GeheugenvandeVU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van GeheugenvandeVU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van GeheugenvandeVU.

Bekijk het origineel

HOOFDARTIKEL

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

HOOFDARTIKEL

10 minuten leestijd

Marcion, het evangelie van den vreemden god.

IV.

De liijbei van Marcion.

Hoe komt Marcion aan zijn leer van den goeden god, die gelieel „fremd" was aan de mensclilieid en tocli in zijn onbegrijpelijke liefde voor die mensclilieid zijn zoon geeft in den dood?

Hij vindt die leer in het Nieuwe Testament, dat hij aanvaardt, net als de eerste Cliristelijke kerk. AÜeen maar, de kerk doet hierbij volgens hem een ontzaglijken misstap: zij meent, dat het Evangelie het complement van het Oude Testament is en ziet niet, dat het aan dat Oude Testament geheel en al tegengesteld is.

En hij gelooft, dat die misstap zelfs ingewerkt heeft op het Evangelie: om immers dat Nieuwe Testament in overeenstemming te brengen met het 0. T., moesten er in het Evangelie ingrijpende veranderingen gebracht worden. Daarom moet volgens Ixem een reinigingsproces plaats hebben in het N, T.; pas het gereinigde Evangelie en de gereinigde brieven van Paulus zijn voor hem richtsnoer voor zijn opvatting over den goeden god. "WonderUjk handelen! Een man, die het O. T. zonder reserve aanvaardde, — hij beschouwt al de mededeelingen van het O. T. als volkomen waai-achtig en hij wil zelfs geen allegorische uitlegging aannemen ~ gelooft, dat liet N. T. zeer vervalscht is en aanvaardt slechts een „gereinigd" Nieuw Testament.

Zoo komen we dan tol Mardons Bijbelcritiek. Marcion, die reformator van de kerk wilde zijn, moet eerst restaurator (hersteller) van het Evangelie zijn, hij moet het Evangelie zuiveren van alle Judaïsme, dat ingeslopen was.

Hij doet dit door uit te gaan van Paulus' brief aau de Galatiërs en hij vindt daarin, dat er oorspronkelijk maar één Evangelie was (zie Gal. 1:7) en dat de hoofdstrijd van Paulus zich richtte tegen flet Judaïsme, en dat klaarblijkelijk die Judaïsten «en eigen evangelie hadden.

Hieruit trekt hij de volgende conclusies: 1«- Het echte Evangelie staat vijandig tegenover alle Judaïsme;

2e. De brieven van Paulus zijn vervalscht: wat ^n Joodsche dingen staan in die brieven? «. Reeds terstond na Christus' dood zyn er ™sche apostelen opgetreden met heel veel succes; ^ij konden immers zelfs bet Evangehe en de wieven vervalschen.«) Daarop steunend, gaat Marcion over tot restauratie van de Nieuw-Testamentische geschriften. Hij mag maar één evangelie hebben, en kiest daartoe Lucas uit. Waarom juist Lucas? Dat is niet heelemaal duidelijk. Dat hij Mattheüs niet kon gebruiken, is direct duidelijk. Telkens komt immers in Mattheüs voor 'de formule: opdat (zoodat) de Schriften (de Oud-Teslamentische) vervuld werden. (Matlh. 1:22, 2:15, 4:14 en overal). Ook Johannes moest wel vervallen. Wel stonden daarin scherpe anti-Joodsche gezegden, die dus Marcion zeer sympathiek waren, denk aan 1:48, waar de Hjcere Jezus van "Nathanaël zegt, dat hij, als bij uitzondering! een Israëliet is, in welken geen bedrog is, en aan 8:44, waar de Heere zegt, dat de Joden zijn uit den vader, den duivel!

Maar, in 1:11 bijv. staat, dat de Logos kwam tot het Zijne, de kinderen Israels!! en volgens 2 VS 1—11 was hij op een bruiloft, en dat kan toch onmogelijk.

Zoo blijven dan alleen Marcus ert Lucas over en daaruit kiest hij dan Lucas. Maar ook in Lucas is veel vervalsching en daarom gaat hij door tekstverandering, schrapping en toevoeging een „rein" Evangelie maken. Natuurlijk vervalt heel de geboortegeschiedenis (Christus zou „GEBOREN" zijn) en oolc vervalt Lucas 3 (Christus had geen Voorlooper en geen geslachtslijst) en Lucas 4 moet ook weg tot VS 31. Met dat vers begint zjjn evangelie, waar hij dan nog aan toevoegt het gereinigde eerste vers van hoofdstuk 3, dat bij hem luidt: In het 15e jaai- van keizer Tiberius daalde God neer naar Kapernaüm en leerde op de Sabbathen. Dat is wel de voornaamste verandering, maar ook overigens brengt hij veel „verbetei-ingen" aan. Als voorbeeld wil ik noemen de reiniging van 10:2. De Heere Jezus dankt hier Zijn Vader, dien Hij noemt Heere des hemels en der aarde, maar dat „en der aarde" moet natuurlijk verdwijnen.

