GeheugenvandeVU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van GeheugenvandeVU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van GeheugenvandeVU.

Bekijk het origineel

LITERATUUR EN KUNST

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

LITERATUUR EN KUNST

10 minuten leestijd

Over „De man zonder Uniform" van Willy Gorsari.

Sinds enkele weken ben ik bezig, in het artikelsgewijs bespreken van nieuw-verschenen boeken, desbetreffende vragen uit onzen lezerskring le beantwoorden. Zoo kwamen achtereenvolgens aan de ordo AljaRachmanowa's dagboek „Mijn Tweede Vaderland", A. den Doolaards „Orient-Express" en, in hel vorige nummer, de trilogie van Johan Fabricius; en zoo wil ik nu trachten een lezeres van antwoord le dienen inzake hel (voor zooveel ik weel voorlaatste) boek van Willy Gorsari, „De man zonder U n i f o r m". 1)

Ten einde degenen die deze Schrijfster en haar werk niet kennen mede in dit antwoord te belrekken, mogen enkele mededeeliugen dienaangaande voorafgaan.

Willy Gorsari heeft zich in enkele jaren lijds ontwikkeld van cabaret-artiste tot romanschrijfster. En die ontwikkeling vertoont een stijgende lijn. Van „Jij en Ik", hel eerste boek dat ik van haar gelezen heb, tot „Terugkeer tol Thera", dal kort geleden verscheen, is een zeer duidelijke vooruitgang le zien in de techniek van haar romans, een vooruitgang, die bewijst, dal haar overgang van hel cabaret-werk tot het zooveel moeilijker scbrijfstersmétier niet een te hooge greep is geweest. „Chimaera", „De Zonden van Laurian Oslar", maar vooral het uit composilioneel oogpunt zeer geslaagde „Nummers", zijn boeken, die lot de literaire kunst mogen gerekend worden. En ook eenige jeugdverhalen, bijvoorbeeld „Bobbed en Shingled", zijn proeven van een uitstekend talent. Dal ze het cabaret-gedoe den rug toekeerde en een schoonere ontplooiing zocht van haar artistieke gaven, was gerechtvaardigd en gelukkig. „Wij zijn er", zoo schreef toentertijd een criticus, „een vaardig en lang niet onbeduidend prozaschrijfster rijker door geworden".

In overeenstemming met haar ontwikkelingsgeschiedenis is de stof, die Willy Gorsari bewerkt, ontleend aan de verhoudingen van hel modern© leven. Haar jeugdboeken voeren moderne kinderen ten tooneele, met dikwijls zeer geavangeerde opvattingen — getuige „Bobbed en Shingled" — en ook haar romans behandelen moderne vraagstukken. De levensproblematiek, die in de nieuwere (niet: de nieuwste) literatuur op den voorgrond slaat vormt de eigenlijkheid van haar romans (enkele proeven in hel detectivische genre uitgezonderd). Hel huwelijksprobleem, de vraagstukken van zelfbeschikkingsrecht, vrije liefde, conventie-dwang e.d., die de stof bij uitnemendheid zijn van de probleem-romantiek van enkele jaren geleden, vinden we in haar romans behandeld op dezelfde manier en met eenzelfden inslag van psychologische ontleding.

En dan raakt zij ook altijd de tragiek, die in zulke problemen besloten ligt. Het vrijwillige of gedwongen martelaarschap, dal aan de levensbotsingen onvermijdelijk is verbonden, is een van de hoofdelementen van haar werk. Dat was zoo in „Nummers", in de figuur van Hanzi, de cabarelarliste (die, hel zij even tusschen haakjes gezegd', niet is, gelijk men wel gemeend heeft, een personificatie van haar eigen zielebeeld: ze heeft dat uitdrukkelijk tegengesproken in een lezing over eigen werk voor de Rollerdamsche Vereeniging van Huisvrouwen) dat was zoo in „De Zonden van Laurian Oslar", in de figuur van Laurian, die de vrijwillige armoede in een leven van liefde verkiest boven de luxe van een gemakkelijk bestaan zonder liefde-warmle, dat is ook zoo in het boek, dat tot hel schrijven van dit artikel aanleiding is: „De man zouder Uniform".

Met „Nummers" behoort „De man zonder Uniform" tol Willy Gorsari's beste werk. Het is — wal b.v. niet gezegd kan worden van „Terugkeer tot Thera", dat later verschenen is — zeer suggestief geschreven, rijk aan levendige tooneelen en vooral knap in de teekening van wal genoemd wordt „de begeleiding der dingen", de omgeving rondom het gebeuren.

De Scbrijfsler heeft aan dit boek veel moeite moeten besteden — aan den vorm is dat zeker ten goedegekomen —omdat't een vraagstuk behandelt en inleidt in een sfeer, die haar volstrekt onJ> ekend waren en die ze door bestudeering moest leeren kennen. Dat vraagstuk is van medischen aard en de sfeer is die van de medische wereld — en van beide stond ze ver af. Toch heeft ze het stuk ondernomen, omdat in verband met het probleem dat haai- bezighield, de stof haar onweerstaanbaar aantrok.

