Honig uit den rotssteen - pagina 239
235
van Jezus ons zegt: „Deze drie blijven, geloof, kan hij dus niet anders doelen dan op dit leven. Slechts moogt ge het niet verstaan van een blijven slechts tot aan uw dood. Neen, maar tot aan de wederkomst onzes Heer en Jezu Christi blijven deze drie krachten de levenskrachten van zijn volk, van zijn gemeente, van de kerke Gods. Als
Apostel
de
hoop en
liefde,"
die gaven scherp onderscheiden van de andere waarvan de Apostel in 1 Cor. 12, 13 en 14 handelende is. Want de gave om in vreemde talen te spreken zou niet blijven. De gave der wonderen zou owfZêrgaan. De gave der profetie zou ophouden. En terwijl Paulus nu juist bezig is om over
Daarin
geestelijke
nu zyn gaven,
buitengewone, die singuliere, die slechts aan enkelen, die slechts voor korten tijd verleende extra -ordinaire wondergaven te handelen, plaatst hij er nu tot troost van de gemeente, opeens en met meesterhand, die andere drie tegenover, als de gaven die aan elk kind van God geschonken worden; als gaven die tot het gewone leven van Grods kinderen behooren, als gaven die van plaats of aanleg onafdie
hankelijk zijn; en die even deswege niet zullen voorbijgaan, maar hlijyen zoolang de gemeente van Jezus op aarde verkeert. Bedenk toch wel," dat de Heilige Geest den Apostel bij het schrijven nog dreef, en dat die Heilige Geest toch wist, dat de kerke Gods zeer vele tijdperken zou doorgaan, en dat van al die tijdperken slechts
met deze buitengewone wondergaven zou daarna die buitengewone gaven bijna geheel zouden ophouden. En bedenk ook, dat alsdan aan de gemeente als
zeer korte aanvang gesierd zijn. Bedenk, dat
een
haar algenoegzame troost niet anders blijven zou dan haar geloof in, haar Jwop op en haar liefde voor Christus Jezus onzen Heer. Slechts zie men wel toe, dat men zich niet vergisse. Ook onder de buitengewone gaven komt er één voor die én Jezus én zijn apostelen „geloof" noemen. Zie maar in het vorige hoofdstuk vers 9. Daar staat, dat den éénen is gegeven „een gave der gezond-
making," en „eenen anderen het geloof." Dat kan natuurlijk niet het zaligmakend geloof zijn. Want dat heeft immers niet maar een enkel Christen, maar elk kind van God. Met „geloof" is in 1 Cor. 9 dus een bijzonder, singulier „geloof" bedoeld; zooals onze 12 kan tteeken aren zeiden: „Een buitengewoon geloof om mirakels te doen." Diezelfde buitengewone geloofsgave, waarvan Jezus zei: „Inmet dien ge geloof hadt als een mosterdzaadje, ge zoudt zoo'n berg :
uw woord En let eerst
werpen!" nu op dat Paulus in den aanhef van 1 Cor. 13 juist over die gave van een extra-ordinair geloof heeft gebandeld, in zee
^
_
er
en gezegd heeft, dat die extra-geloofsgave niet zaligmakend is. Hij schreef toch: „Al ware het dat ik een geloofsgave had,
om
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1880
Abraham Kuyper Collection | 257 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1880
Abraham Kuyper Collection | 257 Pagina's