor de theologie te hopen, dat de niet-theologen haar niet taxeeren naar de meerderheid van haar dienaren in de Kamer van tegenwoordig.

Toekomstverkenning.

Ds Schaafsma, dien ik meermalen hier citeerde, schrijft in de „Geref. Kerkb." cl. Brielle:

Maar in ieder geval is het bekend dat hier te lande en speciaal in de Hervormde gemeenten een aantal ethische predikanten zijn. Deze leeraars maken nu niet bepaald een fleurigen tijd door. De meesten hunner staan op kleinere plaatsen, en komen in den regel niet boven het minimtim-tractement uit. De Geref. Bond dringt en houdt hen achteruit, en zijn tolken gaan, vergeleken bij de Ethischen, overdrachtelijk gesproken in purper en fijn lijnwaad. De Theologie van de Ethisehen is maar voor een klein deel vaderlandsclien oorsprong, en de wateren in deze strooming vloeien af van de katheders, grootendeels van Duitsche geleerden, waarvan het meerendeel ontslapen is, maar sommigen nog overig zijn.

En juist hier ben ik aan het punt, waarop mij de vraag noodig lijkt: waarom nu nog een dogma ten. opzichte en tegenover de Ethischen? Hier te lande gaat het straks meer tusschen den Geref. Bond en Rechts Modern, dan tusschen Leerstellig Gereformeerd en Ethische. En in Duitschland? Ik geef me niet uit voor deskundig, maar velen met mij hebben den indruk, dat daar in toongevende kringen andere leuzen worden aangeheven dan „Ethisch". De vrij talrijke groep die terug wil zooals het heet naar den ouden Luther mist het kenmerkende dat de Ethischen voorheen hadden. De werken van R. Otto zoeken meer aansluiting bij religieuse verschijnselen die men bij de pseudo-religies aantreft, dan bij Schleiermacher. D'e veelgenoemde theologie van K. L. Barth, die ook hier te lande tal van lezers heeft, is om zoo te zeggen het tegenovergestelde van Ethisch

In een bekend tijdschrift ontwikkelde ten vorigen jare prof. D. Georg Welvrung zijne gedachten over: het zedelijke (Ethische) als irrationeel verschijnsel, ook al weer heel iets anders als men van de andere ethischen gewend was.

Wie den strijd der geesten aandachtig gade slaat krijgt eenigszins den indruk dat uit dien maalstroom van.kritische gevoelens telkens iets naar boven dringt dat goed beschouwd, herkend kan worden als een stuk oude beproefde gereformeerde waarheid. Daarnevens ontbreekt het niet aan andere dingen die er op wijzen dat de vloedgolf van kritiek, die ook inzonderheid over Duitschland is gegaan, nog altijd nawerkt. En juist daarom zou het velen verheugen als onze kerken konden komen tot een aanvullingsformulier op onze bekende belijdenisschriften. Dat zij positie namen, niet maar, of tenminste niet alleen tegenover het ethische, maar tegenover de verschillende stroomingen op theologisch gebied. Juist daardoor zullen onder ons de ouderen, maar vooral de jongeren, beter kunnen waardeeren den rijkdom en het diepe inzicht, om maar een ding te noemen, van vele formuleeringen in onzen Heidelbergschen Catechismus. En ook daardoor zal het onderling vertrouwen worden bevestigd, en de kans op verdenking tot de kleinste afmetingen worden teruggebracht.