Dal probleem is het gewone van den probleemroman uil zijn bloeitijd: het conflict tusschen eigen levensbelang eenerzijds en de behoefte, haast kan men zeggen de aan den menscli ingeboren bewustheid van plicht, anderer levensbelang te dienen aan den anderen kant. In elk menschenleven doel zich dat conflict in meerdere of mindere male Qp, met allerlei, soms heel pijnlijke consequenties. Maar heel vaak is de oplossing onmogelijk, door bijkomstigheden en invloeden van buitenaf. De Sciirijfster zocht nu sinds lang naar een openbaring van dat conflict zonder die bijkomstigheden en zonder die invloeden, omdat ze hel dan in zijn zuivere, zijn onvermengde gestalte zou kunnen zien en ze vond die openbaring — uil hel verslag van haar lezing valt deze ontstaansgeschiedenis van het boek af le leiden — in het geval van den medicus, die zijn heele denken en zijn gansche arbeidskracht wijdt aan hel zoeken van een middel Ier bestrijding van de kanker, die daartoe altijd in zijn studeerkamer en zijn laboratorium ploetert — en aldus zijn gezin, zijn vrouw en kinderen, zichzelf vereenzaaml. Het eigenbelang is hier dan gelegen in de intensiteit van het willen-vinden. maar daarbij zijn schuld en egoïsme en persoonlijke genieting zoozeer uitgeschakeld, dal het eigenbelang — het klinkt haast paradoxaal — idealiteit is geworden. En zeker is dit een geval van het conflict zonder de genoemde bijkomstigheden.

Uiteraard vorderde de uilwerking ervan in romanvorm, de omkleeding in verhaalgebeuren, kennis aangaande het leven van den medicus en de praclijk van zijn werk, vooral ook aangaande den stand van het vraagstuk der kankerbestrijding. En zoo moest de Schrijfster gaan studeeren, zich gaan inwerken in die haar onbekende wereld. Maar daarmede groeiden om haar probleem allerlei vraagstukken, die er rechtstreeks mee samenhangen en die alle zich concentreeren om de kernquaeslie, of de medicus zijn meusch-zijn stellen mag boven, dan wel ten offer brengen moet aan zijn doklerschap. Eu een van die vraagstukken begon mede haar verbaal-concept le beheerschen, in verband met den opzet: of de arts, als hij on-

herstelbaar lijden ziel, zijn mensch-zijn mag doen spreken en mag ingrijpen in het verstervingsproces, door het met de middelen, die hem als dokter ten dienste staan, te bekorten.

Om verschillende figuren is dan de analyse van dit probleem met zijn verwikkelingen gegi-oepeerd: om den professor De Raai, die de onvermoeide zoeker is naar het gewenschte middel, maar in en door dat zoeken zijn leven en zijn gezin zoozeer schaadt, dat hij aan de snijdendste vertwijfeling ten prooi valt; om zijn vrouw, die de onvrijwillige martelares is van het „eigen-belang" van haar man; om zijn neef, Remco, een arts ook (wiens heele leven in het boek wordt behandeld); om diens vriend Felix, die gekweld wordt door het vermoeden dat Remco eigenmachtig ingrijpt in het lijdensproces van ongeneeselijke patiënten en aan den zelfstrijd', die daaruit ontstaat, ondergaat, enz. 't Is een zeer gecompliceerd verhaal, dat, door de veelheid van ideeën-dragende personen, telkens wordt omgewend.

Nu gaat het in het bestek van dit artikel niet om de vraag, of Willy Corsari ten slotte al dan niet in die roman-bewerking is geslaagd'. De briefschrijfster bedoelde niet een waardebepaling, een literaire beoordeeling, te ontvangen, doch stond voor de quaestie der waardecringsmogelijkheid. Ik Iaat daarom een gemotiveerde literaire beschouwing achterwege en merk alleen op, dat de Auteur in de buitengewoon moeilijke opgave, die ze zich gesteld heeft, slechts ten deele is geslaagd. Het is terecht gezegd door een der recensenten bij de verschijning van het boek, dat met het grondig bestudeeren van een materie, waarin men geheel onbekend is, het wezen der din^gen, de eigenlijke sfeer, niet wordt gevonden. De Schrijfster, vreemd aan die sfeer, kon.die van buiten-af niet bereiken en kon daarom ook de innerlijkheid van haai- figuren niet peilen, zoodat dezen meer de dragers zijn geworden van haar denkbeelden, haar ideeën op de punten-in-het-geding, dan zèlflevende en zèlf-handelende personen. De tragiek van het vrijwillig martelaarschap, die haar in het „geval", in 't probleem alszoodanig, gegrepen had, kon ze daardoor niet doen uitkomen. Ik heb boven al gezegd, dat de roman veel qualiteiten heeft, en wil daaraan gaarne toevoegen, dat hij boeit door zijn compositie, maar hij is gebleven, moest eigenlijk ook blijven, beneden de kracht, de tragische grootheid zelfs, van het gegeven.

