Honig uit den rotssteen - pagina 158
154 te zijn, nog zoo jammerlijk aan, dat alleen de rechtstreeksclie inwerking van den Heiligen Greest voor korte oogenblikken, heilige,
hemelsche zielsbeziglieden teweegbrengt! Maar dit neemt niet weg, dat ook zóó deze arbeid onzer handen toch tevens een teeken onzer schande is en blijft. In het Paradijs, of ook voor Grods troon, zal handenarbeid iets den mensch geheel onwaardigs wezen, en gelijk de vogelen des hemels niet zaaien, noch maaien, noch verzamelen in de schuren, zoo zou het ook den mensch als koning der schepping betamen, zonder die stoffelijke bemoeiing en stoffelijken arbeid, tot verzadiging toe, en te over te hebben, al wat zijn nooddruft eischt. Zoo was het dan ook in 't Paradijs, waar alle boom den mensch zyn vrucht bood en de prikkel van den honger of van den dorst nooit is gekend. Zoo was het ook in de woestijn, waar het manna nederdaalde van den hemel, zonber dat de kinderen Israëls het zand der woestijn hadden beploegd, of de spade stomp hadden gestooten op haar rotsgrond; en zoo zal het in nog heerlyker zin eens daar boven zijn, als we eten zullen van den boom des levens, en uit de zilveren stroomen gedrenkt worden, en bij een nog heerlijker manna, de onvermengde wijn zal worden ingeschonken, aan dien vetten maaltijd, dien de Heere eens voor alle volkeren bereiden zal, na het be windsel van hunne aangezichten te hebben verslonden. En zie, van deze, in het Paradijs verloren, in de woest^n weer getoonde, en namaals ons weer wachtende heerlijkheid, geeft Jezus nu, eerst op Kana's bruiloft, en daarna in 't spijzigings wonder, een teeken, een staal, een proef. Toen die duizenden bij duizenden brood zonder arbeid ontvingen en verzadigd werden zonder dat het zweet op hun aangezicht gepereld had, schitterde daar aan den oever van Gennesareths meer weer voor een oogenblik de ruste en de heerlijkheid van het Paradys. Het was dus alsof Jezus, door dat brood zonder arbeid te vermenigvuldigen, het daadwerkelijk bewijs wilde leveren, dat zyn spreken over een heerlijkheid die kwam, niet maar een verzinnen van woorden was, maar dat hij de bewijsstukken voor 't bestaan dier heerlijkheid bij zich had; dat hij de levende bestanddeelen van die heerlijkheid in zijn eigen persoon met zich omdroeg; en hy wel terdege zelf de krachtige held was, die de macht bezat, om aan wien hij wilde, die heerlijkheid toe te bedeelen.
Het was dus een volkomen miskennen van zijn wonderdaad, indien at om te eten, en niet den voorsmaak in dat wonderbrood proefde van de toekomende glorie, en er niet het teeken in zag van zyn Messiasmacht, om ons die glorie te verwerven. En vandaar dan ook de harde bestraffing, waarmede de Heere Jezus, den volgenden morgen de opgewonde schare afkoelde, toen hij haar verweet: „Gij
men maar
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1880
Abraham Kuyper Collection | 257 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1880
Abraham Kuyper Collection | 257 Pagina's