135 Enkele vragen komen hier wel vanzelf boven. Allereerst komt de gedachte op, dat de manier, waarop het volk reageert op de verkondiging van een bepaalde gedachte, nog niet een profetie kan worden geacht voor den invloed, dien bepaalde stroomingen op het geestesleven hebben zullen. Wie de volste kerken heeft, is nog niet de man van den sterksten invloed. Soms kunnen volle kerken het bewijs leveren, dat niet zoozeer de prediker de massa als wel de massa den prediker heeft genomen. Natuurlijk is dat niet altijd het geval, maar dikwijls wel. En wie de kaart van het land kent, weet, dat heel dikwijls de volle kerk — om een gemeenplaats te gebruiken — de onbetaalde rekening der kerk is. Met name waar het volk vergel ij ken moet. En nóg meer, waar al te goedkoop met de Smaadheid Ghristi gewerkt wordt, terwijl verzuimd is, na te gaan, of men ook altemet lijden moest niet zoozeer om de Smaadheid Christi als wel O'ni de vereenzelviging van de eere Christi en de glorie van den dominee. Zoolang de kerk bij de verkondiging der spreuk dat het bloed der martelaren het zaad der kerk is, verzuimt erbij te zeggen, dat bloed een slecht argument is (ook de valsche profeten werden vaak martelaren en ook de witte terreur bestaat), en dat dit zaad den akker bederft, zoolang zal de preekstoel het meest van kerklucht klam zijn, als de man die erop staat de geloofsvervolging aan zijn veilige hoorders weet te suggereeren.

Maar elke eeuw kan doen zien dat buiten veel volle kerken om zich bewegingen afteekenen en stroomingen een bedding zich graven die „niet met uiterlijk gelaat" komen, doch des te sterker via de opgroeiende woord-Voerders van den komenden tijd de geesten beïnvloeden.

En wie dan die stroomingen en haar baanbrekende kracht taxeeren wil, zal wél dienen te bedenken, dat in nieuwe ketterijen telkens oude dwalingen terugkeeren. Dat men zoo vaak meenen kan, iets nieuws te zeggen zonder te weten, dat het toch eigenlijk al oud is, dat verschijnsel kan de kerk reeds waarschuwen tegen de neiging, om telkens bij voorkeur in antithetische spreuken handel te drijven. Wil men bij een ziekbed een oratie voordragen over de antithese tusschen leven en dood, die doet wel; want alle ziekte wordt door het leven overwonnen óf leidt over tot den dood. Maar het zal toch niet ondienstig zijn, eerst te handelen over de verschijnselen van het leven zelf en over de manier, waarop niet zoozeer het leven verschilt van den dood, als wel de gezondheid van de ziekte.

. De orthodoxie — met name die van de volle kerken — heeft al te vaak zich van de binnenlandsche conflicten afgemaakt door de aankondiging van den buitenlandschen oorlog. Gevolg is, dat vele harnassen opgepoetst worden van „kruisvaarders", die tegen Saracenen moord en brand roepen en en passant een pleiziertochtje organiseeren, terwijl in het binnenland de conflicten blijven liggen, onopgelost. Want •—• men vergeve het anachronisme — de Schieringers, die benauwd zijn voor de Vetkoopers, kunnen zich het gemakkelijkst over hrm benauwdheid heenwerken door op te rukken tegen de Saracenen. Dfe slag tegen laatstgenoemden ligt altijd meer in 't verschiet en er is altijd te rekenen op een gansch groote heirschare van medestrijders in den heiligen oorlog. Is 't geen genot, te zien hoe elke aanlegplaats nieuwe zwaardheffers bij den groeten hoop voegt?

Maar thuis — daar is het slagveld verlaten eer de vrede geteekend was.

Vr ij zinnige Christologie.

In „Noord-Hollandsch Kerkblad" wijdt ds C. Lindeboom eenige artikelen aan de Christusprediking, gelijk die in sommige vrijzirmige kringen (niet zonder protest van anderen, denk b.v. aan ds K. Vos) wordt vcK> rge^ dragen. Ds Zondervan en diens beschouwingen worden nader bezien: (

Christo-fantasie.

Niet anders kan en moet worden gekarakteriseerd wat TI'S Zondervan in zijn referaat voor Christologie wil laten doorgaan. ;

Hij begint met zich los te maken van de ïi i s t o r i e.

