Honig uit den rotssteen - pagina 240
236 dezen berg te zeggen: "Word opgenomen en in de zee geworpen, en ik had de liefde niet, zoo ware ik niets.^'' En gelijk de Apostel daar nu eerst van een aparte w^e^zaligmakende geloof sgsive spreekt, zoo spreekt hij er ook van een aparte niet reddende gave èener zeer sterke hope^ als hij zegt: „Al ware het dat ik mijn lichaam overgaf, om verbrand te worden (in de hope der heerlijkheid, niet waar?), en ik had de liefde niet, zoo zou het tot
mij niet nutten."
En na aldus het niet-zaligmakende van deze extra-gave des miraculeusen geloofs^ en van deze extra-gave der martelaars/iope te hebben uitgesproken, voegt hy er nu zelfs aan toe het ydele en onnutte van de extra- gave eener van alles afstand doende liefde: „Al ware het dat ik al mijn goederen tot onderhoud der armen deelde, en ik had wel deze extra-gave der liefde, maar niet de diepe zaligmakende liefde, het gaf mij voor de eeuwigheid niets." En zie, in verband hiermee, en als in tegenstelling met deze niet zaligmakende extra-gave van zulk een singulier geloofd van zulk een van zulk een singuliere liefde^ in den aanvang van het kapittel, wyst hij nu aan het slot van het hoofdstuk op de wel zaligmakende, niet extra-ordinaire, aan allen gemeen zijnde Greestesin werkingen, die het waarachtig geloof, de onverwelkelijke hope en de goddelijke liefde in het hart uitstorten; en komt ons nu in naam des Heeren verklaren, dat, ook waar die extra-ordinaire gaven by tijden verdwijnen; en er nu eens eeuwen en volken zijn, waarin het martelaarsbloed vloeit, en dan weer eeuwen en natiën, waarin de martelaarsgave wegvalt; deze drie, het geloof, de hope en de liefde, alle eeuwen door en onder alle volken het gemeengoed van Jezus' gemeente blijven, totdat hij komt, d. i. totdat we hem zien zullen singuliere hoop en
van aangezicht tot aangezicht. Vers 12 teekent dan ook niet het hemelleven, maar spreekt alleen uit, hoe het ons te moede zal zijn bij het zien van Jezus, als hij op de wolken komt. Nu als in een wolkenspiegel, dan van aangezicht tot aangezicht. Nu van verre kennen. Dan kennen door de macht van het volzalig aanschouwen. En daarop nu volgt: „£'n tm., d. i. in afwachting daarvan, tot aan die komst des Heeren, blijven deze drie heilpanden der gemeente vaststaan: Geloof, hoop en liefde! En onder deze de liefde de meerdere, gelijk ook in uw schatting immers (voor wat het genot betreft) de druiventros meerder is dan de rank, waarvan ze geplukt wordt en meer dan de wortel waarop de wynstok bloeit!"
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1880
Abraham Kuyper Collection | 257 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1880
Abraham Kuyper Collection | 257 Pagina's