GeheugenvandeVU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van GeheugenvandeVU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van GeheugenvandeVU.

Bekijk het origineel

HET BOEK VAN DE WEEK

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

HET BOEK VAN DE WEEK

9 minuten leestijd

(Prof. Dr J. Wille, Taalbederf door de School van Kollewijn, Amsterdam, Paris, 1935.)

Hioe! met een gaazenschacht, gegrepen in de vingeren, Beveelt ge aan 't vluchtig woord: Rust op dees broze stof!

De spreker ging voorbij; zijn adem is gebleven: Hdj stierf; zijn adem leeft, zijn ziel kleeft vast op 't blad; Ja, teelt zich-zelve voort, om 't aardrijk door te zweven; Vermaant, getuigt, beveelt, in d'enklen vederspat. O Hemelgift der Taal, gij band der stervelingen! Verlichaamd slaapt ge in 't sclirift. i)

Echt Bilderdijkiaansche verzen, die den vierden der aangehaalde regels voortreffelijk illustreeren. Een hymne op het letterschrift klinkt onzen tijd vreemd in de ooren. Verre zijn de dagen dat rechtsche extremisten als De Ronald (van Egyptenaren en Grieken spreken we nu niet) den g o d- delij ken oorsprong van het schrift poogden te verdedigen! En al kondigt zich een kentering aan, nog altijd schijnen zeer velen het schrift en de gesclareven taal te beschouwen met zekeren argwaan, die op het eerste gezicht onverklaarbaar, ja verbijsterend aandoet. We zijn gedwongen te citeeren. „Niets dan symbolen voor klankarticulaüe" meent Paul K r e t s e h m e r. 2) V e n d r y e s spreekt over onze „superstitie" tegenover den geschreven tekst, een superstitie, waarvan religie en recht zouden profiteeren; ook maakt hij gewag van „de letter die den gsest verfoeit" 3), een wending, die ons onmiddellijk herinnert aan een door Schrift verwerpers veel misbruikten tekst. F. d e S a u s s u r e, eveneens het z.i. overgroot prestige van het schrift critiseerend, spot: „juist alsof men geloofde, dat om iemand te leeren kennen het beschouwen van zijn portret meer waard was dan acht te geven op zijn gelaat." *) Deze beeldspraak treft door scliijnbaren eenvoud, doch is al even weinig juist als de overeenkomstige gedachte van zekere enthousiasten, die, in de zalige zekerheid den Christus zelf te bezitten, wanen het „portret" van Zijn geschreven Woord te kunnen missen. Dat het hier twee malen aangeduid verband tusschen schrift en Schrift op de waardeering voor het eerste groolen invloed heeft, moge dadeUjk blijken.

Ter verklaring van het overmatig geacht prestige van 't schrift vestigt De Saussure de aandacht o.a. op de omstandigheid dat „het geschreven woordbeeld ons aandoet als een blijvend en vast object, meer geschikt dan de klank om de eenheid der taal de tijden door te handhaven". Helaas volgt er op deze juiste opmerking: „Al is deze band oppervlakkig en schept hij een zuiver kunstmatige eenheid, hij is veel gemakkelijker te grijpen dan de natuurlijke band, de eenige echte, die van den klank." ^) We hooren hier den geleerde, die, voor de eenheidscheppende kracht van het schrift vol belangstelling, liever dan daarin een onwaardeer^ baar genadegeschenk te zien, koppig vasthoudt aan de ongeneeslijk verouderde klankoverschatting. Hoezeer er van overtuigd dat de gezichtsindrukken bij de meeste mènschen seller per zijn en duurzamer dan die van het gehoor, trekt liij toch niet de zoo voor de hand liggende conclusie, dat de geschreven taalvorm derhalve in bepaalde opzichten onmiskenbare voordeelen biedt boven den gesproken vorm, ja daarvan een voor ons onmisbaar complement.