Geeft wel de m o g e 1 ij k h e i d t o e, dat de „evangelische stof" zich om Jezus Christus — neen, dat niet, •maar wel „om een of anderen historischen persoon heeft gegroepeerd". Z.i. is de „dogmatische Christus" van het Nieuwe Testament als historisch persoon op critiscli standpunt niet te handhaven. Taak van den vrijzinnigen prediter is daarom, aan de gemeente den metaphysischen (bovenzinnelijken) Christus, den Christus naar den ge e stavoor te houden,

die „aan de bijb^lsche voorstelling ten grondslag ligt".

Eie Christus is dan een universeel wezen. D.w.z. zoo - wordt Hij gedacht. AVant feitelijk heeft Hij nooit bestaan, 't Is met Christus als met Adam. ' 'Ook Adam heeft nooit bestaan. Maar Adam is de Idee-mensch, de universeele, die zich in de individuen belichaamt. Zoo nu is ook Christus geen historische persoonlijkheid, maar het hemelsche „ürbild" in allen, h§t „algemeen levensbeeld, waarnaar het godsdienstig gemoed vraagt".

Ds Zondervan voelt dat los-zijn van de historie als een bevrijding. Immers, zoo wordt hij in zijn wijsgeerig-religieuse fantasieën door niets belemmerd.

' „Wij treden met onzen Christus buiten den kring en den tijd der evangeliën, en zoo ondergaat dan look het begrip historisch een wijziging. Ook deze ' Jezus is geschiedenis, maar als die van velen en van alle t ij d e n, moet de evangelische geschiedenis ontdaan worden van het „einmalige" d.w.z. van wat zij voorstelt als éénmaal feitelijk te zijn geschied! en symbolisch worden toegepast. Het is er in dit opzicht meê als met het Sprookje, waarin hetgeen zich steeds herhaalt, als één enkele gebeurtenis uit het verleden verschijnt". Het is die ; symbolische toepasssing, welke „in de verdicht i n g den polsslag van het leven waarneemt en de werkelijke feiten uit alle tijden ziet in het licht der eeuwigheid".

Uitgangspunt van deze „Christologie" is dus de verdichting. D'e „Christus des geloofs" van Ds •Zoodervan is de Idee-Christus. Die Idee wordt gepersonifieerd. Aan die Idee worden de namen gegeven van Heiland, Heere, Verlosser, Zoon Gods. D'ic Idee wordt voorgedragen in Schriftuurlijke bewoordingen, in een terminologie, goeddeels ontleend aan de orthodoxe dogmatiek. Van die Idee wordt zelfs gezegd, dat zij .... de hoogste werkelijkheid is.

Want al wordt in de symbolische prediking over Jezus op symbolische wijze gesproken, toch is — volgens E'S Z. — H ij z e 1 f „geen symbool, maar ' volle werkelijkheid, het Leven en de Openbaring Grods, de God in de wereld, die als bovennienschelijke persoonlijkheid deel heeft aan het bovenbewuste Leven Gods, ook waar hij in het menschelijke zelfbewustzijn wordt opgenomen en er mede zich verwezenlijkt".

Ge voelt wel, dat 't er hier op aankomt, de uit-: drukkingswijze der modernen te verstaan.

De „volle werkelijkheid" is .... het beeld, de voorstelling, die z ij geven van „het goddelijke ; leven" in wereld en menschheid, en die gij op ' hun gezag moet aanvaarden. Op het gezag van • hen, die de leer der Schrift uitruilen voor religieuse fantasieën.

Deze , , theologen" zijn door niets gebonden. Zij kunnen hun gedachten-beeld aankleeden, zooals zij willen.

De fantasie staat immers voor niets?

Neem b.v. de profetische werkzaamheid van Jezus.

De historische prediking legt ook daarop allen nadruk. Waarom zal ook de symbolische het niet doen?

