Honig uit den rotssteen - pagina 41
37 tegen hebben op wat ge beweert, of wel meê den weg op willen als ge van bet geestelijke zoo dwepend jubelen kunt. Neen, „gelooven;" de Heere heeft het van meetaf aan den vader der geloovigen wel geleerd „gelooven" dat is afstand doen van alles, alles er aan geven, alles loslaten, en volstrekt niets meer aan u, van u of in u overhouden, om u dan, met niets dan uw vloekwaardig en verdorven hart, eenig en alleenlijk te werpen op de almogendheid van Grodes ;
ontfermingen. Jezus maakte het dien jongen man zoo duidelijk; „Grelooven" „gelooven" is niet alleen alle genietingen en alle eerzucht, maar ook „Alles verkoopen wat alle goed en schat der wereld er aan geven. ge hebt," om niets dan uw God over te houden. Of neen, moeielijker nog naar den zin waarin Paulus het verklaart: het houden en het toch niet hebben. Het bezitten als niet bezittende! Het voor u, om u en bij u te hebben en er dan toch zoo volkomen los van te zijn, dat Grod uw eenig deel is! „Zegen nu en het eeuwige leven dan!" hoor toch, de Heere zegt het toe aan wie goed en have, vrouw en kind, vriend en magen eerst van zijn hart losmaakt om ze daarna niet dan in Hem te bezitten. En zeg nu niet: „Dat is voor de rijken!" Want wie is niet op zyn beurt „rijk" met wat hij heeft? Tot het kind met zijn speelpop en den bedelaar met zijn kruimkens! Zoo vatt'en dan ook die bij Jezus stonden het op, en riepen uit, niet: „Welke rijkaard," maar, het op allen toepassend: Wie kan dan zalig worden?" en in antwoord daarop heeft Jezus het verklaard: „o, Het is zoo, zalig worden behoort tot die dingen, die bij de menschen onmogelijk zijn! Maar hebt goeden moed, er blijft een mogelijkheid daarboven!" Mogelijk, ja, bij Grod, bij Hem, die „de dingen die niet zijn, roept alsof ze waren;" bij Hem, die uit het graf kan doen opkomen, en voor wiens raad geen ding te wonderlijk is, dat het Hem zou worden afgesneden! Mogelijk bij en gewrocht door uw God, gewrocht in die duizend harten, die de levenskreet hebben uitgeschreeuwd en een mirtenboom werden daar ze eens distels waren. Gewrocht en doorgewrocht ten einde toe, ondanks de hardnekkigheid hunner harten! Begrijpt, verstaat gy het, hoe de Heere het werkt? Hebt gy de gangen van den Geest nagespeurd, of de paden van het Woord doorwandeld ? Of zijt ge opgeklommen tot de schatkameren van dat meer dan sneeuw, wijl het witter dan sneeuw maken kan? broeder, ik weet het immers, ook gy aanbidt alleen en o, Mijn voelt in dat aanbidden uzelven wegzinken! Och, of het waarheid bij u zijn mocht, want is het dat, o, dan laat ge het ook daar niet bij, maar kunt niet aflaten om dan ook te doen naar het Woord van dien Heere „Gaat henen, predikt mijn Evangelie aan alle creaturen;" en dan predikt ge het, elk in uw kring, de ;
:
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1880
Abraham Kuyper Collection | 257 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1880
Abraham Kuyper Collection | 257 Pagina's