De Martelaren.
XXXII. ADRIiAlK DU SCHILDER. „Want Ik ben gekomen o'js. den mensch tweedrachtig te maken tegen zijnen vader en de dochter tegen hare oedei-en de schoondochter tegen hare schoonmoeder." e waarheid van dit woord deS Heeren heeft Adriaa ...
„Als een kleed zal ’t al verouderen.”
[OUDEJAAB.] Die zullen vergaan, maar Gij zult staande blijven, en zi) alle zullen als een kleed verouden; Gij zult ze %'eranderen als een gewaad, ea zij zullen veranderd zijn. - Ps. 102:27. Ook van het laatste tiental jaren dezer eeu ...