Voetius' catechisatie over den Heidelbergschen Catechismus - pagina 281
,Van277het eenigh Goddelick Wesen.Kom. 1. vs. 19. Overmits het gene van Godt is: v^ant Godt heeft kennelick is in haer openbaer is het haer geopenbaert. Waerom oock de Oudtvader Augustinus seer wel seyt, dat men eerder sonde konnen gelooven dat in den mensche geen rede ...
Voetius' catechisatie over den Heidelbergschen Catechismus - pagina 282
,Van278het eenigh Goddelick Wesen.V. Noemt my eens de namen Godts ? A. 1. Sommige namen beteeckenen het eenigh Goddelick wesen. 2. Sommige beteeckenen de persoenen in het eenigh Goddelick wesen. 3. Sommige beteeckenen de Goddelicke eygenschappen. V. Noemt my eens de na ...
Voetius' catechisatie over den Heidelbergschen Catechismus - pagina 283
,Vanhet eenigh Goddelick Wesen.279der Joden aen de Arcke des verbonts was gebonden : want aen, ofte by de Arcke des verbonts sprack de Heere met Mose volgens sijne toesegginge, Exod. cap. 25. VS. 22. 1. Sam. cap. 4. vs. 4. 1. Paral. cap.ende cap. 99. vs. 1. Esai ...
Voetius' catechisatie over den Heidelbergschen Catechismus - pagina 284
:,280Vanhet eenigh Goddelick Wesen.ende dienvolgens onnoodigh hier lange op te staen. V. Heeft dese naem eenige bysondere kracht, om eenigh quaet (door 't gebruycken van dien naem, 't zy met deselve te schrijven, ofte te spreken) wech ende om eenige wijsheyt de mensche ...
Voetius' catechisatie over den Heidelbergschen Catechismus - pagina 285
Van het eenigh Goddelick Wesen.281A. Als Godt geseyt wort te zijn een almachtigh, alwetende, rechtveerdigh, genadigh, barmhertigh eeuwigen Godt, van welcke eygenschappen wy in 't vervolgh sullen spreken. V. Ghy hebt nu aangewesen wat Godt is, ten aenzien van sijn namen seght my nu o ...
Voetius' catechisatie over den Heidelbergschen Catechismus - pagina 286
Van282het eenigh Goddelick Wesen.A. Een: Deut. 6. 4. Hoort Israël, de Heere onse Godt is een eenigh Heere. 1. Corinth. 8. 6. Nochtans hebben wy maer eenen Godt, &c. 1. Tim. 2. 5. Wantdaer is een Godt. V. Hoe veel Goddelicke wesens zijnder? A. Een. V. Hoe veel Godth ...
Voetius' catechisatie over den Heidelbergschen Catechismus - pagina 287
Vanhet eenigh Goddelick Wesen.283A. Ja. V. Zijn het alleen verscheyden benamingen,of drienamen ? A. Neen. V. Wie seggen sulcks? A. Eenige Leeraers onder de Mennoniten. V. Waer uyt bewijst ghy dat het zijn drie persoenen ofte selfstandigheden ? A. Om dat a ...
Voetius' catechisatie over den Heidelbergschen Catechismus - pagina 288
Van284 Sone,het eeni^h Goddelick Wesen.heden hebbeVS. 5. Joh.14.1.ickEom.u gegenereert. Hebr. 8.cap. 1.32.V. Welck des Soons? A. Dat hy van alle eeuwigheyt van den Vader is gegenereert, ende gesonden wort: Psalm 2 ...
Voetius' catechisatie over den Heidelbergschen Catechismus - pagina 289
Vanhet eenigh Goddelick Wesen.285V. Hoe, een persoon? A. Neen: een Godt. V. Van wien wort de Vader gesonden? A. Van niemant. V. Van wien wort de .Soon gesonden? A. Van den Vader. V. Van wien wort de é. Geest gesonden?A Vanden Vader ende van den Soon: Joh. 15. Ma ...
Voetius' catechisatie over den Heidelbergschen Catechismus - pagina 290
Van286bhet eenigh Goddelick Wesen.Van den Vader, Van wien werökt de H. Geest? A. Van den Vader ende van den Soon-A. V.V. Hebben de Vader, Soon, ende H. Geest, een ende deselve eygenschappen of zijn alle eygenschappen de drie persoenen gemeyn? A. Neen. V. ...