Vu cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Vu te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Vu.

Bekijk het origineel

Vrije Universiteitsblad 1961 - pagina 4

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Vrije Universiteitsblad 1961 - pagina 4

4 minuten leestijd

ping stellen. God handhaaft, dwars door de zondeval heen, het goede bestand van zijn schepping. Ook na de zondeval bloeien de bloemen en zingen de vogels, verkondigen de hemelen Gods eer en prijst het uitspansel het werk van zijn handen. Wanneer de menselijke stem uitvalt is er nog de stemmeloze spraak van de natuur om God te loven. We zouden kunnen zeggen: de zanger zwijgt, maar het orkest speelt door. Temidden van de gebrokenheid van het mensenleven wordt in de natuur nog iets zichtbaar van de luister van het pradijs. We voelen dat soms als een schrijnende tegenstelling: de vrede van de natuur tegenover de onvrede van de mens. De Bijbel laat ons zien, dat deze tegenstelling wordt tot een aanklacht tegen de mens. In de boeken van de profeten wordt meer dan eens teruggegrepen op de vastheid, de orde, de regelmaat van de natuur om de gebrokenheid, de chaotische situatie van het mensenleven te scherper in relief te stellen. In dit verband denk ik aan die merkwaardige tekst uit Jeremia 8: „zelfs de ooievaar aan den hemel kent zijn vaste tijden en tortelduif en zwaluw nemen den tijd van hun komst in acht, maar mijn volk kent het recht des HEREN niet". We mogen deze tekst niet te veel laten zeggen — op teksten als deze kan men beslist geen natuurfilosofie bouwen —, maar het is wèl aangrijpend, de tegenstelling die hier gemaakt wordt tussen de natuur en de mens. Het is of de dingen zijn omgekeerd: de mens, kroon van de schepping, die aan de heilige orde Gods zichtbare gestalte moest geven in deze wereld, wordt door de orde 4

van de natuur veroordeeld in de wanorde van zijn leven. Maar — heeft dan de val van de mens helemaal niet ingewerkt op het bestand van de natuur? Ik zou hier dit van willen zeggen: we kunnen de natuur niet op een dusdanige wijze objectiveren, dat we in haar ook afgezien van de relatie tussen haar en de mens sporen van de val kunnen ontdekken. Wie als Christen de natuurwetenschap beoefent, in het laboratorium of in het vrije veld, zal niet zonder meer van het ene verschijnsel kunnen zeggen, dat het een gevolg is van de zondeval, en van het andere, dat het nog behoort tot het ongeschonden bestand van de schepping. Men heeft wel getracht dit te doen, door bijvoorbeeld de biologische dood te identificeren met de dood als vloek. Maar wanneer men dit doet, overschrijdt men voor mijn besef de grenzen van het menselijk weten. Wanneer Paulus zegt, dat door de zonde de dood in de wereld gekomen is, mogen wij daaruit niet de conclusie trekken, dat alle verwelkingsprocessen in de natuur, het verdorren van de bloemen en het sterven van de ééndagsvliegen en ga zo maar door, een gevolg is van de zondeval. Dood is bij Paulus: het uitvallen uit de levensgemeenschap met God. Het is merkwaardig, dat in de tekst uit Genesis 3, die wij citeerden, niet gesproken wordt over de natuur als objectieve grootheid, maar over de natuur in haar relatie tot de schuldige mens: de aarde zal u doornen en distelen voortbrengen. Het is, of enerzijds de natuur door God wordt gehanteerd als zijn instrument om een oordeel aan de mens te voltrekken — de zondvloed —, maar of tegelijk in dit voltrekken van het gericht de schuldeloze natuur iets mee moet dragen van de schuld van de mens. We stuiten hier op geheimzinnige verbanden — ik denk hier ook aan wat Paulus zegt in Romeinen 8 over het reikhalzend verlangen van de schepping, die onderworpen is aan de vruchteloosheid en dienstbaar aan de vergankelijkheid. Al weer: het gaat hier niet om de schepping los van de mens, maar om het geheel van de geschapen werkelijkheid, die niet tot haar volle heerlijkheid komen kan, omdat de mens, het centrale punt van deze werkelijkheid, verstek laat gaan. Dat wil niet zeggen, dat de mens van het toneel verdwenen is: integendeel, het is of de mens, die zijn koninklijke heerlijkheid verloor, niettemin ten koste van alles de illusie van het koningschap wil handhaven. Hij voert zijn strijd met de natuur, hij tracht haar te bedwingen en te overmeesteren, in zijn cultuurarbeid wil hij haar voegen binnen het kader van zijn orde. Dat hij dit doen kan, dat hij een weg vindt tussen de dorens en de distels door, dat hij zich te weer kan stellen tegen de dreiging die vanuit de natuur op hem afkomt, dat alles is vrucht van wat wij Gods algemene genade noemen, gevolg van het feit, dat God in deze wereld nog ruimte laat voor de ontplooiing van het mensenleven. Maar in dit alles is de mens toch eigenlijk zo klein en hulpeloos. Hij ontketent natuurkrachten, die hij niet beheersen kan, en hij is niet bij machte, om te gaan met de natuur zoals Adam er mee om ging, en Jezus Christus, die verkeerde temid-

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1961

VU-Blad | 184 Pagina's

Vrije Universiteitsblad 1961 - pagina 4

Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1961

VU-Blad | 184 Pagina's

PDF Bekijken