Honig uit den rotssteen - pagina 18
14 werking er van niet zoo ongelooflijk nadeelig was? Ziet ge dan niet hoe onder de minste aanraking met het Farizeïsme de schoonste bloem verwelkt? Een graf, 't welk niet openbaar is! Dat de menschen u gadeslaan, langs u heen wandelen, op u turen, en dan ja wel dien sierlijk gehouwen lijksteen eu dat vrome opschrift zien, maar niets merken van wat er wriemelt en woelt in de kuilen van uw hart.
vroom te zijn heeft een bekoring, maar als dat de vroomheid en niet om den heiligen God gaat, dan en bant is het een dood aas, geeft een reuke der ontbinding van zich alle waarachtige vroomheid bij u uit. Farizeïsme .... alsof men overluid voor of met anderen biddend, om God en nimmer om die andere nooit dan in dat bidden G-eloof het toch,
o,
vroom
zijn
om
menschen dacht. alsof het doen of laten van Meer in schijn dan in wezen heilig een vrome die het op zijn iets, als een andere „vrome" er bij was; beurt weer evenzoo om u meer dan om God zou laten; den loon .
dier daad niet
weg
.
.
heeft.
alsof er met de lippen nooit buiten ander dan van binnen geloofd was dat 't hart zon op eigen grootheid; of gepreveld met de tonge dat er geen gebed in de ziel was. alsof ge nooit schijnbaar met een Voor God en menschen één wereld gebroken hadt, met welke ge aan de achterpoort van uw ziel
Van
weer een gesprek aankn')opt. alsof ge niet evenErger nog, voor God en voor u zelven één zeer, u zelf misleidend, vaak een kruis scheent te hebben opgenomen, dat nog onaangeroerd op den grond lag; een offer dacht gebracht te hebben, dat nog te grazen liep in de velden uwer eigenliefde; of ook aan een verborgenheid u reeds toerekendet, waarvan uw onrein, uw stootig, tegenstrevig hart nog zelfs 't eerste schijnsel nooit opving. En dan noemden we nog het gruwelijkste, voor God meest ge.
.
.
vloekte en smadelijkste niet, dat nog, o, zij God uw ziele genadig, dat nog herbergen daar binnen, dat nog heimelijk streelen en koesteren, dat nog troetelen en liefkoozen van de giftige worm, die u van der jeugd af stak; van het kwaad dat uw zielskwaad bij uitstek; de altijd aan u klevende, voor u meest verleidelijke, boezemzonde^ zooals ze 't te noemen plegen, de kanker aan het genadewerk in uw ziel onder het meêloopen met de „schaapkens van den en dat is, eenigen Herder;" al meedoende met wie van Gods uitverkorenen zijn; u diets makend dat ge al heiliger wordt! ... o, Zeg mij, verstaat ge .
.
.
.
.
.
't dan nog niet „van die graven die niet openbaar zijn," waar ieder; wierd de lijksteen er eens van opgelicht, dat te zien kwam wat er in woelt en zweert; met de diepste walging zich van weg zou
maken ? Och, die pas beginnen denken dat het hun niet aangaat!
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1880
Abraham Kuyper Collection | 257 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1880
Abraham Kuyper Collection | 257 Pagina's