GeheugenvandeVU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van GeheugenvandeVU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van GeheugenvandeVU.

Bekijk het origineel

HOOFDARTIKEL

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

HOOFDARTIKEL

10 minuten leestijd

Uit Plotinus' Scboonheidsleer.

Bij het nadenken over letteirkundige schoonheid sluiten we telkens op, haast schreef ik: vallen we telkens over, de min of meer intrigieerendle onderscheiding van inhoud en voïm. Wat valt onder het eene, wat ondef het andeire te rangfschikken? Nemen we tevens, al is het maar oppervlakkig, kennis van de geschiedenis del" letterkundige lu-iliek, dan zien we de „formalisten" staan tegenover zulke.beooïdteelaars, die niet minder aandacht wijden aan den „inhoud" van een kunstwerk. Waar dan nog bijkomt, dat velen (we noemen op 'toogeublik slechts den naam van Willem Kloos) op' principdeele gfonden bovengenoemde onderscheiding w^raken, met nadruk de eenzelvigheid van vorm en inhoud staande houdend.

Alvorens over deze quaesties eenige opmerkingen te maken willen we een oogenbük stilstaan; bij een in dit verband opmerkelijk gieschriftlje van den Neoplatonischen wijsgeer Plotinus (205 —270), wiens werkzaamheid onmiskenbare spotren heeft achtergelaten in de modem© schoonheidsleer i). We bedoelen de veïhandeling, die in onze uitgaven tot opschrift heeft „Over het Scihoone". W© houden ons niet op met de vraag in hoeveirre Plotinus gedachten van PlatO' vertolkt, combineeft of wijzigt, maar geven van zijn betoog een samenvatting, die we kort bespireken.

In het rijk der scTioonheid! heel-scht rangorde, hiërarchie. Op den laagston trap staat de zichten hoorbare schoonheid van tastbare dingen en klanken. Daar boven uit g^at het schoon van daden, wetenschappen, deugden. Alles namelijk wat de ziel raakt, bezit in zich zelve een waarachtlig schoon. Geheel anders dan het lichaam, vandaag nog een lust voor het oog, en morgen?

Een gangbare meening leert, dat de schoonheid d'er zienlijke dingen wordt teweeggebracht (behalve door hun kleur) door harmonische maatverihoudingen van de deelen tot elkander en tot het geheel. Een dwaalbegrip: alsof enkelvoudige dingen, welke zulke maatverhoudingen niet bezitten, niet schoon konden zijn, zooals het goud of büksemlicht in nachtelijk duister! Bovendien, iets kan bij gelijk blijvende verhoudingen nu eens schoon, dan leelijk zijn, bij voorbeeld ©en menschelijk gelaat. Er moet dus iets anders zijn dat aan een weibesneden gezicht zijn schoionheid leent.

Zwaardeir nog drukken de bezwaren tegen de lieerschend© opvatting, als w© haaf willen toepassen op schoone betoogen of daden, op kennis en wetenschap-. Waar vindt men harmonische maatverhoudingen bij de deugd? Staat men er niettemin op in dergelijk verband van harmonie te spreken, het is wel, als men maar beseft, dat er dan ook harmonie valt te constabeeren tusschen bepaalde immoreel© leeiTstellingen!

Waarin bestaat dan wel de schoonheid deir zienlijke dingen? Het antwoord moet luiden: in hun deel hebben aan de „idee". Leelijk is wiat enltel „stol" is, niet beheerscht door „vorm", idee of goddelijken logos. Maar maakt de idee zich meester van de „stof", dan schept ze, vooir zobveir dat mogelijk is, daarin eenheid en schoonheid.

De ziel verstaat en beoordeelt die schoonheid door de idee, die bij haar woont. Neem een mooi huis: als men de steenen weg denkt, is het niets anders dan „de innerlijice idee" van den bouwheer, maar dan gesplitst en verdeeld door de stoffelijke steenenmassa. Zoo zijn de dingen van het zinlijk schoon slechts schaduwen en TDeelden.

Heerlijke realiteiten daarentegen Meden ons de daden en de deugden der ziel. Het zien van oaiz© inwendige schoonheid brengt ons in vervoering en ecstase. Want in zichzelve is de ziel waarachtig schoon en zuiver als goud. Leelijkheid aan haar ontstaat uit ovemeiging naar het lichaam en de „slof". Het is, alsof iemand, in den modder gevallen, onherkenbaar is geworden door een dikke sliklaag.

