Het redmiddel. - pagina 21
19 2". Is het eisch der liefde, dat ik in anderer bijzijn, geen misbruik maak van hun toevallige tegenwoordigheid, en derhalve 6f van hetgeen tusschen hun godsdienstige begrippen en de mijne strijdig is, zwijge, óf, zou dit zwijgen een leugenachtige positie in het leven roepen, den eerbied onverlet late, dien ik aan hun peraoonlijke tegenwoordigheid en hun persoonlijk gevoel verschuldigd ben. Vooral bij kinderen klemt dit. Godsdienstig redetwisten vermoordt in het kinderhart den vromen
zin.
Hieruit volgt, dat van dezen eerbied geen sprake kan wezen waar geen andersdenkenden tegenwoordig zijn. Dat dit zwijgen dus niet als eisch kan gesteld worden aan scholen, waar alleen kinderen ééns geestes samen zijn. Maar dat aan dien eisch zeer gestrengelijk de hand is te houden, waar «andersdenkenden" tegenwoordig zijn en verkeerd begrepen geloofs- of ongeloofsijver tot miskenning van den aard van den godsdienst en de dispositie van het kinderhart zou verleiden. Artikel 23 onzer Schoolwet, deze beide verwarrend, weórspreekt zichzelf, en is, al naar men wil, onuitvoerbaar of onzedelijk. Dezen misstand weg te nemen is ook op het standpunt onzer
Schoolwetmannen
plicht.
Waar voor
zijn
Men dicht ons de ongerijmde gedachte toe, dat de natie zich de opoffering van millioenen schats voor het onderwijs zou hebben dat ze voor te getroosten, zonder eenigen waarborg te bezitten, die millioenen degelijk onderwijs kreeg. Tot die onderstelling had men geen recht. Vooreerst wijl .men zonder noodzaak zijn tegenstander geen ongerijmdheden in den mond mag leggen, en >waar voor zijn geld" een te deugdelijk HoUandsch spreekwoord is, dan dat bewering van het tegendeel in ons goede Nederland denkbaar zou wezen, zonder dat het verwijt van ongerijmdheid u ten laste komt. Maar ook ten andere, wijl noch de houding der Antirevolutionaire partij in het algemeen, noch die van de Standaard in het bijzonder, den minsten twijfel gedoogt omtrent onze warme deugdelijk onprijsstelling op afdoend, waarlijk ontwikkelend, derwijs. Stelt men, in afwachting van Grondwetsherziening, en dus zich voorshands, wat de quaestie van beginsel aangaat, op het standpunt van ons positief Staatsrecht plaatsend, plicht en recht van de Overheid tegenover elkander, dan gei'aakt men tot deze uit-
komst: Plicht van de Overheid is 1. te waken, dat het volksonderwijs 2. nu ten onzent niet dale beneden het peil van andore natiën do kosten van het onderwijs in steeds ongunstiger verhouding :
;
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1875
Abraham Kuyper Collection | 28 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1875
Abraham Kuyper Collection | 28 Pagina's