„Een sloegen hem met vuisten”.
Toen spogen zij in zijn aangezicht, en sloegen hem met vuisten. Matth, 26 : 67. In niet geringe mate wordt het lijden van den Christus gekenteekend door het machtige feit: dat het Woord vleesch is geworden. Dat het lijden van Jezus in nog hooger mate zelis ook een ...
Van de Voleinding.
CCIV. ZESDE REEKS. XXVII. Toen zeide ik: ee mij, want ik verga; dewijl ik een man van onreine lippen ben, en ik woon in het midden eens volks, dat onrein van lippen is; want mijne oogen hebben den Koni ...