Toch kon en moest deze simpele waai-heid langzamerhand gemeengoed worden. We denken aan den vermaarden taaipsycholoog Wundt: na ©en subtiele ontleding van de structuur der woordvoorstellingen verklaart liij het „Schriftbild", niet den „Schalleindruck" voor het geschiktst om alle bestanddeelen der gecompliceerde woordvoorstellingen wakker te roepen, altlians bij mènschen die met de acoustische en optische elementen dier woordvoorstellingen gelijkelijk vertrouwd zijn. ^)

We denken ook aan D a u z a t, die zich weliswaar ergens het woord „beeldendienst" laat ontvallen om de populaire schriftwaardeering te vonnissen, maar inziet dat het geschreven woord o n- m i d de 11 ij k de idee oproept; dat men tenslotte even direct door middel van visueel© beelden denkt als met behulp van kl ank vo or s tel lingen.')

Om ten slotte denzelfden Vendryes het woord te geven: ook voor hem hebben geschreven en gesproken taal ieder eigen regels, eigen bestemming, eigen belang. *)

Zoo leeft er aan de eene zijde een moeilijk verkropte wrevel om het aanzien dat de geschreven taal geniet bij de massa; liefst dringt men het schrift een asschepoestersrol op. Aan de andere zijde is er een onuitroeibaar besef van de eigensoortigheid der geschreven taal; het besef ook, dat een directe verbinding begrip ©n letterteeken aaneen kan koppelen.

Als deze waai-heden hier te lande weer kleur en leven gaan krijgen, is het voor een deel te danken (naast den driesten coup d'état van het Kollewijnianisme) aan den arbeid van mannen als Van G i n n e k e n en Wille. Men durft ©en stelling aan als deze: „een goed geschreven taal is dus in zicli een betere taal dan de klanktaal."') Of, zooals Wille zich uitdrukt: „Zoo blijkt de geschreven algemeene taal de draagster bij uitnemendheid van de saamhoor i g h e i d s - , de eenheidsgedachte voor heel ons Nederl an ds che volk."!")

Inderdaad. Het schijngeleerde neerzien op de, zwijgende letter met haar stillen invloed, dat mogelijk een oogenblik kan imponeeren, is in den grond grove ondankbaarheid tegen Gods liefde die ons het schrift geschonken heeft. Van welks vinding en voortgaande verbetering door den mensch immers geldt: „Zijn God onderricht hem van de wijze".

Drieërlei noemen we: het schrift verduurzaamt, veredelt, vereenigt. Al krijgen deze functies sedert den zondeval bijzonder reUef, buiten zonde zouden ze, althans de eerste twee, ook werken. Ditmaal laten we den taalveredelendefn en den taalspütsing-remmenden invloed van het schrift rusten om acht te geven op het „littera scripta manet", de verduurzaming van het vluchtzieke woord.

„Gevleugelde woorden" noemt een bekoorlijke Homerische metafoor de woorden die we spreken. Glanzend en ijl als zeepbellen verstuiven ze haast in het moment van hun wording. En waarom ook zouden die kinderen des oogenbliks alle het leven rekken, bij de rustelooze wisseling van sfeer en situatie, welke het vergeten tot een schier normale functie stempelt? Maar zwaarder taak kan het woord worden opgedragen, een taak die vele tijdten en plaatsen, die werelddeelen en eeuwen overspant. Daartoe wordt het, veel beter dan door mondelinge ü-aditie^ bekwaamd door belichaming in den lettervorm. Eén woord is het in zeer bijzonderen zin, dat met ©en mondiale, niet vóór den jongsten dag eindigende, zending is belast: het Woord van den Heiligen Geest. Zoodat we onbeschroomd concludeeren dat in DE SCHRIFT het sclirift hier pp aarde zijn hoogsten exponent en opperste doel vindt. ^^)

Doch een met goddelijk gezag geslacht na geslacht bindend boek maakt de rekening niet van den onherboren mensch. Waarom b.v. vele geschriften die over den godsdienst van Hellas handelen, daarin bijzonder waardeeren zijn „vrij zijn" van dogmata en heilige geschriften. Het verduurzamende schrift bindt, op het terrein der Goddehjke openbaring. Een binden dat voor ons beteekent een ontbinden uit den dood, maar waarin een vleeschelijke beschouwing van den Geest een dwangjuk ziet. En altijd weer zoekt deze ketterij haar „letter" in den onjuist geëxegetiseerden text van 2 Cor. 3:6, ofschoon het verband duidelijk uitwijst dat met „letter" hier de wet in haar verdoemende Icracht wordt bedoeld'.

