GeheugenvandeVU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van GeheugenvandeVU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van GeheugenvandeVU.

Bekijk het origineel

Uit de Pers.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit de Pers.

8 minuten leestijd

Ds, Littooy zet in het Zeeuwsch Kerkblad zijn bespreking voort van de zoogenaamds leer t geschillen ter toelichting van de besluiten der Utrechtsche Synode,

Wat hij over de „veronderstelde wedergeboorte" zegt, is ïoo klaar en duidelijk, dat het voor geen tegenspraak vatbaar is.

Dat de Gereformeerden de aanwezigheid der wedergeboorte veronderstellen zijn we begonnen aan te wijzen in ons laatste artikel. Aan het slo er van vestigden wij er de aandacht op, dat onze Catechismus niet slechts eene uitwendige maar ook eene inwendige afzondering en heiliging aanneemt en belijdt; wij toonden dit aan uit hetgeen gezegd wordt in Zondag 26. Thans voegen wij er aan toe: ok Zondag 27 zegt sdat Hij, de Heere, ons door 't Sacrament - des Doops, wil verzekeren, dat wij zoo waarachtiglijk van onze zonde geestelijk ge wasschen zijn, als wij uitwendig met het water gewasschen worden". Zegt nu iemand, — hêt woord »wil", wordt ook gebezigd in deze Zondag afdeelingen, dan stem ik dat toe, mar merk ten eerste op dat het niet geschiedt om ons slechtsjde uitwendige afzondering te leeren en ten tweede dat de Catechismus, in de leere des Doops veel meer'spreekt van •i> is'" - Dxijn' en i> beft^'\ alsme dat in het meerdere, in het — «gewasschen zijn', toch gewisselijk he: indere ligt opgesloten. In art. 34 van onze 37 geloofsartikelen wordt, gelijk in Zondag 26 en 27, ingelijks gesproken ovtr hetgeen in den doop beteekend en verzegeld wordt, de Kerken zeggen er : «Het Sacrament des Doops dient ons tot eeue getuigenis, dat Hij tot in eeuwigheid onze God en Vader zijn zal". En in vrage 74 van onzen Catechismns wordt beleden, dat »aan de jonge kinderen niet weiniger, dan aan de volwassenen toegezegd wordt, hetgeen door den Doop wordt beteekend en verzegeld Geheel dienovereenkomstig heeft de Dordtsche Synode van 1618 en '19 gezegd, dat wij aan de zaligheid der jong gestorven kinderen der geloovigen niet mogen twijfelen. In het vierde van de vijf artikelen tegen de Remonstranten hebben ook onze Dordtsche vaderen gezegd wie wij voor geloovigen, dus voor wedergeboren moeten houden In paragraaf 15 van evengenoemd artikel zeggen zij: Voorts moet men van hen, die uiterlijk hun geloof belijden en hun leven beteren, naar het voorbeeld van de Apostelen het beste oordeelen en spreken". Dat dit ook de Apostelen deden, dus de wedergeboorte veronder stelden, zoolang het tegendeel niet bleek, zeggen ook onze Randteekenaren onder meer, Rom. i : 6. Zij zeggen daar: Dat is, die niet alleen uiterlijk door het woord, maar ook door de kracht des Geestes van Christus inwendiglijk tot de gemeenschap van Christus zijn geroepen en gekomen. Waarom hij hen bok in het volgende vers geroe ene heiligen en geliefden Gods noemt. Zie Rom, 8 : 28, I Cor. i : 2. Want hoewel ook in deze gemeente, gelijk als in andere, huichelaars konden zijn, zoo noemt hij die nochtans altijd i) in het begin zijner Brieven, naar den eisch der liefde, naar het beste deel onder hen". Ook Calvijn zegt in zijne Institutie, alsmede in zijne exegetische werken van Paulus brieven, dat zoolang het tegen deel niet blijkt, »naar het oordeel der liefde de geloovigen en hun zaad voor wedergeborenen moeten gehouden worden".

Hoort ook Brakel waar hij schrijft:

»A1 de kinderen der Bondgenooten, hetzij bekeerden of onbekeerden, hetzij vóór of na het ontvangen des doops, in hunne jonkheid stervende, moeten gehouden worden zalig te zijn uit de kracht van het Verbond Gods, in welke zij geboren zijn en alzoo te zijn kinderen des Verbonds; zijn de ouders onbekeerd en trouweloos in het Verbond, dat is voor hun eigen rekening, de zoon zal niet dragen de misdaad des vaders; zoo heeft men ze ook voor ware bondgenooten en kinderen Gods te houden als ze opwassen, totdat ze metterdaad vertoonen, dat ze trouweloos in het Verbond zijn, en aan de belofte geen deel hebben".

»Het komt", zegt Brakel op dezelfde bladzijde, »uit onkunde en misvatting van de zaak, als sommigen het formulier veranderen en zeggen in Christus geheiligd zijn ("wil zeggen) in Christus geheiligd moeten worden".

