1910-1911 Orgaan van de Christelijke Vereeniging van Natuur- en Geneeskundigen in Nederland - pagina 152
144 dwergstruis overeenkwam. Uit overblijtsels van eierschalen kan men afleiden, dat de eieren, die de moa's legden, ongeveer 35 centimeter lang en 25 centimeter dik waren. In sommige geraamten vond men in de maagstreek een aantal steenen, die blijkbaar door het levende dier tot bevordering der s ...
1910-1911 Orgaan van de Christelijke Vereeniging van Natuur- en Geneeskundigen in Nederland - pagina 153
145 dekt van een vogel, die tot de familie der struisvogels moet gerekend worden en nog grooter zou geweest zijn dan de moa. Deze reuzenvogel van Madagascar, misschien wel de roek of rock der oostersche volken, ontving den wetenschappelijken naam van aepyornis maximus, hetgeen ongeveer zooveel be ...
1910-1911 Orgaan van de Christelijke Vereeniging van Natuur- en Geneeskundigen in Nederland - pagina 154
146 vogels aan op het eiland do Cerne, dat later den naam van Mauritius verkreeg. Honderd jaren later, in 1598 bezocht de Nederlandsche admiraal JAKOB CORNELIS VAN NECK het eiland Mauritius en vond daar ook een groot aantal dronten, die zich met de hand lieten vangen en zelfs op de schouders der ...
1910-1911 Orgaan van de Christelijke Vereeniging van Natuur- en Geneeskundigen in Nederland - pagina 155
147 die ze, gelijk gemeld, in het Britsche museum plaatste. In de tweede helft der 19-de eeuw nam de geschiedenis van den dodo een gunstiger wending. Wel kon menden uitgeroeiden vogel niet weer levend maken en ook werden geen levende exemplaren meer gevonden, doch in 1855 vond BARTLETT te midden ...
1910-1911 Orgaan van de Christelijke Vereeniging van Natuur- en Geneeskundigen in Nederland - pagina 156
14tS landen en op al de eilanden rondom en in het noordelijke gedeelte van den Atlantischen oceaan; vooral in Noorwegen, op de Shetlandeilanden en Faröer, op IJsland en in Groenland waren reuzenalken zeer talrijk. De reuzenalk behoort tot de zwemvogels en wel tot de familie der duikvogels; de vle ...
1910-1911 Orgaan van de Christelijke Vereeniging van Natuur- en Geneeskundigen in Nederland - pagina 157
149 vonden, waaronder verscheiden volledige geraamten. De Deensche geleerde J. J. STEENSTRUP (1813—1897) vond op het eiland Möen onder in een boschveen een geheel skelet te midden van dennenaalden, en in 1887 werd ook bij het Schwielochmeer, ten N. O. van Lubben aan de Spree, een volledig geraamt ...
1910-1911 Orgaan van de Christelijke Vereeniging van Natuur- en Geneeskundigen in Nederland - pagina 158
150vieesch, ook van het vet en de melk dezer dieren, die zij schorsdieren noemden, wijl hunne huid op boomschors geleek. Toen het bestaan dezer zeekoeien aan walvischvaarders en robbenjagers bekend werd, werd er op zulk eene ontzettende wijze jacht op gemaakt, dat het in den tijd van ruim ...
1910-1911 Orgaan van de Christelijke Vereeniging van Natuur- en Geneeskundigen in Nederland - pagina 159
Missionnaipe Artsen. ')Na hier nu ruim twee jaar gearbeid te hebben als miss. arts, heb ik uit de ervaring van mijn voorgangers, uit eigen ervaring en door samenspreking met de broeders, mij een meening en opvatting kunnen vormen aangaande dit werk en acht den tijd gekomen om u deze inzich ...
1910-1911 Orgaan van de Christelijke Vereeniging van Natuur- en Geneeskundigen in Nederland - pagina 160
152 voor te staan en wel op in hoofdzaak praktische gronden. Overigens waardeerde deze broeder ten volle ons standpunt en sprak zijn blijdschap er over uit, dat wij, op onzen eigen weg wandelende, toch hetzelfde einddoel najaagden. Met praktische gronden, redenen van nuttigheid dus, bedoelt men d ...
1910-1911 Orgaan van de Christelijke Vereeniging van Natuur- en Geneeskundigen in Nederland - pagina 161
153 op profijteiijl<e wijze te'combineeren valt met het optreden als arts, moge uit het vervolg blijken, n.l. als we eerst de taak van den miss. arts wat nader bezien hebben. Vragen we nu eerst eens of er ook principiëele schriftuurlijke gronden zijn voor het standpunt, dat ik bestrijd ? Het e ...