Diezelfde bewerkingen laat hij de andere Nieuw- Testamentische geschriften ondergaan. Vooreerst vervallen de brieven van Petrus, Jacobus, Johannes en Judas: brieven immers van halfslachtige apostelen?

Dian: Hebreen moet zeker verdwijnen: al die toespelingen op den Oud-Testamentischen eeredienst!

Ook Handelingen en Openbaringen kunnen niet gehandhaafd worden — Handelingen bijv. wierp zijn geschiedenisbeschouwing omver, en in Openbaringen was o.a. een veel te vleeschelijke hemeiteekening.

Alleen de brieven van Paulus vinden genade en daarvan moeten nog uitvallen de brieven, aan Timotheüs en Titus*^), zoodat hij maar tien brieven overhoudt en ook in die brieven verandert hij veel.

Om enkele der sprekendste veranderingen te noemen: Paulus schrijft in Rom. 10:3, dat de Israëlieten de rechtvaardigheid Gods niet kennen en Marcion laat, doordat hij „de rechtvaardigheid" schrapt, den apostel schrijven, dat zij God (den goeden god) niet kennen.

In Galaten 4:4 zegt de apostel, dat de Zoon Gods geworden is uit een vrouw, geworden onder de wet: natuurlijk kan Marcion beide niet gebruiken, noch de wording uit een vrouw; , noch wording onder de wet en schrapt hij beide dingen.

Een derde sprekend voorbeeld vinden wij in Ef. 2:14, 15 (deze brief heet bij Marcion brief aan Laodicea). Paulus spreekt daar van het vleesch van Christus, maar het woordje „zijn" (dit is Christus) laat hij weg en volgens den apostel heeft Christus de wet van de geboden in iozettingen 'bestaande, te niet gedaan, maar Marcion laat „in" weg en leest nu, dat Christus de wet van de geboden door inzettingen heeft te niet gedaan, en die inzettingen zijn dan volgens hem de leeringen over den goeden god en zijn zoon.

Misschien is het laatste voorbeeld, dat wij willen noemen, wel het sprekendste: in Ef. 3:9 spreekt Paulus van de verborgenheid, die van alle eeuwen verborgen geweest is i n God — Marcion laat „in" weg en krijgt dau een verborgenheid, die van aUe eeuwen voor God, zijn rechtvaardigen god, verborgen is geweest.

Meer veranderingen willen wij maar niet noemen. Alleen nog, Zahn en Harnack hebben getracht het „reine" N. T. te reconsU-ueeren. Dat is echter heel moeilijk: zij moesten immers uit citaten der Kerkvaders den tekst herstellen. En bovendien, Mai-cion droeg zijn leerlingen op, den tekst van het N. T. verder te herstellen, hij beschouwde dus zijn werk nog niet als afgedaan, en volgens de gegevens der kerkvaders hebhen zijn leerlingen die taak ook op zich genomen. *')

Op dezen gerestaureerden Bijbel bouwt Marcioil zijn gansche leer, die wij reeds in haar kern aangaven: de goede god, die uit louter ontferming voor een hem-\Teemde menschheid zijn zoon geefl. Natuurlijk kwam die zoon in een sdiijnlichaam

— een docetische trek, die alle gnosis eigen is, waartegen Johannes reeds zoo scherp waarschuwde in zijn evangelie en l> rieven: lietgeen van den beginne was, hetgeen wij gehoord hebben, hetgeen wij gezien hebben met onze oogen, hetgeen wij aanschouwd hebben en onze handen getast hebben *8), 1 Joh. 1:1 en andere plaatsen, vooral ook Joh. 19:35.

In dat schijnlichaam heeft Christus geleden en is Hij gestorven. De demiurg denkt immers, dat Jezus de bevrijder is, in het O. T. beloofd, en laat hem kruisigen, als hij ziet, dat hij zich vergist heeft Door die kruisiging koopt ^3) Christus nu de geloovigen. Gal. 2:20 verandert Marcion zoo, dat gelezen moet worden... de Zoon van God, die mij liefgehad heeft en mij gekocht heeft.

Die gekochten gaan in Hem g e 1 o o v e n: alles wordt bij Marcion ^ingesteld op het geloof. En die geloovigen worden nu door Hem verlost, niet alleen van de zonde, zelfs van hun wezen, dat zij immers te danken hebben , aan den jodengod. Die verlossing komt pas tot volle uiting bij de wederkomst van Christus, als met de schepping de god der schepping ondergaat; tot zoo lang worden zij uiteraard zeer verdrukt door den demiurg en door hen, die met den demiurg meegaan; zoozeer voelt Marcion die verdrukking, dat hij zijn medegeloovigen bij voorkeur noemt: mede-iellendigen en mede-gehaten.

