GeheugenvandeVU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van GeheugenvandeVU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van GeheugenvandeVU.

Bekijk het origineel

Uit de Pers.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit de Pers.

10 minuten leestijd

De IVaarheidsvriend drijft ietwat den spot met de wijze, waarop de modernen den laatsten tijd bezig zijn hun eigen lof te bezingen. Zoo noemde een hunner voormannen hen »de room van de Kerk«. De Waarheidsvriend zegt*er dit van:

De modernen zijn in den laalsten tijd druk bezig geweest om met Icracht van woorden eigen lof te iingen. Zij zijn eigenlijk de meest religieuse , menschen, de trouwste leden der Kerk; en de beste predikanten zitten in den modernen hoek.

Indien het er dan ook eens toe komen moest, dat de inrichting der Hervormde Kerk zóó werd, dat er geen plaats meer was' voor de modernen, zou — zoo zeggen de vrijzinnigen zélf — dïe Kerk het beste deel verliezen. De meest religieuse leden der Kerk zouden dan afgesneden Avorden; de beste predikanten zouden dan worden buitengesloten.

't Zou voor de Hervormde Kerk de grootste ramp zijn!.

't Zou daar in die Kerk de 'dood in den pot worden.

De farizeën zouden overblijven. De onwaarachtigen zouden dan het grootste element vormen. De »room«r zou dan van de melk zijn, en van het overblijvende zou dan worden getuigd, dat het minder waardig is.

Is al zoo jammer, dat er jaren geleden, toen er vele vrijzinnigen uit de Herv. Kerlc zijn uitgegaan, reeds zooveel »room« afgeschept is; welke »roora« nu aan de kleinere Kerkgenootschappen is ten deel gevallen. Dat zit nu bij de Remonstranten, de Doopsgezinden enz.

Neen — dat er-in 1834 en 1886 duizenden uit de Hervormde Kerk zijn heengegaan, dat betreurt men niet.

't Luchtte op.

Och, dat er morgen aan den dag nog maar méér van die gereformeerden gingen. Die onruststokers kan rnen missen als kiespijn!

Maar wee, wee, als de slag eens viel, dat de modernen moesten heengaan. 'Wat zou dat vreeselijk, vreeselijk jammer zijn!

Zoo redeneerde ongeveer Dr. Niemeyer van Bolsward, de hoofdleider van de vrijzinnig-Hervormden.

Bij weike room-zoezerij hij een weinig in conflict is gekomen met z'n buurman, die hoofdredacteur is van het niet-officieele gedeelte van de Kerkelijke Courant.

Die had het ook over room. Maar over anderen room dan Dr. Niemeyer. "Waarbij deze laat-" ste strak en stijf bleef beweren, dat hij den echten room had.

En och, arme, als twee buren twisten, dan hoort men wat!

Want noemde Dr. Niemeyer de vrijzinnigen den »room« van de Kerk, daar steekt de hoofdredacteur van de Kerkelijke Courant van wal en schrijft dan:

Onder vrijzinnigen, in en buiten de Kerk, zijn ongetwijfeld vele ernstige, waarlijk godvruchtige menschen; maar het kan toch ook niet ontkend worden, dat »Jan Rapi onder hen maar al te veel ook nog gevonden wordt; dat «vrijzinnig» of «moderns zijn, helaas bij vele menschen vrijwel gelijkluidend geacht wordt met onverschillig of godsdienstloos». (Kerkel. Ct. 15 Oct. 1915.)

Dat vin'Jen we eerlijk van de Kerkelijke Courant, •om dat maar eens te zeggen; wat natuurlijk van méér beteekenis is, ' dan dat wij dat zouden neerschrijven. Omdat het nu uit een hoek komt, waar men de vrijzinnigen door en door kent en heusch niet onnoodig eenig kwaad van hen zeggen zal. Integendeel, waarvan we veilig kunnen gelooven, dat men de dingen liefst zoo zacht mogelijk zegt, als er iets aan te merken valt.

Van «de roomt van Dr. Niemeyer blijft intusschen zoo niet veel over.

En als we zoo zelf onze oogen en onze ooren den kost geven, dan moeten we ook zeggen, wat be staat het leger van »de vrijzinnig-Hervormden» voor een groot deel uit onverschilligen; voor een groot deel uit. menschen, die èr geen godsdienst meer op na houden.

Zeker, men is atiti de orthodoxen.

Maar wat men zelf is voor een groot deel ?

Onverschillig, godsdienstloos; hoogstens materialist; levende bij de zichtbare dingen; die genot en voordeel geven. Maar hooger komt men niet.

Dat is ook een vrucht van het berooven van de gemeenten van de rechte predikiag naar het 'Woord!

