Honig uit den rotssteen - pagina 185
181 ook
een toezegging, een belofte, een profetie van geluk tot u
;
maar
in veel sterker, krachtiger toon dan ook de volksdry ver het aandorst. Want dat Woord belooft niet alleen mindering van leed en tempering
van smart, maar ook een
instorting van wezenlijk geluk ^ en dat zoo volop, dat het „geluk^a//^" heeten mag; ja, die „gelukzaligheid" met zoo volle teugen, dat „w^e/gelukzalig" het schier overspannen woord is, waarin de taal vruchteloos den vollen rijkdom van vree en blijdschap poogt te vertolken.
geluk
En
hoe,
op
wat
wijs
belooft
die
Bijbel
nu zulk een welgeluk-
zaligheid ? Sla, om dat te weten, den Psalmbundel van binnen maar eens open, en zie maar eens hoe het dien „weigelukzaligen man," die op het pad der goddeloozen niet wandelen wil, vergaat. Ge zoudt meenen, dat God hem al ziijn krankheden zou ontnemen, en zie hij klaagt en roept en zucht uit banden en uit doodsgevaren en uit een kuil daar geen water in is. Ge zoudt denken, dat voorspoed en weelde het deel zyns bekers zou zijn, en zie, hy is gejaagd als een ree op de bergen en al de baren en golven des Almachtigen gaan over hem heen. Ge zoudt verwachten, dat een kring van getrouwen hem omringen en verzeilen zou, en zie; al zijn bekenden verlaten hem, en de man die zyn brood at, heft de verzenen tegen hem op. Of als dan die aardsche zegen bedreigd blijft, zoudt ge althans wanen, dat deze weigelukzalige man in ongestoorde heiligheden en godvruchtigheden in stillen vrede voor Gods aangezicht zou wandelen; maar zie, ook dat slaat u tegen, want telkens komt er over zijn lippen een klacht der zonde en een bede om verzoening van zonde, en dreunt er uit den bodem van zyn hart een worsteling na, die hem als dood brakende laat zijn en als een goddelooze verachtelijk maakt in zijn eigen oog. En vraagt ge hoe het dan mogelijk is, dat de Schrift zulk een nu dan toch „welgelukzalig" noemt, ziehier dan, myn lezer, den sleutel tot dit wonderbaar geheimenis. Die man is de ellendigste aller menschen in elk ander opzicht, en niemand beter dan hij zou het Paulus kunnen nazeggen „Ik ellendig mensch, wie zal mij verlossen!" Maar in één opzicht slaat dat blaadje ganschelijk om, en juist daarin is het dat al zijn heil steekt; die man weet namelijk niet dat hij God, maar dat God hem heeft, en door dat geloof en uit dat geloof leeft hij, en dat is hem genoeg, en meer wil hij niet, en nu wordt zelfs de kuil zonder water hem een kuü van zijn God, waarin die God hem gelegd heeft, en waarin die God hem bewerkt en waaruit die God hem wil en zal en kan opbrengen. :
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1880
Abraham Kuyper Collection | 257 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1880
Abraham Kuyper Collection | 257 Pagina's