“Een bestendig wezen”.
Hij legt weg voor de oprechten een bestendig wezen; Hij is een schild dengenen, die oprechtelijk wandelen, . Spr. 2 : 7. Niets vergalt onder menschen zoo bitterlijk het genot van ons levensgeluk, als de onzekerheid, de ongestadigheid, de onbestendigheid, die van aU ...