Daar brengt de moderne ilevensbeschouwing toe.

Men > ontneemt den mensch alles wat naar hoogere dingen uitgaat. En men laat den mensch bij het koude materialisme zitten; men veroorzaakt, dat de massa in onverschilligheid wegzinkt; in godsdienstloosheid vervalt. Men moet thaar eens in echt-moderne streken van ons "Vaderland, komen!

't Is in-droevig.

Niet minder belangrijk is, wat de Waarheidsvriend o^ratxktt naar aanleiding van deStudentenstatistiek door Prof. van Bakel gepubliceerd. De achteruitgang van het aantal studenten in de Theologie aan de Rijksuniversiteiten, schrijft de redactie vooral daaraan toe, dat uit de ethische kringen geen studenten meer komen studeeren.

Het lust ons niet een onderzoek in te stellen naar de kosten, die al deze verschillende faculteiten voor 's lands kas veroorzaken. Wij kunnen ook zonder accurate becijfering wel begrijpen, dat in verhouding tot het aantal studenten de uitgaven zeer hoog zijn, zoodat elke theoloog, die wordt afgeleverd, een vrij groot bedrag aan de publieke kas heeft gekost. Dat nu rijks inrichtingen' groote bedragen vorderen, is op zichzelf beschouwd niets bijzonders. Het rijk heeft belang bij het aankweeken van wetenschappelijke mannen op allerlei gebied. En al meenden wij, dat een gansch. andere positie der theol. faculteiten aan de Rijks Univ; rsiteiten gewenscht en noodig is, dat het Rijk bij het onderwijs, speciaal bij het H. O., groote bedragen toelegt, spreekt van zelf. Dat geldt voor alle faculteiten zonder onderscheid en hangt saam met de cultuurtaak van den staat. Maar dat de gemeente Amsterdam geroepen zou zijn zulks ook te doen, is minstens aan redelijken twijfel onderhevig. Het is niet wel in te zien, dat de stad-Ariisterdam de roeping zou hebben zich jaarlijks de uitgaven van vele duizenden guldens te getroosten om predikanten te kweiken voor allerlei grootere en kleinere kerkgenootschappen. Want dit is toch ten slotte het eenige practische deel der theol. faculteiten.

Wat echter uit deze gegevens blijkt is, dat de achteruitgang van het aantal dergenen, die theologie studeeren, zeer groot is en bedenkelijke afmetingen gaat aannemen. Toen Prof. Noordtzij benoemd werd, stelde men het voor alsof de vermindering het gevolg was van het feit, dat deze geleerde niet tot de Herv. Kerk behoorde. Toen Prof. Obbink benoemd werd, zeide men, dat nu wel spoedig het aantal sterk zou klimmen. Maar de ervaring was gansch anders. Zij leert dat heel die vermindering, van theologische studenten met die benoemingen in geen enkel opzicht samenhangt. Ondanks het feit, dat de ethische richting de instelling van Ds. van Dijk tot hare beschikking heeft en daarmede een niet te onderschatten kracht voor de feitelijke recruteering van Dominees, is de daling steeds doorgegaan.

Wat echter van nog meer belang moet worden geacht, dat is het verschijnsel, dat de daling van het aantal theologische studenten bijna geheel ten laste komt van de ethische richting. Daarom vooral lijdt de Utrechtsche faculteit. Die kringen, die jaarlijks een groot aantal van hunne zonen afstonden ten dienste der ethische .richting, beginnen blijkbaar daarmede op te houden. Te verwonderen behoeft zulks niet, wijl de ervaring leert, dat de gemeenten hoe langer hoe minder van eiiiische predikanten gediend blijken. Moderne proponenten kunnen een plaats krijgen, en naar gereformeerde proponenten is dringend .vraag. Zoodra zij er zijn hebben zij een dikwijls aanmerkelijk getal beroepen. Alleen de ethische heeren schieten of over' of zijn, ' blijde, na lang wachten een heel klein plaatsje te bemachtigen. Er zijn er dan ook, die het Avachten moede, zich reeds tc? t »een anderen staat des levens» begeven, voordat zij nog de gelegenheid hadden den .herdersstaf op te nemen.