in haar verdoemende Icracht wordt bedoeld'. De Heilige Geest acht zich voor het gewaad der letter niet te hoog. Veelmeer staat in den Rijbel

(waar een lied der liefde voor Hem die veel schooner dan de menschenkinderen is wordt ingeleid met het j, mijne tong is een pen eens vaardigen schrijvers") het gescJinevene in 'hooge eer. Vandaar ook de verzuchting van Job, of zijn woorden mochten worden opgeschreven, vereeuwigd in een rots. God zelf beschrijft de wets^ tafelen. Voor den Heiland is het „daar is geschreven" eind van alle tegenspraak. Tot de Joden zegt Hdj (Joh. 5:47): „zoo gij zijne (Mozes') s chriften niet gelooft, hoe zult gij mijne woorden gelooven? i2) jn Openb. 21:5 heet het teekenend: „Schrijf, want deze woorden zijn waarachtig en getrouw". Met name de Brieven van Johannes en de Apocalyps scherpen het belang der in schrift vastgelegde Openbaring met grooten ernst in. Wanneer daartegenover dezelfde A.postel tot twee malen toe ^veel te schrijven" heeftj maar liever mondeling met den geadresseer4e over die vele dingen handelt, is dat met het bovenstaande allerminst in strijd; noch wettigt het Wille mz e's opmerking: „De levende stem is beter dan het doode materiaal." i^) Hij die met een stem „als eene stem van vele wateren" Johannes keer op keer te schrijven gelast, heerscht door dat neergeschreven Woord heden ten dage nog.

Het onverzettelijke van Gods Woord, een muur van graniet die alle verzet te pletter loopen doet, benauwt het weerspannige leven des Vleesches. In het oog der wereld moge ©en wordende God genade vinden, ze haat Jahwe.

Waar nu de verhouding tot God over alle leven heerscht, ligt er weinig bevreemdends in als verwante en afgeleide antipathieën zich openbaren tegen wat van die goddelijke vastheid iets weerspiegelt. Zooals tegen liet geschreven woord. Waar die v ij and schap zich dieper van zichzelf bewust wordt, daar richt ze zich tegen liet woord überhaupt. Religie en litteratuur kennen dit verschijnsel.

Als Schriftgeloovigen de taal beziende, waardeeren we met groote dankbaarheid de aan het moment onthevene vastheid van het schrift 3 maar ook zijn beteekenis voor taalcultuur en - integratie, middelen van Gods gemeene genade tot mitigeering van het oordeel der taalontaarding en taaiversplintering. Het rijke boek van Prof. Wille zal onder ons 't inzicht bevorderen, dat belijdenis van zondeval en genade niet overeen te brengen is met ©en naturalistisch miskennen van schrift en schrijftaal, zooals de school van Kjollewijn dit leert.


1) Bilderdijk, K. D. XIII, 251.

2) Einl. in die Altertumswiss, V 2, 6.

3) Le Langage, 388.

4) Cours de Ling, gén.^, 45.

5) a.w. 46.

6) Die Sprache I*, 575

7) La Philos. du Langage, 35.

8) a.w. 389.

9) Van Ginneken, Grondb^inselen van de schrijfwijze der Nederl. Taal, 17.

10) Taalbederf etc, 10.

11) Hierover zie men Dr A. Kuypers collegedictaat over den Locus de sacra Scriptura 2 j^ Jg.

12) M.i. juist toegelicht door Schrenk in het Theolog. Wörterbuch z. N. Test. (Kittel) s.v. gramma met de woorden „Glaubt der Jude den fixierten grammata nicht, so wird er erst recht nicht den rhèmata des Christus Glauben schenken".

13) Tekst en Uitleg, ter plaatse. Zde echter Greijdanus, K. V. bij 2 Joh. 12 en 3 Joh. 13.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 11 oktober 1935

De Reformatie | 8 Pagina's

HET BOEK VAN DE WEEK

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 11 oktober 1935

De Reformatie | 8 Pagina's