Maar eenmaal komt aan die verdrukking een eind: Christus komt immers weder, wel niet om te oordeelen, want de goede god oordeelt niet, maar om te constateeren, wie zich naar Hem hebben gewend en wie Hem hebben verworpen.

De eersten 50) gaan in het eeuwige leven en dat zijn mensclien als Kaïn, die zich het meest verzet heeft legen den jodengod, en de anderen gaan onder en dat ^ijn menschen als Abraham, de trouwe knecht van den jodengod.

Op de wederkomst .moeten de geloovigen volhardend wachten, en zoolang zij er niet is, moeten zij zich zooveel mogelijk losmalien van de wereld. Marcion legde de zijnen strenge ascese ops onthouding van de gaven van den demiurg moest wel in zijn systeem staan en bovenal onthouding van 'thuwelijk. Zouden geloovigen mede-arbeiden aan de instandhouding van de wereld van den demiurg en dat doen op de wonderlijke, walgelijke wijze, die de demiurg daarvoor had vastgesteld?

'Natuiu-lijk niet, zij moesten zich van alles van den demiurg bevrijden, zelfs van zijn wetten. Hiermede moet dus eigenlijk ^epaai'd gaan een antinomiaansclie levenshouding: toch is daar bij Marcion niet veel van te bemerken. Integendeel, hij schijnt de zonde krachtig te willen vlieden. =") Paulinische invloed ^^) bij" jdezen man, dien men zoo ten onrechte Paulinist noemt? "3)

Kv ^^''"^'^'^ '^gt er nogal nadruk op, dat hij bij Marcion vJ°? " ^'^^ft het verschil tusschen de twaalven en de valsche a^postelen. Christus zou veel moeite gedaan hebben vrep ^l^"P^l^" te overtuigen, dat Hij de Zoon van den aanP t° pd was. Zij begrijpen dat maar niet! — denk het p "^ belijdenis te Caesaréa —. Na de opstanding gaat Paulu" P°°5ie goed, maar zij blijven toch erg halfslachtig, weiniff T" ^'^'^^ geweest zijn, maar had aan de twaalven i'aulus l KK' '-"'"'''^'"^ ™i^ dan het Evangelie alleen aan 'fltenil > ? Kk " toevertrouwd en hem als eenigen apostel

46) Harnack meent, dat Marcion hen niet opgenomen heeft, omdat hij ze niet kende; Zahn echter gelooft, dat het niet geschied is, omdat het particuliere brieven waren.

47) Harnack en anderen, vooral Dobschütz, hechten groote waarde aan den tekst van Marcion. Zij meenen, dat ook in onzen tekst Marcionietische invloed nawerkt. Zoo zou b.v. het slot van den Romeinenbrief (16:25—27) aan Marcion te wijten zijn. (Harnack. Marcion pg. 49).

Op anderen Marcionietischen invloed wijst von Dobschütz in Nestle's Einführung in das Griechische N. T. * pg. 11, 12.

48) Het is niet onze bedoeling op alle verkeerde leeringen van Marcion in te gaan. Wij maken daarom hier alleen maar de opmerking, dat het zoo gelukkig is, dat de Christelijke kerk altijd zoo gevochten heeft tegen alle pogingen, die men aanwendde om Christus iets van Zijn waarachtigmensch-zijn te laten verliezen. Heet de strijd om de twee naturen van Christus wordt toch beheerscht door de juiste gedachte, dat alleen een mensch, ons in alles gelijk, uitgenomen de zonde, voor ons kon optreden.

Daarom moeten ook wij tegen alle gnostieke gedachten van onzen tijd handhaven het volkomen en waarachtig mensch-zijn van onzen Heere Jezus Christus en dat is geen muggenzifterij; het gaat om Z ij n eer en o n s heil.

49) Over dat koopen: Seeberg, Lehrbuch der Dogmengeschichte I ^ pg. 317, vooral noot 1.

50) Het is dtuidelijk, dat volgens dezen materie-hater alleen „zielen" behouden worden.

51) De vraag werd aan Marcion gedaan, of men de zonde mocht dienen, als God louter genade is. Hij antwoordde slechts met een „Absit, absit". „Dat zij verre". „En hij had het recht aldus te spreken, voor zichzelf. Marcion staat zoo geheel onder den indruk van de onpeilbare en ongehouden liefde van den Vader van onzen Heere Jezus Christus, dat hij zich de mogelijkheid niet kan indenken, dat die liefde niet door volkomen reinheid en wederliefde zou worden beantwoord" Dr D. Plooy, Stemmen des Tijds, 1922, H, 337. 52) Seeberg I 3 pg. 318.

53) Tenslotte zij nog gezegd, dat reeds in 1934 in dit blad uitnemende artikelen over Marcions Bijbel vooral werden opgenomen van Dr G. J. D. Aalders. Bij breedere behandeling kon deze herhaling echter niet uitblijven.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 6 maart 1936

De Reformatie | 8 Pagina's

HOOFDARTIKEL

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 6 maart 1936

De Reformatie | 8 Pagina's