Maar, eenmaal gereinigd wordt de ziel idee, logos. Ze gaat behooren tot het goddelijke, de bronwei van het schoone. Ziet ge u zelf nog niet in uw schoonheid? Volg dan het voorbeeld van den beeldbouwer, die zoolang beitelt aan het marmer, tot een heerlijk beeld zich vertoonL Werk gij zóó aan uw eigen beeld, totdat de goddelijke glans uwer deugden uitstraalt. Zijl ge aldus zelf waarachtig licht 2) geworden, boven a 11 © maat verheven, dan zijl ge bekwaamd tot het schouwen der opperst© Schoonheid Ge hebt dan de oogen te sluiten, vol minachting voor stoffelijkaardsche schoonheid, en een hooger schouwe-vermogen in u te ontwikkelen. Dan gaat u, bij, h!et zien van het hoogste goed, wondere verrukking en üefdesverlangen doortrülen. ZaHg de ziel, die aldus ingaat in het binnenst© des heiligdoms! Zij is aan God gelijk.

D© kern van Plotinus' betoog vormt het dualisme van zinlijke en geestelijke schoonheid.

Zeker, er is ©en schoon der zienlijk© dingen, voor zoover ze deelhebben aan de idee: , doctt alle dingen missen realiteit en wezenlijk bestand. Beeld en schaduw te zijn is hun roeping. Zooals de pantheïst Goethe het later uit zal drukken: „Alles Vergangliche ist nur ein Gleiohn|is". Opstijgend roept de ziel het zinlijke haar vaarwel toe om vreugdedronken in t© gaan tot de contemplatie der opperste Schoonheid.

Wie éénmaal U aanschouwt, leefde genoeg: Zoo hem de dood in deze stond' versloieg... Wat nood? Hij heeft genoten 't hoogst genot!

De bekende terzine van Perk moge Ulustreeren, ho© modern dit is gedacht en gevoeld. Of liever: ihoe diep d© wortels zich. uitstrekken van het moderne heidendom. We vestigen hierop de aandacht, omdat van dit dualisme uit opi de in 't begin van dit artikel aangestipte quaesties ©en bijzonder licht wordt geworpen.

Plotinus is zich ten volle ervan bewust in te gaan tegen de publieke opinie. Vrijwel allen leeren, dat de schoonheid rust in harmoniscihe maatverhoudingen ; in objectief vast te leggen normen dus. En met die aesthetica verklaart hij zich radicaal oneens. Niet dat hij voor de harmonie der maten geen oog heeft, neen, maar dte schoonheid ligt daarachter, staat los van haar. Het is „de innerlijke idee" die ©en, door d© „stof helaas getemperde, schoonheid' uit doet stralen. W© verslaan het volkomen, dat, naar een andere uitspraak van Plotinus, h©t scb^j^^j^-glji^dw geest van den artist grooter ^s en SCUUIO-MV.. "-"'christelijke' ( bmten treedt.

Hiermedte stelt zich tegenover antiek-HeUeensche „Diesseiügkeit" en stralende zinnenvreugde ©en evenzeer Heidensch mysticisme, dat liefst de vensters sluit, opdat het binnen licht worde. Plotinus' leer, oiverigens in het Grieksche denken al eeuwen voorbereid, moet voeren tot autonoomverklaring der ziel, tot emancipatie ook van formeel© 8) normen.

Men zou kunnen tegenwerpen: maar laat Plotinus dan niet juist aan „vorm" sohoonheidi ontr bloeien? Het is waar; doch in zijn spraakgebruik eeft „vorm", synoniem van idee, m©t de maatverhoudingen niets van doen.

De consequente toepassing van zijn vormmiskenning toont het ontredderd kunsUeven van dezen tijd. Een tweetal citaten moge dit toelichten: „Stond achter het naturalisme als reguleerende norm de natuur in haar geheele feitelijkheid!, zoo staat achter het expressionisme als regelende norm de idee in haar geheele werkelijkheid. Het expressionisme staat vijandig tegenover de natuur."*)

„Met het subjectivisme trad ©en meuwe factor te voorschijn, namelijk de ziel In de nieuw© tendentie werd het subject, de subjectief voelende, bezield© mensch, de eenige waardemeter oor alle dingen en voor ieder gebeuren en daarede was het object, de realiteit, die er buiteni ag, zijn tegenstelling geworden en had het ook zijn leidende positie verloren." 5)

Ik weet het, de verschillen met Plotinus zijn ebt aan te wijzen. Maar de geesten zijn verwant Het waarneembare object wordt hier en gjndlsi ter wUle van de subjectiviteit vernederd.

Het is overbodig breedvoerig te betoogen, waarom wij, Gereformeerde Christenen, Plotinus' dualistische schoonheidsleer niet kunnen aanvaarden.

Houdt hij ons voor, dat morgen- noch avondster zoo schoon schittert als rechtvaardiglieid en ingetogenheid, dan worden we even herinnerd aan den negentienden Psahn, maar zijn ons tevens klaar bewust, dat de Schrift ons leert Gods

eeuwige kracht «n goddelijkheid te zdeii in de dingen der scliepping, die, mèt de liarmonie van hun proporties, staan onder Zijn souvereiniteit.