Dus als men zijn in moeten verandert, en door dat te doen de belofte des verbonds rationalistisch veruitwendigt. - ^

Zooals ik een en andermaal in mijn vorig artikel beb gezegd, doen wij. Gereformeerden, het als de Vaderen. Wij immers doopen en houden avondmaal na voorlezing van het formulier. Aan de hand van het formulier des Doops nu spreken wij, gelijk Paulus. in zijn brief aan de Romeinen, de ouders, die doopen laten, aan, als: Geliefden in den Heere Christus". Voor de beciening des hei ligen avondmaals spreken wij zoo ook de belijdende gemeente, die genoodigd wordt, aan. Zie het formulier. En die als volwassenen gedoopt worden, moeten belijden dat te zijn. Het luidt in de derde vraag, die hun, naar 't formulier, gedaan wordt: «Gelooft gij, dat gij een lid van Jezus Christus en van zijn Kerk, door de kracht des Heiligen Geestes, zijt geworden ? '

Hetgeen de Utrechtsehe Synode dus in 1905 in hare verklaring uitsprak, is geheel in overeenstemming met hetg en Calvijn, onze Formulieren van Doop en Avondmaal, onze Formulieren van Eenheid en wat meer zegt ook de Apostelen, onder de leiding des Heiligen Geestes, hebben gesproken en geleerd. De evengenoemde Synode namelijk zegt insgelijks: »En wat eindelijk het vierde punt, de onderstelde wedergeboorte, aangaat, verklare uwe Synode, dat volgens de Belijdenis onzer Kerken het zaad des Verbonds krachtens de belofte Gods te houden is voor wedergeboren en in Christus geheiligd, totdat bij het opwassen uit hunnen wandel of leer het tegendeel blijke". Met algemeene stemmen werd dit uitgesproken en als leer der Heilige Schrift en der Geref. Kerken aangenomen.

i) Ik cursiveer.

Het behaagde den Heere sinds Abrahams tijd de belofte van het genadeverbond, het »Ik ben uw God en de God uws zaads", ter-versterking van het geloof, te laten beteekenen en verzegelen in Zijnen Naam, en het Sacrament, later de Sakramenten, tot dat einde gegeven, en door menschenkinderen te laten toedienen aan de geloovigen en aan bun zaad. Dit laatste nu deed en gebood Hij, zonder hun te openbaren wie tot eeuwige zaligheid uitverkoren, wie de wedergeboorte en mitsdien het oprechte, zaligmakende geloof deelachtig zijn en wie tot het geestelijke zaad van den Vader aller geloovigen behooren. Hij gebood Zijnen knechten die alles omvattende belofte in Zijnen Naam te verzegelen zonder hun het evengenoemde te openbaren en zonder hen hartenkenners te maken. Zij moeten het »van ganscher harte gelooven in den naam des Heeren eischen, zooals dat Filippns van den Kamerling eischte, maar of zij, die de toediening van het Sacrament vraagden en beleden van ganscher harte te gelooven, dat geloof waarlijk hadden, heeft de Heere hun niet gegeven, met alle zekerheid te kunnen beoordeelen: op «bekentenis en leven" moesten zij, ook naar de Catechismus, in Zondag 30 ons leert, afgaan. Eerst dan als zij zich als tiongeloovigen en goddeloozen aanetellen", mogen en moeten zij een iegenlijk het recht er op ontzeggen. Als weleer de Novatianen, later de Labadisten en nu nog vele vrome subjectivisten zouden willen, namelijk zich als hartenkenners aan te stellen, zie, dat kan en mag niet. Dat is «de door God aan menschen gestelde grens van wetenschap te overschrijden, zich te verhoovaardigen en vooruit te loopen op het God lelijk werk der beoordeeling van en der scheiding naar het hart, in den grooten dag der dagen. Zelfs de groote Hartenkenner, Jezus Christus, heeft dat niet gedaan. Hij, Wiens voetstappen wg in dezen moeten drukken, gaf ons het voorbeeld dat wij, ambtsdragers en discipelen van Hem, moeten volgen. Hij immers handelde niet naar de kennis die Hij van 's menschen harte had, maar naar «bekentenis en leven". Judas toch die Hem beleed en volgde, met en voor Hem leefde, liet Hij den eersten sleutel van Zijn Koninkrijk bedienen door hem mee uit te zenden, om Zijn woord te verkondigen en Hij diende öök hem het Sacrament, het pascha, zooals velen gelooven, ook het avondmaal, toe. Doch hoe dit laatste ook zij, zij zijn in vezen één, ze beteekenen en verzegelen beide het verbond en Zijne beloften.

Eerst op het einde van Zijn en van Judas leven achtte Hij het noodig, zich zelven als de Hartenkenner te openbaren, ten behoeve van Zijne ware discipelen en om, ond-r meer, hun een voorspel te geven van de scheiding, die in den ootdeelsdag zal plaats hebben. Maar in deze openbaring van Zichzelven is Hij ons niet ten voorbeeld; want wij kunnen nimmer wat Hij hier deed. Zelfs Zijne volgelingen konden blijkbaar Judas niet beoordeelen. Hem, als huichelaar ontmaskeren, kondenen deden zij niet. Zoolang het tegendeel niet was gebleken, door de (ïoddelijke openbaring en door zijn heengaan en verraad, hielden zij hem voor een oprecht belijder en volgeling. Zie, dat moeten ook wij doen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 10 maart 1907

De Heraut | 4 Pagina's

Uit de Pers.

Bekijk de hele uitgave van zondag 10 maart 1907

De Heraut | 4 Pagina's