Het is dan ook een merkwaardig verschijnsel, dat hoewel het aantal theol. studenten zoo sterk verminderd is, dit niet gezegd kan worden van het aantal gereformeerde studenten. Het aantal der jongelui, die zich tot de gereformeerde levensopvatting getrokken gevoelen, is veel grooter dan in de dagen, toen de theologen bij honderdtallen geteld werden. Dit is zeker een verblijdend teeken des tijds, ook al kan niet ontkend, dat het aantal nog veel grooter zal moeten en kunnen worden. Indien wij genoeg gereformeerde proponenten hadden, zou daarmede reeds veel gewonnen zijn. Gereformeerde proponen en namelijk, niet alleen in den zin van formalistisch gereformeerd, omdat de gemeenten gereformeerde predikanten vragen, maar gereformeerde proponenten, die God vreezen en dus waarachtig uit het gereformeerd beginsel leven. Doodpreekers en doodbidders hebben de gemeenten niet noodig, maar er is groote behoefte aan bewust gereformeerde mannen, die de kennis van de gereformeerde levens-en wereldbeschouwing in de gemeenten kunnen opbouwen en het Woord Gods als een levend Woord verkondigen.

En om nog een derde citaat uit dit altoos lezenswaardige blad aan te halen, geven we hier eveneens, wat de Waarheidsvriend over haar eigen kerkelijk standpunt schrijft:

Wij kunnen ons best begrijpen dat deze of gene, misschien nu voor 't eerst De Waarheidsvriend onder de oogen krijgend, zich afvraagt wat nu toch eigenlijk het kerkelijk standpunt van de mannen van den Geref Bond is.

We willen trachten in een kort stukske er iets van te zeggen. Met bewustheid verklaren we, dat er tusschen den Geref. Bond en de Confessioneele "Vereeniging een groot onderscheid is. We zijn volstrekt niet tevreden met een z.g.n. "Volkskerk. We vragen en blijven vragen naar eene Gereformeerde Kerk, d, i. eene Kerk, die zich in hare belijdenis en organisatie onderwerpt aan Gods Woord, We houden vast aan dat ideaal: eene Gereformeerde Kerk en een Gereformeerd kerkelijk leven in overeenstemming met Schrift en Belijdenis. Naar dat einddoel richt zich ons oog en we willen staan voor de beginselen, die we van God uit Zijn Woord hebben geleerd, door onze "Vaderen zoo duidelijk en breed uiteengezet in Confessie en Kerkorde, gelijk ook in allerlei geschrift over leerstellige en kerkrechtelijke kwesties.

Betere formules binnen het kader van hetvigeerend reglement onder de huidige kerkelijke organi • satie kunnen daarvoor van nut zijn. En elke actie die door wijziging in de reglementen aan een gezondere ontwikkeling van het kerkelijk leven kan ten goede komen, hebben we natuurlijk als gereformeerden te steunen.

Maar in geen geval wenschen we uit het oog te verliezen, dat het einddoel niet is en nooit mag zijn wijziging in deze of gene formule, waarbij gansch de actie beperkt zou worden tot het reglementair gebied, met handhaving van de tegenwoordige kerkelijke organisatie.

We moeten blijven eischen: het herstel van een gereformeerd, kerkelijk leven in overeenstemming met Gods Woord en onze belijdenis.

Met minder mogen, kunnen en willen we ons niet tevree stellen.

Daarbij willen we de kerk niet prijs geven, maar wenschen in wegen te gaan, die leiden kunnen tot haar vrijmaking en herstel; opdat zij, staande op eigen fundament en eigen terrein, onder de heerschappij van haren Koning, zich openbare zooals de kerk van Christus zich hier te lande naar Gods ordinantie heeft te ontplooien.

En met dit ons hoog ideaal voor oogen wenschen we gaarne alles te doen, wegen en midcielen daartoe ijverig te gebruiken en volstandig te bewande­ ­ len, om te komen tot verwerkelijking van onïldeaal.

Een z.g.n. "Volkskerk is dus ons ideaal niet.

Een "Vereeniging van elk wat wils ook niet. •

Eenig en alleen lokt ons en wenkt ons als ideaal een Gereformeerde Kerk, met belijdenis en organisatie naar den Woorde Gods, dat immers voor eiken tijd steeds de eenige en beste regel blijft voor leer en leven. Om dan te mogen aanschouwen dat die Gereformeerde Kerk zich openbare in een gereformeerd kerkelijk leven, door den Heere" gezegend en tot zegening geroepen.

Want we gelooven vastelijk, dat, wanneer de Herv. (Geref.) Kerk zich weer onder de heerschappij mocht komen stellen van haar eenigen Koning, om te leven in overeenstemming met Gods Woord en hare belijdenis, zij dan ook, krachtig door innerlijke levenssterkte, mede zal werken tot verdieping van het geestelijk leven der natie, worstelend met goddelijke kracht en heiligen moed om de volksziel weer te brengen onder het licht van Gods Waarheid, welke tot alle dingen nut is, daarbij ook het Evangeliewoord willende uitdragen order Jood en heiden en Mohamedaan.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 26 december 1915

De Heraut | 4 Pagina's

Uit de Pers.

Bekijk de hele uitgave van zondag 26 december 1915

De Heraut | 4 Pagina's