„Zullen wij", vraagt Ds Zondervan, „zullen wij Jezus niet evenzeer laten toornen, liefhebben, straffen, zegenen in de huidige zondige wereld, nog zoekende wat verloren is, komende ook tot ons? "

Ziet ge wel: zij maken van hun gefingeerden Christus alles wat zij er van maken willen, en zoo worden door hen de menschen misleid-

Trouwens, Ds Zondervan erkent zelf, dat de termino-' logie, waarvan zich de symbolische prediker bedient, op de gemeente den indruk moet maken, dat hij • orthodox is; dat , , de Christologische prediking het verwijt te hooren heeft, dat zij niet e e r 1 ij k is, omdat zij oude en versleten namen en uitdrukkingen . ' brengt in een anderen zin dan de oorspronkelijke, . en op die wijze verwarring sticht."

Hij meent echter, „dat een prediker het recht heeft zich van een overgeleverden term te bedienen, wan-' ïieer hij voor zichzelf overtuigd is, dien te bezigen in den eeuwigen zin, die aan de uitdrukking ten grondslag ligt; hij is dan volkomen eerlijk en voor zichzelf verantwoord, in weerwil van de verkeerde voorstellingen, die anderen aan het wpord hebben verbonden ...."

Ook moet men niet vergeten, „de kracht en wijding, • die er van een bekend woord op den hoorder uitgaat, en de herinneringen en gewaarwordingen, die er door worden gewekt."

Neem b.v* „de gemeenschap met Christus". Ds Zondervan verstaat daaronder, naar hij zelf toestemt, '~ iets geheel anders dan Paulus, „voor wien Christus de na zijn aardsche lijden verhoogde Heer in dei? hemel was"-Toch blijft hij dien term gebruiken, omdat „niet de vorm maar het wezen van de voorstelling de hoofdzaak is, en wij mcenen uit denzelfden geest als Paulus te spreken"!

Maar als er nu menschen zijn, die behoefte hebben wat hun in de prediking van Christus verkondig(3 wordt „zich als werkelijk gebeurd voor te stellen, zuUen ze het voor echt nemen"?

Welnu, dan stelt Ds Zondervan den prediker den e^sch, „dat hij uit paedagogisch oogpunt de illusie niet verstore en vooral n'iet opzettelijk doe uitkomen, dat het niet historisch is".

Wanneer hier van „misleiding" gesproken wordt, zaj dit in de bedoeling van den schrijver wel meer op het resultaat dan op de intentie van deze vreemdsoortige paedagogie zien.

Van Schaper en van Patrimonium.

Mevr. V. Itallie-v. Embden heeft voor „De Haagsche Post" den heer Schaper „geïnterviewd". Enkele uitlatingen mogen hier volgen. Ze zijn van beteekenis, niet zoozeer om den inhoud van wat gezegd wordt, als wel om het belang, dat velen in de kwesties stellen. Eerst dit:

In een gemoedelijke dorpslaan, aan één zijde nog, maar bebouwd, een simpel huis-met-voortuintje, precies gelijk aan zijn buren rechts en links.

Het Kamerlid opent de huisdeur. „Past u op, de verf binnen is nog nat".

Langs vestibuletje, smalle trap komen we in een vriendelijke achterkamer. Ze is vol boek-gevulde open kasten van gebeitst hout.

„Vóór u begint te spreken, hebt u me al een lesje gegeven! Ik heb wel eens meegemopperd, dat f5000 „vergoeding" voor het Kamerlidmaatschap wat hoog zou zijn. Dat was de theorie.... u toont me de praktij k".

tij k". „Als je er niet wilt bijverdienen is het niet te veel".

„Andere leden doen dat wel".

„Dat is verkeerd. Je volle hoofd en tijd moet aan je Kamerwerk besteed worden. Vroeger, toen voor de „aristocraten" de Kamer een „tijdpasseering" beteekende.... kon f2000 voldoende zijn; nu is óns traktement dat maar nauwelijks. Ik heb drie jongens op te voeden! Neemt u dien grooten stoel".

