i k J Had ooit haar naam zóó schoon geklonken: J • „MARIA!", als uit ZIJNEN mond? l • Ze zag! — en kende — en verstond! iJ Rabbouni, Meester! J ' Had geblonken J } over de hof ooit zulk een morgenrood? } J Zooveel genade over zooveel nood? ! tBERENDIEN MEIJER-SCHUILING. ...