Honig uit den rotssteen - pagina 100
96
XLIV. a5ij,
öic üc
uatcn üe^
^tttm
öraagt!
uit het midden van hen, reinigt u, die de vaten des Heeren draagt. Jesaia 2 11.
Gaat gij,
:
Het
is
de profetie van verlossing, waai in deze toeroeping tot Israël verlossing uit Babylons grievende, eerlooze, smadelijke
uitging! Van ballingschap. Toen, toen
de ziener het einde zag van het strafgericht der vernedering en schande; toen hij by Geesteslicht met blij triomfgeschal de zonen zag weêrkeeren, van wie eens, met een zak omkleed, naar het diensthuis waren weggevoerd; toen het „vertrekt, vertrekt!" de goddelijke toon van het ,.gaat uit van daar!" den krank getreurden, den verkwijnenden ballingen weer als levensklank en hemelmelodie toen ging ook dit kostelijk woord in het oor mocht weerklinken, van den wachter voor Israëls eere uit: „Gaat uit het midden van hen, reinigt u, gij, die de vaten des Heeren draagt!" Natuurlijk sloeg dat eerstelijk en zaakrijk op het choor der Levieten en den stoet der priesters en de groep van het Aaronietisch geslacht, op hen, de uitverkorenen naar ambt en bloede, die verwaardigd waren het heilige des Heeren te bedienen, en nu, van overstelpende vreugd schier bezwijkend in hun ziele, diezelfde heilige gereedschappen weer door de woestijn naar Zion mochten terugdragen, die eens door woeste, roovende, plunderende krijgslieden met ruwe hand uit den tempel gesleurd en naar Babyion waren weggestolen. Zij, die dragers van de vaten des Heeren, moesten bij den optocht naar Zion voorop zy voor anderen den moed grypen om met Babyion te breken, de dorre woestijn in te gaan en door de zandzee zonder pad weer den berg te zoeken, dien Jehovah verkoren had, het
—
;
Jeruzalem zijner verlustiging.
En daarom heet het in de profetie! „Gaat uit, gij voorop, gy verkorenen, die de vaten des Heeren draagt, en reinigt u eer ge den heiligen last aanvat." En zoo reinigden ze zich dan, die geroepenen des Heeren, en togen allen vooruit, met'den teederen, dierbaren, heiligen last door de vallei der schaduwen en der wildernis, met voor niets dan voor dat vat des Heeren, dat ze droegen, een oog, met voor dat heilige vaatwerk al hun zorg, niet vragend of hun de voet geschrijnd, of hun het aangezicht door den zandstorm verdorven, of hun kleederen bezoedeld werden, als dat vat des Heeren maar ongeschonden, door de woestenij, over de Jordaan, de bergen op, langs Jeruzalems straten,
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1880
Abraham Kuyper Collection | 257 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1880
Abraham Kuyper Collection | 257 Pagina's