Wat dan aangaat de waardecringsmogelijkheid, de vraag dus naar de principiëele houding tegenover dit boek, wijs ik op twee dingen, die ter bepaling van die houding afdoende zijn.

Het eerste is, dat in een van de hoofdelementen van het boek de positie zoowel als de oplossing volkomen afwijken van wat ten dezen de christelijke opvatting is. Ik bedoel het belangrijke, èn in den gang van het verhaal èn ten aanzien van de totaliteit van het boek belangrijke, gedeelte, waar de Schrijfster het ingrijpen van den arts ter bekorting van een lijdensproces behandelt en verdedigt. Dit denkbeeld met alles wat daar in het verhaalverband bij behoort, is volstrekt onvereenigbaar met de christelijke levensidee. Afgedacht nog van het feit, dat een medicus nooit absoluut kan zijn in zijn prognose en dus uit dien hoofde reeds niet ingrijpen kan ter bespoediging van het einde (dat hij hoogstens met een vrij groote graad van zekerheid spoedig kan verwachten), is van christelijk standpunt gezien elke overweging dienaangaande onvoorwaardelijk te veroordeelen. Het forceeren van het einde, al zou dat geschieden om redenen van de hoogste menschelijkheid, zou wezen een aantasten van het leven, dat alleen en uitsluitend is in Gods hand. Een mensch leeft, dat is toch de onbestreden christelijke opvatting, zoolang het Gode belieft, niet langer, maar ook niet korter; en het doen eindigen van dat leven, vóór de dood dat einde brengt, zou zijn een eigenmachtig ingrijpen van den arts in het believen Godes. Om precies dezelfde reden als een christen eiken vorm van zelfmoord (die óók in dit boek voorkomt) moet veroordeelen, moet hij deze zoogenaamde uiting van humaniteit verwerpen. De antithese is hier absoluut en onder geen enkele conditie te verminderen of te verzachten. En een boek dat dit (Amerikaansche) stelsel huldigt, is voor wie uit de christelijke overtuiging leeft, principieel onaannemelijk.

Het tweede punt, dat ik de briefschrijfster onder de aandacht brengen wil, is de passage, waarin Dominee Wentink het afleggen moet tegen de vragen op geestelijk gebied van den 14-jarigen Remco. Het onbeholpen gepraat van dien man (die zelfs zenuwziek wordt mede onder invloed van dit gesprek) tegenover het eigenwijze gedoe van het ventje, maakt, zooals dat gewoonlijk het geval is in den probleem-roman, godsdienst en christelijke leer tot een caricatuur, tot een belaching. Ik behoef daar niet verder over uit te wijden — de lezeres sla die passage nog maar eens op, als ze het noodig acht — maar kan, zonder meer, concludeeren, dat een roman met zulke dwaasheden — laten we dan maar aannemen dat ze te goeder trouw worden gedebiteerd — onzerzijds geen waardeering kan vinden, al is hij overigens knap geschreven en in vele opzichten sympathiek.

Ik zei boven, dat de twee dingen die ten dezen vielen aan te wijzen, voor het bepalen van onze houding afdoende zijn. Naar mijn meening kan een christen met dezen roman en zijn oplossingen niets beginnen en doet hij beter, het boek ter zijde te leggen of — dit geldt dan in 't bijzonder mijn correspondente, die het gelezen heeft — het maar zoo spoedig mogelijk radicaal uit de gedachtensfeer te bannen.


1) Zooals ik de vorige week schreef, zal ik gaarne probeeren, indien mogelijk, aan verzoeken om behandeling van een bepaald boek, te voldoen. Hun aantal is echter in de laatste week zoozeer toegenomen, dat ik ze niet alle dadelijk kan afdoen. Als ik gereed ben met wat op behandeling wachtte, moeten eerst enkele nieuw-ingekomen boeken worden besproken; daarna is er weer gelegenheid voor artikelen als deze. Enkele brieven betreffen de bedoelde nieuwe boeken en worden dus vanzelf beantwoord. De lezeres, die „Heeren en Knechten en Vrouwen" van Jo van Ammers-Küler besproken wil zien, moge ik verwijzen naar wat ik in het vorige artikel schreef, dat m. i. een deel van een cyclus niet afzonderlijk moet worden behandeld, maar in verband met het geheel.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 25 januari 1935

De Reformatie | 8 Pagina's

LITERATUUR EN KUNST

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 25 januari 1935

De Reformatie | 8 Pagina's