Evenmin behoeven we omstandig toe te Hcliten, waarom we Plotinus' voorstelling van de schoone ziel ©en bedrlegelijk idool achten.

Waarom zijn vislo Dei, zijn schouwen van het hoogste Goed, zich zelfs niet in Chrislelijken zin laat denken. Dit alles is duidelijk genoeg.

Moeilijker is het punt dat meer de aesthetica in engcren zin raakt: is Plotinus' kritiek op de in zijn dagen gangbare schoonheidsleer niet juist?

Ten deele wel. De door hem bestreden, Stoïcijnsche, definitie was eenzijdig georiënteerd naar de plastiek en bovendien oppervlakkig. We kunnen het slechts prijzen in Plotinus, dat hij niet tevreden was met het constateeren van meetbare hartoonieën, maar, zich bevrijdend van het formalisme, zocht door te dringen tot hét mysterie der schoonheid, dat door geen meetkunst zich laat vinden.

Hij heeft oot gelijk, als hij schoonheid meent te ontwaren in het niet-samengestelde of wat zich althans zoo aan ons oog of oor voordoet.

Het was vooral een verdienste, dat hij voor de schoonheidstheoreüci wijder pe'rspectieven opende door hun aandacht te vragen voor het schoon der niet te tasten en te meten 'dingen.

Deze winst wordt evenwel door ©en misgreep terstond verspeeld: den levensband tusschen „de innerlijke idee" en uitwendige harmonie snijdt hij stuk, daardoor gene emancipeerend en deze beroovend van haar beteekenis.

Dit is duidelijk te maken met zijn eigen, zeer gelukkig gekozen, voorbeeld van het afwisselend schoon en onschoon menschelijk gelaat. Zijn opmerking verrast door haar juistheid. Alleen maar, het is een vergissing van Ploiünus, dat de verhouding der lijnen (nog afgezien van de gelaats, teint) zichzelf steeds gelijk zou. blijven. Dit geldt voor den bouw, maar rimpels, plooien, groeven, vertrekkingen kunnen het lijnenspel verstoren. Daarmede vervalt het argument. Doch er is meer, en dit juist v^'eerspreekt zijn meening op het krachtigst. Die disharmonie der trekken vertoont zich inzonderheid, als door affecten of ondeugden de „harmonie" der ziel wordt gebroken.

We houden dus aan tweeërlei vast. Ten eerste, dat de harmonie, welke we waarnemen aan vele door ons schoon geachte dingen, niet los staat van die schoonheid, doch haar dient.

Ten tweede is er, behalve de harmonie van de zihlij'ke wereld, zulk ©ene, die slechts is waar te nemen met het geestelijk oog. Ploitinus kent en erkent liaar, maar begaat de fout ook haar bi| zijn aesthetisch onderzoek te elimineeren. Nu is 'het zeer zeker waal', dat er overeenkomst kan bestaan tusschen onjuiste theorieën. Maar dit heft de schoonheid die er ligt in den samenhang vau ware denkbeelden en een leven naar vasten koers volstrekt niet op. Volle harmonie is op het terrein der dwaling niet te vinden. En geestelijke 'harmonie zoekt zich, dank zij de eenheid der schepping, in overeenkomstigen vorm te openbaren.

Intusschen, ook hier ligt de eenheid verbroken. Het is volstrekt niet gezegd, dat een „Jinap" en regelmatig gezicht een van binnen uit komende schoonheid weerspiegelt. Er is een meer uitwendige en een meer inwendige schoonheid, als we hel zoo. mogen uitdrukken. Men vergelijjie maar eens een „idealen" Griekschen kop met portretten, zoo ais Rembrandt ze schilderde naar jrof besneden model.

Het geloof in Christus, schoon in Zijn lijden en schoon in Zijn verheerlijking, doet ons het schoone zien in zijn samenhang en onderscheidenheid en bewaart zoowel voor formalistische beperklheid en uitwendigheid als voor expressionistisch© losbandigheden.


1) Veel aandacht wijdt aan hem O. Walzel in zijn: „Gehalt und Gestalt", Potsdam, 1929.

2) Dezelfde woorden als Joh. 1:9 van het eeuwige Woord 1 gebruikt. ïbruikt. * *

3) Men vergunne ons hier het woord „formeel" te gebruiken nog vóór het woord „vorm" nader is besproken,

J , 41. 4"! ..^De De nieuwe Europeesche Euro] Geest in Kunst en Letteren", we ven'; jj> -i, ' '• ^•' Arnhem, 1920, bl. 129 vlg. over Problemen in de Ontwikkeling kunst", door Mevr. H. KröUer-MüUer, Maastricli^''^ .1. 125.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 20 augustus 1937

De Reformatie | 8 Pagina's

HOOFDARTIKEL

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 20 augustus 1937

De Reformatie | 8 Pagina's

PDF Bekijken