Daarna het volgende:

„De pers deed dikwijls gemeen: verdraaide wat ik zei. Toen heb ik in mijn krantje het echte, en de namaak naast elkaar afgedrukt".

„Heeft üw krantje nooit eens gescholden? "

„Misschien wel! Maar ik zakte toch niet beneden een zekere waardigheid. De isublieke opinie nam het voor mij op. In de Provinciale Staten werd ik dubbel gekozen. Weet niet meer voor welk district ik aannam; kan het opzoeken".

, , Laat u maar! Dit is veel leekenender".

„En toen lid van de Kamer. In drie jaar tijd had zich alles afgespeeld".

„U liep in galop!"

„De pastoors hebben voor me gewerkt bij het huisbezoek. Dat hoeft u niet te verwonderen: pastoors voelen dikwijls democratisch.... en soms mogen ze het uiten! Ze komen bij de „kleine luyden" in huis; ze zien wat er voorvalt". En eindelijk dit nog:

„U bent als Kamerlid met dadelijk in Den Haag gaan wonen? "

„De eerste jaren bleef ik in het Noorden. Daar wg^s ik bekend, misschien een beetje populair; ik bleef ook lid van Raad en Staten. IK heb gewerkt... om kapot te gaani Klein traktement, f2000; geen vrij reizen, kamer noodig in Den Haag; derde klas op en neer en n o o i t r u s t om te werken: altijd kennissen, die je aanspreken. Na vijf jaar gaf ik het op: we gingen in Den Haag wonen."

„Toen was u al ingeburgerd in de Kamer". „Ik had me dadelijk voorgenomen: ik neem géén heeren-allures aan; ik blijf de werkman. De eerste? weken voelde ik wel de stemming: „Wat moet die vent hier? " Een aristocraat bood me ter begroeting, zijn twee Wngers-Den volgenden keer bood ik hem twee van mij. Hij heeft het begrepen. We zijn nog amicaal geworden! Toen de Ongevallenverzekering in behandeling kwam, heb ik verteld van mijn eigej] ongeluk. Dat maakte indruk."

In hetzelfde nummer wordt over Patrimonium de doodsklok geluid. Aldus:

I'aarentegen bezorgt heel wat minder last aan zijn partijgencoten de Anti-Revolutionanire werkliedenvereeniging „Patrimonium", die in de, afgeloopen week liaai-gouden jubileum vierde. Wie zich herinnert welke rol in vroeger dagen, onder Kuyper, de „mannen-broeders" van Patrimonium speelden, welker voormannen, die de curieuse namen van Kater en Poesiat droegen, niet weinig hebben medegewerlct tot den roem en de grootheid van den „van God gegeven Leider", die moet wel getroffen zijn door de onbeduidendheid waartoe dit eertijds bij de verkiezingen zoo machtige verbond thans is gezonken. Men klaagde, al huldigend, over het slechte bezoek van de vergaderingen tegenwoordig, benadeeld door de sterke concurrentie van de Christelijke vakbeweging, die allengs al de roerige, revolutionnaire elementen uit Patrimonium tot zich trekt. Ondanlcs de •redevoeringen van de heeren Smeenk en Prof. Slotemaker de Bruyne, ondanks de verschijning van den burgemeester van 'Amsterdam in hoogsteigen persoon en zijn aldaar gehouden speech, mag men van hot verbond zeggen: Het leven is eruit en komt er niet weer in.

Een gewaarschuwd Patrimonium-mensch geldt voor twee-Men schrijft hier niet van Patrimoniale zijde. In dat geval kan zooiets wel wat beteekenen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 29 januari 1926

De Reformatie | 8 Pagina's

PERS-SCHOUW.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 29 januari 1926

De Reformatie | 8 Pagina's